van de heldin en het monster in harnas

En ‘s anderendaags, vandaag, ween ik natuurlijk, zo gaat het altijd, ik kan niet goed bij mensen zijn. Wat ik na zo’n avond wens is dat elke aanwezige de volgende dag vergeten is dat ik er was of wat ik zei. Mezelf uitwissen. Uitwissen dat ik andermans ruimte innam. Uitwissen dat ik onbedoeld domme of lompe uitspraken deed. Uitwissen dat ik niet uitgelegd kreeg wat ik bedoelde.

Don’t meet your heroes, zegt men, en bij mijn eerste poging reden enkele jonge kerels in een verkeerstunnel op onze wagen in. DON’T MEET YOUR HEROES brulde elke wagen die langsreed in de tijd dat we daar vast stonden. Ik was geneigd te luisteren.

Maar de volgende dag kwam mijn heldin nog elders in de buurt en mijn liefste en mijn redacteur wisten me te overtuigen: DO meet your heroes.

Ik kan het alleen maar geharnast en ongewapend.

Het begon al met mijn redacteur. Mijn moeder leefde nog toen ik hem de vorige keer zag. Nu niet meer. Zodra ik zijn blonde hoofd boven de anonieme mensen herkende, schoot ik in mijn harnas. OK, omhels me maar, maar laten we daarna doen alsof er niets gebeurd is, laten we dan doen alsof we het nooit over mijn moeder gehad hebben, ik weet niet waarover we verder nog kunnen praten, maar praten jullie maar en ik zal wel luisteren.

Later, in de boekhandel, was daar V. en het was de eerste keer dat we elkaar ontmoetten. We hadden een klik via het geschreven woord en ik was bang dat ik met mijn gesproken woorden alleen maar zou teleurstellen dus hadden we elkaar nog niet ontmoet en nu stonden we hier plots tegenover elkaar dus moest ik snel in mijn harnas. Hoe doen andere mensen dit, met elkaar praten zonder angst saaie monsters van zichzelf te maken?

Het is de schuld van de literatuur natuurlijk. De literatuur heeft me verpest voor de mensen. Ik wil alleen maar een spons zijn. Ik wil alleen maar wat ik absorbeer binnen in me laten gisten. En misschien sijpelt er met veel geduld en gedoe wel eens een leesbaar lijntje inkt uit. Maar als ik mezelf moet uitknijpen… Wel, al wat je krijgt is een gistend sopje. Wis het uit.

Ik benijd ze, de mensen die kunnen denken en spreken tegelijk.

En ik benijd dat ze niet beseffen hoe benijdenswaardig dat is.

Mijn heldin was alles wat ik gehoopt had en nog veel meer. Ze hing wijdbeens op haar stoel, dacht luidop na in de microfoon, op elke vraag zocht ze ongehaast een antwoord en haar handen spraken mee, wat hield ik van haar dansende handen, ze keek het publiek open en zonder verpinken aan, had een schallende lach, ze ging diep zonder terughoudendheid, ze nam zonder verontschuldigingen alle ruimte in die haar toekwam, ze was alles wat ik nooit durfde zijn.

Ik hing als een spons aan haar lippen. Ik zat te slikken en knikken. Jà, het vraagt tijd om een moedige lezer te worden. Jà, het boek dat je schrijft wordt een oprijzend landschap. Jà, je moet je onbewuste vertrouwen en diep durven gaan… jà! jà! jà!

Maar slechts een spons zijn is onbeleefd en zelfzuchtig, er moet wederzijdsheid zijn. Dus ik probeerde het wel, mezelf uitknijpen, tijdens het signeermoment, en later, aan de tafel buiten, en nog later, aan de tafel in de kroeg, dat ze me met haar boek de toestemming had gegeven zo wild te schrijven als ik dat wil zonder nog iets te geven om de conservatieve kritieken, hoe het mij aan literatuuropleiding ontbreekt en wat zij van de hare geleerd heeft, hoe onmetelijk belangrijk haar keldermeisje voor me is, over weer leren durven zwemmen… maar ik kreeg niet uitgelegd wat ik bedoelde, ongetwijfeld deed ik domme of lompe uitspraken, ik nam ruimte in die ik niet wilde, ik wilde zo graag alleen maar een spons zijn.

Ik mis een of andere schakel tussen denken en spreken. Ik heb een wroetende omweg gevonden langs het geschreven woord maar de schakel die iedereen lijkt te hebben en dus als natuurlijk beschouwt, als normaal en vanzelfsprekend, die ontbreekt bij mij.

Op een dag zal ik in een boek het juiste woord daarvoor vinden, bij voorkeur een medische term of een Latijnse naam, en dan zal ik voortaan aan het begin van elk gesprek kunnen zeggen: in mijn hersenen ontbreekt de ….. ……. dus vergeef me, ik kan alleen maar luisteren, laat me maar gewoon een spons zijn die in het plasje ligt dat uit je mond stroomt.

Liefste V., liefste redacteur, liefste Claire-Louise, wis dat ongemakkelijke monster in harnas van gisteren uit je herinnering, het wilde liever een spons zijn.

er zijn dagen, er zijn nachten

er zijn dagen dat er alleen maar leegte is waar ikzelf altijd was

er zijn dagen dat ik kan veinzen dat ik vergeten ben en dagen dat ik het weer voor het eerst weet

er zijn dagen vol korte huilbuien van uitputting, bloedeloze regenvlagen

er zijn onbeweeglijke dagen, versteende dagen

er zijn heilloze dagen

er zijn dagen vol redeloze haat, ik haat alles en iedereen

er zijn dagen van vluchten in koortsige bezigheid

er zijn plichtmatige dagen

er zijn dagen zonder einde

want er zijn eindeloze slapeloze nachten

er zijn dagen dat ik mezelf niet opgewarmd krijg, dagen dat ik mezelf niet wakker krijg

er zijn emotieloze dagen

er zijn dagen zonder toekomst, en nachten waarin de enige toekomst aftakelen en verliezen is, verliezen of sterven, sterven of verliezen, laat me sterven, laat me ontsnappen, laat me dit niet meer hoeven doen, dit oud worden en steeds meer moeten verliezen

er zijn energieke, gedreven dagen, ik wil iets doen, ik heb een resultaat voor ogen, een monument

er zijn dagen dat ik mezelf niet verdraag, dagen dat ik niet wil zijn

er zijn nachten die telkens opnieuw stokken om 4u30, het uur van aanzegging

er zijn prikkelbare dagen, ketels vol irritatie koken, koken over

er zijn dagen dat ik tranen kots en dagen dat ik amper nog lucht langs de versteende krop in mijn keel krijg

er zijn dagen vol stilte, vol ademhalen

er zijn dagen dat de opluchting dat mijn moeder niet meer lijdt zo groot is dat ik niet wil denken aan mijn vader

er zijn dagen met momenten, minuten, van: ik leef godverdomme, ik leef, ik moet leven, ik moet extatisch leven

er zijn dagen met zon en kauwen en bloemen, dagen dat ik me vastklamp aan zon en kauwen en bloemen

er zijn dagen zonder geest, zonder echte aanwezigheid, ik ben zelf zoek

er zijn nachten met een hoofd dat maar woorden welt en welt, onstopbaar wellende woorden, zinnen, ze willen opgevangen worden, ze gutsen en gutsen maar tot ze opgevangen worden

de mens en de schrijver

De mens en de schrijver delen samen een hoofd. Het hoofd is van de mens, de schrijver is er ingetrokken, nu delen ze het hoofd. De mens en de schrijver zijn voor elkaar gemaakt, zielsverwanten. Maar de mens is niet gemakkelijk om mee te leven. Als de mens energiek en levenslustig en kalm is, kan de schrijver goed werken. De mens houdt ervan als de schrijver goed kan werken. De mens houdt meer van de schrijver dan van zichzelf. De mens vindt zichzelf lastig, al die angsten, al die explosieve emoties over al dat oncontroleerbare leven… De mens is gelukkig als de schrijver gelukkig is. De mens wil de schrijver nooit meer kwijt.

De mens stommelt al drie maanden jammerend rond in huis, het is de moeder, angsten om de moeder, de mens vult het hele hoofd met de moeder, liefde voor de moeder, zorgen over de moeder. Soms aanvaardt de mens een beetje hulp van de schrijver, vaak wil de mens alleen maar gerust gelaten worden. De schrijver gaat tegen de wand van het hoofd zitten en wacht, kan niet anders dan afwachten.

Maar vandaag moet de schrijver er staan. Het moet, want er komt publiek luisteren. De mens moet mee, het kan niet anders, de schrijver heeft de mens nodig omdat de mens kan praten, de schrijver kan alleen maar schrijven. Het publiek komt luisteren, dus moet de mens voorlezen wat de schrijver geschreven heeft. En uit naam van de schrijver met het publiek praten. Het publiek ziet slechts één hoofd, het hoofd van de mens. Het publiek denkt dat de mens en de schrijver één en dezelfde persoon zijn, is.

Het publiek bestaat uit wel vijftig, zestig koppen. De schrijver is blij met iedereen die er is en mist de koppen die er niet zijn. De mens wil eigenlijk weg, weg van al deze koppen, maar gunt de schrijver het afscheidsfeest voor het nieuwste boek, dus de mens blijft. De koppen vragen de mens hoe het gaat. De mens houdt niet van die vraag, geeft ze meestal terug, andere mensen lijken er wel van te houden. Maar het hoofd is vol van de moeder, de angsten om de moeder, daar kunnen geen andere mensen meer bij, laat staan hoe het met hen gaat. De schrijver wou dat ze de mens kon helpen. Maar de schrijver kan niet praten, alleen schrijven.

De mens doet haar best. De mens leest voor wat de schrijver geschreven heeft, de mens kijkt de koppen aan en glimlacht en knikt en luistert en drinkt bier en tikt nog meer ellebogen aan en beantwoordt vragen en bedankt en laat zich fotograferen en drinkt bier en vertelt en lacht en probeert dingen te bedenken om in de verkochte boeken te schrijven en voelt zichzelf te kijk en te zichtbaar en zoals altijd nooit voldoende beantwoordend aan wensen en verwachtingen en drinkt bier en is zo moe van zichzelf en mist de schrijver. De schrijver neemt zichzelf voor dit niet meer te vragen van de mens (of toch niet tot het volgende boek), de mens beter te beschermen. De mens is blij dat zij dit voor de schrijver gedaan heeft.

De mens is bekaf. Haar oren tuiten, haar keel doet zeer van praten. De mens gaat slapen. De mens staat op. De mens is bekaf. De mens hoeft niet te praten.

De schrijver gaat zitten aan de schrijftafel, steekt een kaars aan voor de moeder van de mens. De mens legt de armen op tafel, het hoofd erop. Maar de schrijver wil dit schrijven. De schrijver weet dat dit de mens goed zal doen, het hoofd uitmesten, weer ruimte maken voor de moeder. Daarna mag de mens het hoofd weer neerleggen. De schrijver zal waken.

drinkende ogen, vogels rondom

In de hoge bomen achter het ziekenhuis huist een roekenkolonie. Daar heb ik afgesproken met mijn vogelman. De roeken zijn actief en luidruchtig, het tegenovergestelde van de IC. Hun stemmen zijn onmiskenbaar, als kinderen die met kazous spelen. Hun zware kale bleke snavels lichten op in de zon. Waarin verschillen ze nog van hun neven de kraaien, vragen we elkaar. Vliegt een kraai niet net iets sierlijker, met die lange gespreide vingers aan het eind van die traag golvende vleugels? Zijn de vleugels van een roek niet wat breder en stomper? En lijkt zijn vliegen niet meer op roeien? De roeken huppen rond in de toppen van de nog kale bomen, of springen in een nest tot grote consternatie van de vogel die er al zit, ze vliegen weg of keren terug, ze schudden verleidelijk met staarten, vertellen elkaar luidkeels dingen die wij niet begrijpen.

Ergens daarboven achter die verzegelde vensters tegenover de nesten ligt mijn moeder uitgeput in bed, ze kan de roeken horen noch zien en ik kan haar niet meebrengen naar hier, ze licht vastgekoppeld met meer kabels en slangen dan ik kan begrijpen aan allerlei machines en vloeistoffen. Ik bracht de mooiste kleuren en geuren uit de tuin voor haar mee, ze dronk ze in, ze bleef maar kijken, drinkende ogen en een lichte glimlach. De bloemen mochten niet blijven, geen broeihaarden op IC, en ik kon mijn moeder niet meenemen naar buiten, naar de lente. Meer lente dan haar ogen kunnen drinken en ik kan haar nog geen druppel brengen.

Ik weende in de auto, ik weende in de keuken, ik weende tussen onze boeken, ik weende deze morgen. Ik weet hoe kinderlijk het is om zo te denken maar ik kan het niet helpen: het is zo oneerlijk! Deze keer probeerde mijn vader niet te zeggen hoe ik de dingen beter kon zien of voelen of doen, hij zei gewoon dat ik gelijk had, het is oneerlijk. Er is haar al zo veel overkomen, te veel. En dat we niet meer kunnen doen dan hopen en haar met liefde omringen. Het is niet genoeg omdat het haar niet kan redden maar toch bracht het troost: als het het enige was dat we konden doen, dan deden we het ten volle: hopen en haar met liefde omringen

Zondag gingen er in de al zo gehavende hersenen van mijn moeder hevige elektrische stormen tekeer die niet te stillen leken. Een hele nacht lang, en een nacht is zeer lang, heb ik gedacht dat ik haar kwijt was. Dat ons laatste samenzijn dat van vorige week zou zijn, toen ze zo ontroostbaar diep ongelukkig huilde en huilde en huilde, ze klapte voorover van verdriet, ik dacht telkens dat haar broze hoofd op de tafel zou slaan en als een eierschulp zou barsten, net zo gebarsten als ik naast haar zat en niet meer kon doen dan haar hand vasthouden en bezwerende cirkels over haar rug wrijven en haar recht in de ogen blijven kijken, recht in haar pijn, haar wanhoop indrinken, en ik had haar uit haar stoel willen tillen, op mijn schoot nemen opdat ze in mijn armen zou passen en ik haar verdriet kon omvatten, moeder voor mijn moeder, maar onze lichamen kunnen elkaar al lang niet meer dragen, ik ben niet meer klein genoeg en ik ben niet meer sterk genoeg. Een nacht lang dacht ik dat mijn laatste herinnering zou zijn hoe ik haar bij het afscheid omarmde en maskerloos salvo’s smakkusjes gaf en in haar oor ‘ik zie je graag hoor mamaatje’ zei en hoe ze – perfect verstaanbaar! – ‘ik ook hoor’ antwoordde, het rolde er zomaar, ongehinderd, on-afasisch, uit, het mooiste cadeau van woorden, en we geluklachten om dit cadeau, elkaars woorden probleemloos te verstaan.

Een nacht lang heb ik gedacht: ik kan dit niet, ik kan dit niet weer, ik kan dit niet nog eens. Ik kan dit niet telkens opnieuw, en opnieuw en opnieuw want het sterven houdt nooit op, altijd blijven er mensen over die je liefhebt en niet wilt afgeven.

Mijn moeder bleef leven. Vier nieuwe medicamenten proberen nu het bliksemen in haar hersenen tegen te houden. Als ik haar zie, barst mijn hart. Ze lijkt een verwond vogeltje waarvan je je bang afvraagt of het het kan halen, zo broos zit ze daar, met verslagen ogen. Ze mummelt stilletjes. Op krukjes dicht naast elkaar in de smalle ruimte tegenover haar zitten mijn vader en ik en houden elk een van haar handen vast op het tafelblad en zij houdt onze hand vast. We zitten stil te luisteren, drinken alles in wat ze zegt en hopen op woorden die we kunnen vasthouden. ‘Gelukkig’ zegt ze en ik denk dat ik het verkeerd begrepen heb maar ze herhaalt het keer op keer en als ik haar vraag of dat is wat ze zegt, zegt ze onmiddellijk ja en herhaalt het weer, ‘gelukkig’, en glimlacht licht. Ik begrijp niet wat ze wil zeggen met dat ‘gelukkig’, ze ziet er niet gelukkig uit.

Ik had mijn nieuwe boek meegebracht. Meer om mijn vader een plezier te doen, mijn vader leest mij, mijn moeder las al nooit veel en ik denk niet dat ik haar ooit al een van mijn boeken zag vasthouden. Ik twijfelde maar haalde het toch uit mijn tas. Ze reikte ernaar met ogen en hand, ze wilde het vastnemen. Ze keek en bleef kijken naar de ijsvogel op de kaft. Ze probeerde het boek open te doen. Mijn vader hielp haar. Bladzij na bladzij draaide hij om en bij elke illustratie hield hij halt en ze keek en keek, zette een wijsvinger op de distelvink, op de krokussen, ze knikte naar het winterkoninkje en de vlinder en de schelp, bij het portret van Maxie vertelde ik haar van ons kraaienjong en ik herinnerde haar aan het lijsterjong dat ze eens opgekweekt had, ik was nog een kind, een mooie herinnering voor haar maar al knikte ze, ik dacht dat ze ze kwijt was. Het hele boek dronk ze in, haar gezicht blonk van verwondering. Toen glimlachte ze en stak haar handen naar me op. Ik omhelsde haar, gaf haar kussen en zei dat ik haar graag zag en ze mompelde iets onverstaanbaars maar ik begreep haar.

Ik had haar willen meenemen in de zo streelzachte lentelucht maar moest haar daar achterlaten in handen van machines en mensen die haar niet kennen of liefhebben. Die er niet bij stilstaan hoe oneerlijk het is. En hoe onaanvaardbaar het lijden van wie je lief is, hoe onaanvaardbaar het machteloos moeten toekijken, niets anders kunnen doen dan blijven kijken en hopen en met liefde omringen maar dat is niet genoeg omdat het haar niet kan redden.

Als je me straks ziet tijdens de feestelijke voorstelling van het boek dat mijn moeder indronk, vraag me dan niet hoe het met haar is, ik wil niet huilen in publiek. Ik zal jullie een stukje voorlezen van die keer, vorige zomer, dat we driehoog op hun terras zaten en samen de gierzwaluwen indronken, wij blij bijeen, vogels rondom.

lentecode

Alec Soth, Allowing flowers

Toen ik Filip Rogiers’ reportage ‘Intimiteit zonder beperking’ in het Standaard Weekblad van afgelopen weekend las, over gewenste intimiteiten in de zorg, dook een herinnering uit mijn eigen lange loopbaan in de zorg op: tijdens een studienamiddag over haptics (lichaamscommunicatie voor mensen met zintuiglijke beperkingen) werd ons de vraag gesteld op een tekening van het menselijk lichaam de plaatsen aan te kruisen waar we niet aangeraakt wensten te worden door de kinderen en jongeren met wie we werkten. Ik herinner me mijn verbazing over de kruisen op andermans tekeningen. Ik had alleen mijn kruis doorkruist. En mijn borsten ook, ik verzweeg dat er een doofblind kind was dat ik zonder enig probleem altijd haar handjes op mijn borsten liet leggen omdat dat nu eenmaal een van haar manieren was om haar mensen te herkennen. Van de collega’s die met hoger functionerende kinderen (en jongeren) met minder beperkingen werkten waren veelal alleen de handen en armen en onderbenen en soms de rug niet doorkruist. Zelf werkte ik met doofblinde kinderen (en jongeren) met ook fysieke, cognitieve en emotionele beperkingen, bij hen gaat alles op de tast, van zintuiglijke ervaringen en plezier en leren tot communiceren, daar heb je, ook als begeleider, je hele lijf bij nodig.

Ik zeg niet dat alle zorgwerkers bereid moeten zijn hun hele lijf in te zetten. Ik zeg dat het zorgpersoneel afgestemd moet worden op de noden van de doelgroepen (en de individuen binnen die doelgroepen) en dat het fysieke aspect daarin nog al te zeer verwaarloosd wordt. Het zou een onderwerp van gesprek moeten zijn tijdens sollicitaties. En neen, ik heb het niet over rugsparende hef- en tiltechnieken.

“Tachtigers zijn gesocialiseerd in zwijgen en ja-knikken. Die zullen niet snel hun huidhonger kenbaar maken. Ze gehoorzamen aan gezag en macht,” zegt een gerontoloog in dat artikel van Filip Rogiers. Twee weken geleden verhuisde mijn moeder, na een kleine twee maand in een Gents ziekenhuis na een zware hersenbloeding op tweede kerstdag, naar een revalidatie-afdeling dichter bij huis. Ze heeft een toegewijde man en vier kinderen. In Gent ging mijn vader elke dag op bezoek en mochten wij vieren elk om beurt met hem mee, voor een uurtje, meer kon ze lange tijd niet aan. Nu mag alleen mijn vader op bezoek. Alle mondmaskers en ontsmettingsmiddelen en boosterprikken en coronapassen en testen ten spijt, wij komen er niet in. Mijn vader gaat dagelijks op bezoek, hij mag een uurtje, hij blijft er soms twee. Wij vieren gaan elk om beurt aan het venster staan zwaaien en roepen naar onze moeder met afasie. Zij huilt van gemis en onmacht, raakt overstuur als ze daarbuiten een kleinkind ziet staan dat ze niet kan aanraken, ze begrijpt er niets van, ze wanhoopt, ze wordt boos, opstandig, ze moeten haar vastbinden… Mijn vader streelt machteloos haar wang, kust haar voorhoofd. Mijn vader staat op instorten.

Vandaag gaat code geel overal in. De ziekenhuizen echter beslissen zelf wat ze doen. We moeten nog een paar weken geduld hebben, zegt mijn broer, het gaat afdeling per afdeling, het komt. Maar mijn moeder kan niet onthouden wat ‘een paar weken’ zijn, voor haar is elke dag de enige dag. Ze is een gewonde vogel in een kooi in haar rolstoel of bed achter glas, ze huilt, ze lijdt.

Ik zie de verpleegsters functionele handelingen uitvoeren op het lichaam van mijn moeder en ik probeer te hopen en geloven dat er misschien ook andere aanrakingen zijn, en lief menselijk oogcontact, handen- en armencontact, maar ik weet dat er ogen en handen en armen te kort zijn.

Gisteren kregen mijn moeder en ik een grote gunst toegestaan van de hoofdverpleger aldaar.

Na twee operaties is de linkerkant van haar schedel nog maar licht gestoppeld maar ze had intussen al een nekmatje en het haar aan de rechterkant was lang genoeg voor een comb-over zoals haar vader er indertijd een had. En als een professionele kapster het ziekenhuis binnen zou mogen, waarom zou ik dat dan niet mogen, ik knip het haar van mijn man, knipte vroeger het haar van kinderen op ‘t werk, en ik was geboosterd en al.

Op de laatste dag van 2021 was mijn moeder nog in coma en zat ik te huilen over een stukje van Vicky Vanhoutte in de Standaard der Letteren waarin ze traag en voorzichtig het haar van haar moeder waste. Er was niets waar ik toen meer naar verlangde dan het haar van mijn moeder te kunnen wassen.

Ik had een handspiegel voor haar meegebracht. Het was de eerste keer sinds haar ontwaken uit de coma dat iemand haar naar zichzelf liet kijken. Ze was stomverbaasd, bleef zichzelf maar inspecteren, het grote hoefijzervormige litteken over de kale kant, ze duwde op de wallen onder haar ogen, streek over haar bleke wenkbrauwen.

Ik knipte haar haar, liet haar voelen over de stoppels links en langs haar nek waar het nu weer frisser was. Daarna installeerde ik de mobiele wasbak achter haar hoofd en goot traag en voorzichtig bekertjes water over haar hoofd. Dat alleen al was een spannende sensatie voor haar. Had haar hoofd al die tijd nog geen warm water gevoeld? Werd haar haar al die tijd al ‘onderhouden’ met droogshampoo?

Ik nam wat vertrouwde shampoo en begon zacht haar hoofd te wrijven. Er was amper haar om te wassen maar ik kon haar hoofd strelen. Het onophoudelijk onverstaanbaar babbelen viel stil, ze viel stil van genot. Mijn vader stond al klaar met het eerste bekertje water maar dit was geen functioneel haar wassen, dit was huidhonger stillen. Toen ik haar na een tijdje vroeg of ik al moest spoelen of nog een beetje masseren was haar antwoord onverstaanbaar maar haar expressie en intonatie onmiskenbaar.

Mijn vader fotografeerde haar gezicht. Het is mijn nieuwe favoriete foto.

De kapster bleef langer dan toegestaan. Ze masseerde ook nog moeders handen. Ruik eens, pa, hield ze mijn vader haar hand onder de neus. Voel eens hoe zacht? Mijn moeder had een gelukkige namiddag. Ze heeft niet geweend, ze is niet wanhopig of boos of opstandig geworden. Gestilde huidhonger.

Het is code geel, de zonnige code, de lentecode na de veel te lange wintercode van afstand en isolement, de code voor elkaar gelukkig maken met aanrakingen. Mogen we nu alsjeblieft weer helpen zorgen voor mijn moeder? Ons hele lijf inzetten voor haar noden?

Xanadu

De mist trekt maar niet op, al dagenlang trekt de mist niet op, het voelt als negentien dagen. De wereld is kleurloos. De wereld is lichtloos. De wereld is uitzichtloos. Meeuwen zijn zwevende schimmen, kleurloos grijs tegen kleurloos grijs, de kauwen zijn lichtloze geesten. Alles is kleurloos. Alles is lichtloos. Er is geen uitzicht. Er is geen ruimte. Er is geen licht. Er is geen lucht. Mist is het niets zichtbaar gemaakt.

Ik kan nergens bij, ik zit opgesloten in mijn eigen hoofd, met mijn zorgenmoeder. Er is niet de minste ruimte voor iets anders dan mijn zorgenmoeder. De mist is de quarantaine met de beurtelingse besmetting en ziekte van mijn liefste en mij, en de quarantaine van de zorgenmoeder in mijn hoofd. Ik kan nergens voorbij. Ik kan nergens heen. Er is geen vluchtweg en geen brandgang. Er is geen adem.

De wekkerradio begint nog maar eens te spelen. Xanadu. A million lights are dancing and there you are, a shooting star. An everlasting world and you’re here with me, eternally. Iets in mijn hoofd begint te glimlachen.

Maar nog binnen dezelfde seconde weet ik het weer. Er is geen Xanadu. Ik ben wakker. Het is geen nieuwe dag. Het is de oude. Het is dezelfde als gisteren. Het is hetzelfde voorgeborchte als gisteren. Het voorgeborchte waarin mijn moeder gevangen zit. Het is dezelfde mist. Dezelfde mist. Alles is stilstand en verstomming. Dit is geen stilte, dit is muilkorving. Niets beweegt dan de mezen en mussen en vinken, ze haasten zich als muizen.

Er is geen licht. Er is geen kleur. Er is geen uitzicht. Er is geen ruimte. Er is geen lucht. Alleen deze benepen stolp.

Dat snakken naar vluchten. Naar kunnen opstaan in een nieuwe dag. Maar er is geen nieuwe dag meer. Elke dag is opnieuw dezelfde dag, dezelfde oude dag in dezelfde oude mist in datzelfde oude voorgeborchte.

Om twintig over tien probeert de zon door de mist te boren.

Om tien uur vliegt er, verder weg dan ik in ontelbare dagen heb kunnen kijken, een meeuw voorbij, haar dichtstbijzijnde vleugel als een lamp van de weerkaatste zon, het is het mooiste dat ik in tijden gezien heb. Achter haar, tegen een lucht van het allerbleekste blauw (blauw!) hangt gekamde cirrostratus (wolken! lucht!), eindelijk nog eens zo hoog kunnen kijken! De daken van de huizen aan de straatkant lichten op in de zon (oranje! kleur!), de borst van de keep in de amandel licht op in precies dezelfde tint. En in de oude zilverberk van de achterburen blinken duizenden, een miljoen minuscule druppeltjes in de zon, een miljoen lichtjes dansen, een miljoen lichtjes dansen in de minste zucht wind, de zilverberk twinkelt.

De bladzijde die ik aan het lezen ben wordt verlicht door de zon. Schaduwgrijs wordt streelwit, ik streel het wit, herlees: “In a refusal to come to grips with the problem you project yourself at the horizon. The landscapes explode in a desire to escape, to distance yourself and dissolve the anxiety. Terror is turned outward toward the understanding of the universe.” (Louise Bourgeois, Destruction of the father. Reconstruction of the father)

Om kwart over tien wordt tegenover mij aan de keukentafel mijn liefste in volle zonnegloed gezet. Zonbeschenen. Zonverlicht. Zongekleurd.

Zonder zonlicht kan ik niet ademen, niet bewegen. Met zonlicht lijkt alles weer mogelijk, lijkt ademen weer mogelijk, lijkt het opheffen van de stilstand weer mogelijk.

Voor mijn moeder zelf maakt de zon natuurlijk niet het minste verschil. Haar limbo blijft hetzelfde. De zon kan niets veranderen voor haar. De zon kan alleen iets veranderen voor mij. En voor hoe ik bij haar kan zijn als ik over vijf dagen eindelijk naar haar toe mag. Met de moed der wanhoop hopend in plaats van kapot en verlamd en bang bijvoorbeeld. Dankzij de zon. A million lights are dancing and there you are, a shooting star. An everlasting world and you’re here with me, eternally. Xanadu, Xanadu, now we are here in Xanadu.

Met een dikke sjaal rond hals en hoofd naar buiten. In de zon gaan staan, gezicht naar de zon en ogen dicht, oranje! Nog steeds ademmoeite. Maar lucht, koude, frisse frisse lichte lucht. En zonnewarmte, zon warmt mijn gezicht, mijn oogleden. De stilte is geen verstikte, verstomde, gemuilkorfde stilte meer maar een rustig ademende stilte. Kauwen roepen, ik wend ze mijn gezicht toe, open mijn ogen, blauw overal blauw blakend blauw stevig blauw! En kale boomkruinen met kauwen in dichte koppels. In de verte roept Maxi, kàà-kàà-kàà-kàà, uit dezelfde richting komt een lieflijk en welgemutst gloeliegloeliegloeliegloelie op me af, een golvende dansende wijde V van zonbelichte kolganzen, een stuk of zestig, ze vliegen over, ze vliegen naar het westen, ik hoor ze nog lang nadat ik ze niet meer kan zien.

Helleborussen maken al bloemen, de vroegste narcissen al knoppen, sommige al met knik en kleur. De kauwen babbelen over en weer tussen de bomen, zangvogeltjes zingen, ik adem zon.

Ik ga zitten en sluit mijn ogen voor een dutje. Met het oranje, met de kauwen, met de zangvogeltjes, met de zonnewarmte. Onder het azuur, het wijdopen blauw. Tot ik weer kan ademen.

Ik slaap niet, ik laad zonne-energie op. Ik blijf zitten tot de zon voorbij de vlinderstruik geschoven is, voorbij de esdoorn, voorbij de plataan. Ik blijf zitten tot het marmer opgekropen is tot aan mijn knieën. Ik blijf zitten tot aan de dagelijkse update.

… nauwelijks haar ogen geopend…

… opnieuw geen contact…

… weten ook niet hoe haar toestand kan/zal evolueren…

… gezien haar leeftijd kan het nog weken duren vooraleer er wat duidelijkheid komt naar de toekomst toe…

… bij longontsteking zal…

… bij hartstilstand zal…

… bij nieuwe hersenbloeding zal…

… onder ogen durven zien…

… hopen dat er nog een menswaardige wending komt in haar toestand maar ook de artsen weten het niet.

Er is geen Xanadu, geen miljoen lichtjes en daar is ze in een eeuwigdurende wereld en daar is ze voor altijd bij me. Xanadu is reeds vele eeuwen geleden platgebrand. Weg zijn de fonteinen en boomgaarden. Verdwenen de sneeuwwitte merries. In Xanadu did Kubla Khan a stately pleasure-dome decree: where Alph, the sacred river ran through caverns measureless to man, down to a sunless sea.

Zonneloze zee. Een miljoen dansende lichtjes doven. Alle beweging valt weer stil. De stolp zakt over mijn hoofd. Er is geen Xanadu.

Hier begint de natuur

Ik deed elke ochtend at home yoga with Adriene. Ik heb uren naar de lucht gekeken, naar de wolken, naar de vogels, naar de bomen. Met gesloten ogen in de zon gestaan. Dagelijks de kauwen onze kaasrandjes of keukenrestjes gevoerd. Ik verlangde vaker naar zee dan ik erheen kon, ging wandelen met mezelf, mijn liefste, vriendinnen, een clubje vrienden, raakte verzot op roeien. We leefden een stormachtige week op een strand in Zeeland en zwommen in zee, het was een jaar geleden. Ik ben blij geweest met bijna elk uur zonlicht en heb alle grijze dagen vervloekt. En het winteruur.

Ik heb het stof in ons bouwwerfhuis vervloekt. Er werd een bibliotheekkamer gebouwd in ons huis, ik verfde muren en ramen en deuren en van een overgeërfde kast de leeuwenkoppen en poortwachters en golven en blaadjes en schelpen en emblemen. Ik heb een vinylvloer met vierentwintig hoeken gelegd. Een volle week boeken uit dozen gehaald, getrieerd, gestapeld, gerangschikt, geschikt, geschoven, herschikt.

Ik nam ontslag en afscheid na een gedreven en slopende loopbaan van negenentwintig jaar in de zorg. Ik deed de vaat en de was en de strijk, verschoonde ons bed, poetste minder vaak dan ik had moeten doen, lapte toch zeker twee keer onze vensters, vanbinnen en vanbuiten, ik plukte talloze boeketten, bakte talloze cakes en broden, haakte tientallen dekens, maakte honderden boterhamdozen klaar voor mijn liefste en bereidde ons honderden avondmalen, deed honderden kaarsjes branden, maakte honderden foto’s en to do-lijstjes, ik probeerde onze tuin mooi en gezond èn onder controle te houden en twintig-dertig kamerplanten in leven, ik heb stekjes gekweekt en zaad geoogst om uit te delen, kaartjes gestuurd en cadeautjes gemaakt, en schilderijen op muren van babykamers, en alles wat ik nog kon bedenken om mensen een plezier te doen, of steun of troost te bieden. Ik ben teleurgesteld en eenzaam geweest in vriendschappen en familiebanden, heb vergeven of afstand genomen, ben zeer blij verrast geweest, ook door fijne nieuwe contacten, heb te weinig tijd gehad voor afspraakjes met vrienden en familie.

Mijn moeder lag voor de zoveelste keer in het ziekenhuis na een val en liep daar ook nog eens een coronabesmetting op. Ik belde mijn ouders vaker dan ik ze kon bezoeken. Ik kreeg mijn eerste covid-vaccinatie en had vier dagen een zere arm. Ik wiedde mezelf een lumbago en werd ziek van de ontstekingsremmers, wiedde mezelf een spierontsteking rond mijn knie en kon wekenlang niet in kleermakerszit zitten, wildplassen, laat staan tuinieren. Ik viel met stoel en al bij het slepen met boeken en kon een week lang niet gewoon zitten, laat staan in kleermakerszit. Ik kreeg mijn tweede covid-prik en was er een paar dagen versleten van, werd een kies en een wijsheidstand getrokken, menstrueerde zeventien keer, werd belaagd door slapeloosheid, hooikoorts, insectenbeten, spierpijnen, nek- en schouderpijnen, hoofdpijnen, maagpijn, rouwpijn, maanpijn, zeezucht, hormonentristesse, stress, frustratie, woede, onmacht, ongeduld, overprikkeldheid, paniek… Mijn moeder werd opnieuw geopereerd aan haar hart.

Ik heb geprobeerd voet aan de grond te krijgen tijdens die reddeloze periode na het verschijnen van mijn debuutroman. Ik heb research gedaan voor mijn volgende roman, een notitieschrift gevuld met ideeën en een fichebak met informatie, een werkplan van elf bladzijden geschreven om een werkbeurs aan te vragen. Ik hield mijn schrijflog niet trouw genoeg bij. Ik onderhield vier snail mail correspondenties met collega schrijvers. Mijn debuutroman haalde de shortlist voor de Bronzen Uil. Ik bedankte vriendelijk voor bepaalde aanbiedingen en nam er andere enthousiast aan. Ik doorstond een nare ervaring met een vertaalopdracht maar wist mijn beroepsernst uit de brand te redden, en enkele tegenvallende contacten met de media maar wist trouw te blijven aan mijn principes. Ik zag een bij sterven en schreef daar een stuk over dat nog maar een handvol mensen lazen al vind ik het van mijn beter werk. Ik scheef een stuk over het uitsterven van de nachtzwaluw voor De Gids, een kortverhaal over de jungle voor Terras, een raar verhaal over het ontstaan van mijn schrijven gewoon voor mezelf, een ballet van angsten voor een van mijn hoofdpersonages, het begin van mijn volgende roman voor de lezer, een inleiding bij Bette Howlands ‘W-3’ voor Uitgeverij Koppernik, het eerste essay in een reeks van zes over ‘het wilde lezen’ voor De Gids, en veertien blogstukken. Ik had meer ideeën voor kortverhalen en toekomstige boeken dan ik tijd heb om ze te schrijven. Mijn debuutroman won de Bronzen Uil en ik was compleet van slag.

Ik heb meer boeken gekocht dan ik tijd had om te lezen, heb fenomenale boeken gelezen, en goede boeken en zware tegenvallers. Het opgegeven te blijven turven hoeveel recensies over boeken van vrouwelijke schrijvers er verschijnen in vergelijking met hoeveel boeken van mannelijke want het interesseert toch geen kat of de katers raken alleen maar gepikeerd.

Ik had elke dag uren te kort, elke week dagen, elke maand weken.

Op tweede kerstdag viel mijn moeder voor de zoveelste keer languit. Eerst was er nog niet meer aan de hand dan een bloedende kin en een gezwollen knie maar de volgende dag moest ze met spoed geopereerd worden om de druk op haar hersens te verlichten en nu ligt ze daar met een drain in haar hoofd en moeten we afwachten en ben ik weer op van de angsten.

En door en langs dat alles heen was er de natuur, het klein en nog kleiner kijken naar de natuur om me heen, naar de kleine en grote wonderen, de harde onverschilligheden, de aanslag en het herstel, de onverstoorbare cyclus van de jaargetijden. En elke week schreef ik er een of twee zo aandachtig mogelijke observaties over tot ik alle seizoenen beleefd en beschreven had en het boek af was.

Toen Uitgeverij Luster me in februari vroeg dit boek voor hen te schrijven, was ik verguld. In mijn enthousiasme over het project heb ik de opdracht natuurlijk onderschat, sommige weken was het leven zo slopend of opslorpend, voelde de opdracht als een karwei dat meer zelfdiscipline van me eiste dan ik dacht te kunnen opbrengen. Maar het moest. Want de seizoenen stonden niet stil als ik dat nodig had. En elke keer opnieuw bleek de natuurbeleving een redding, een verademing. De natuur stelt nooit teleur. Als je de tijd en moeite neemt om echt te kijken, en je openstelt om verwonderd te worden en te leren, dan verrast de natuur keer op keer op keer. Vaker schreef ik meer dan minder dan ik gepland had omdat ik weer iets opzienbarends gezien had.

Nu het boek af is denk ik dat dat is wat ik nog het meest wil overbrengen aan de lezer: niet alleen dat de natuur vlak buiten je venster of voordeur al begint, maar dat ze een onuitputtelijke bron van verwondering is, als je maar met meer aandacht wil kijken, luisteren, ruiken, voelen, proeven, leren, je verbeelden. En hoe verrijkend dat is.

Vorig jaar was mijn goede voornemen voor het nieuwe jaar om meer te fluiten. Dit jaar neem ik me voor om volgend jaar met nog grotere aandacht naar wolken te kijken. En ik wens u allen een jaar met meer wolken en vogels en bomen en hommels en vlinders en kleuren en geuren en zee en zeehonden en streelzachte wieren onder de blote voeten en miljoenen jaren oude schelpen en weer en wind en zonlicht, zonlicht om ons aan te laven.

En mijn boek om u daarbij te helpen.

Op zondag 3 april stel ik ‘Hier begint de natuur’ voor met een boswandeling, enkele voorgelezen observaties, een wilgenbastbiertje… Een officiële uitnodiging volgt nog maar noteer de datum alvast in uw nieuwe agenda. Ik hoop u dan te zien onder of zonder wolken.

met HeSPje naar ‘t Stad

Gisteravond was het tandpastaschuim nog een schele zeehondenpuppy, deze morgen een à la Dali smeltend vrouwengezicht, rechter oog en wang en mond dropen traag naar het afvoerputje. Nu zit HeSPje naast haar betere helft in de auto, ze moeten drie provincies doorkruisen.

Aan niets kun je merken waar het zuiden is. Rondomrond is de lucht van natte as, alle licht wordt erdoor opgezogen. Alle HeSPje wordt erdoor opgezogen want HeSPje loopt op zonne-energie. Zelfs op dit vroege middaguur is er al verkeersdrukte. HeSPje wordt erdoor weggevaagd want HeSPje werkt op rust, ruimte, leegte, stilte.

In ‘t Stad is het nog drukker en voller en luider en als je niets herkent moet je naar alles kijken, dringt dat alles binnen in je hoofd. Te voet is het nòg erger. Blootgesteld. Verdwaald. En snijdend koud. Kouder dan thuis in de luwte achter de zee. Koude verkrampt de spieren tot ze pijn doen. Het is plots winter. HeSPje haat de winter.

Kunnen we terug naar huis, kermt ze, maar haar betere helft zoekt de weg naar de plaats van afspraak.

HeSPje vermant zich.

Een boekhandel is geen boekhandel als er mensen rondlopen die je kennen. HeSPje is een radio die zich automatisch probeert af te stemmen op het station van de dichtstbijzijnde mens. En ruis werkt uitputtend. Boeken zijn een ander kanaal.

In de Muze staat op de vensterbank naast het tafeltje een groot boeket lelies. Lelies zijn geen bloemen voor binnenshuis, het parfum is walgelijk, het verdringt de adem. HeSPje begrijpt niet dat de mannen er niet misselijk van worden. Ze zegt er iets van maar niet met genoeg nadruk.

Elke keer de straatdeur opengaat, verstijft haar rechterkant van de koude. Ze zit ook op de verkeerde stoel, er is iets met de afstand tot de anderen. Ze durft niet vragen of ze elders kunnen gaan zitten, HeSPje vindt het vreselijk om als lastig of teer gezien te worden. Ze is ook altijd veel te ernstig. Waar andere mensen een draaiknop hebben om intensiteit te dimmen, heeft HeSPje slechts een AAN/UIT-schakelaar. Maar die aangepaste luchtigheid van anderen vindt HeSPje tijdverlies en het ergert haar als dingen die ze belangrijk vindt weggewimpeld worden. Buiten wordt het te snel donker. HeSPje wil het liefst naar huis. HeSPje vermant zich, ze gaat naar de WC.

Elders is er nog een korte ontmoeting met een man die meer gespannen lijkt dan blij. HeSPje is een spons. Ze slorpt de spanning op maar weet niets te zeggen tegen die ogen die gepijnigd kijken. Ze herinnert zich de vorige keer dat ze de man ontmoette, hoe zijzelf toen de gepijnigde was en de man met haar meevoelde.

HeSPje sleept alles, de spanning, het donker, de weggewimpelde ernst, de afstand, de koude, de leliestank, de haperende radio, de koude, het verdwalen, de drukte, de natte as, mee naar Kapitein Zeppos. Daar is hel licht, en spiegels, daar is lawaai, daar zijn vrouwen met opdringerige parfums. Er is geen broodmaaltijd en haar veel te volle bord, de berg is niet te overzien, is bestrooid met speksnippers. HeSPje eet geen dieren. HeSPje wil naar huis. HeSPje vermant zich. Hevelt honderd snippers over van haar bord naar een kommetje. HeSPje probeert te eten. HeSPje probeert mee te praten met de mannen. HeSPje gaat naar de WC.

Dan gaat het terug naar de Studio. Naar nog meer mensen. Nog meer drukte. Nog meer vrouwenparfums. HeSPje wil haar neus dichtknijpen, haar handen tegen haar oren drukken, haar ogen sluiten, in een hoekje gaan staan. HeSPje vermant zich. HeSPje doet normaal.

Eens de vrouwen niet meer bewegen, gaan ook de parfums liggen. De lichten gaan uit. Iedereen zit stil, zwijgt stil. De zetel waarin ze zit is een zacht eiland. De ene man geeft een inleiding, dan komt de andere man aan de microfoon staan. Zijn ogen zijn nog steeds gespannen maar hij leest voor uit zijn boek, HeSPje concentreert zich op de zinnen, op de beelden die ze boetseren in haar hoofd. Daarna gaat de man zitten en praat over zijn boek. Dit is waarvoor HeSPje gekomen is. Dit is goed. Dit is het beste.

Daarna volgt weer mensendrukte, schuifelende mensen, door elkaar pratende mensen, parfumverspreidende mensen… en dan zitten ze alweer op harde banken in een andere zaal. De vrouw daar beneden op het podium is goed. Heel goed. Maar het is veel en het hoofd van HeSPje zat al vol. En rechts voelt ze een ongemak, een koude. Ze wijt het aan zichzelf. Ze heeft geen goede dag, dat straalt natuurlijk van haar af. HeSPje vermant zich. Ze gaat mee naar de bar. De koude en het ongemak, het veel, de opdringerige parfums, de drukte, de gespannen ogen, de spekjes, het te volle bord, het lawaai, het licht, de spiegels, het donker, de weggewimpelde ernst, de afstand, de koude, de leliestank, de haperende radio, het verdwalen en de koude de koude de koude, ze sluiten haar in, ze trappen op haar hielen.

Achterin is een tafeltje vrij. Slechte barkrukken maar de rustigste hoek van deze kippenhangar. Een man die ze lang niet zag haalt attent het kommetje worst van onder haar neus weg. Deze man is de reddingslijn, op hem moet ze zich richten, hij vertelt boeiende dingen.

Maar het is te laat. Een laatste vonk en de boel ontploft, HeSPje ontploft. Het teveel is te veel geworden. Een tafel vol mannen staat erbij en kijkt ernaar. De man die nietsvermoedend het vonkje wierp, vangt de volle lading. HeSPje spat langs alle kanten uiteen en er is niemand die zijn armen om haar heen slaat om de boel bijeen te houden. HeSPje wil weg. Nu.

HeSPje vlucht naar de WC.

HeSPje keert braaf en bang terug.

HeSPje voelt zich eenzaam in dit groeiende gezelschap van druk pratende mannen. Er is geen connectie tussen haar hoofd en dat van hen. Zelfs haar betere helft voelt veraf. HeSPje vermant zich. Ze doet nog enkele uren haar best.

Verdwalend op weg naar de parkeergarage, koud en uitgeput en boos en eenzaam in haar hoofd naast haar betere helft, neemt ze zich voor de zoveelste keer voor nooit meer ergens heen te gaan waar ze niet onmiddellijk kan wegvluchten naar huis. Voor de zoveelste keer houdt ze zichzelf voor dat mensen niets voor haar zijn.

HeSPje weent op terugweg naar huis.

HeSPje weent in bed.

Uitgeput staat ze op en weent weer.

Later huilt ze.

‘s Avonds koopt HeSPje nieuwe pantoffels. Als ze ermee thuiskomt doet ze schoenen en kousen uit en steekt haar blote voeten in de wolgevoerde pantoffels. Tranen wellen op. Elke pantoffel is als twee zachte handen die zich rond haar voet sluiten. Het voelt als de eerste liefdevolle aanraking na een aframmeling.

De volgende dag weent HeSPje weinig.

De daaropvolgende huilt ze lang en hard. Eenzaamheid binnen in je hoofd went blijkbaar niet in de loop van een leven, het accumuleert alleen maar. Keer op keer op keer op keer voelt ze zich afgewezen omdat ze geen dim-knop heeft. Alleen haar betere helft aanvaardt haar echt. Hij luistert. Zonder hem was ze niets en nergens meer.

De volgende dag leest ze in de krant, bij een fragment uit een van haar heldinnenboeken, het verhaal van een vrouw, en voor het eerst gaat haar hart weer op een kiertje. Er zijn nog vrouwen zoals zij.

“Na een tijd begon hij te verlangen naar normaal. Haar energie putte hem uit. Hij noemt haar niet meer avontuurlijk, maar onvoorspelbaar en irrationeel. Ze kreeg moodswings. Zo hoog ze vloog, zo diep viel ze daarna. Ze is altijd te veel of te weinig, ze is altijd zo emotioneel, zei hij. Hij wist niet wat hij met haar moest aanvangen. Ze leek altijd aan zijn controle te ontsnappen.” (*) Enzovoort.

HeSPje knippert haar tranen weg en is weer een beetje gelukkig.

‘t Ain’t no sin to take off your skin and dance around in your bones.

(*) Vicky Vanhoutte, ‘het fragment’, De Standaard der Letteren 20 november 2021

balzalen vol licht en elektrische stoelen

Het ligt aan dat winteruur.

Het is omdat er niet genoeg licht is. En omdat het eerst nog veel erger moet worden voor het weer beter wordt, dat duurt nog maanden.

Het is omdat je weer veel te ver kijkt, neem het eens dag per dag, zeg!

Het is omdat je niet goed geslapen hebt omdat je je weer eens zorgen lag te maken.

Het is omdat de wereld te veel binnendringt.

Misschien is het wel de start van die gevreesde menopauze.

Of misschien heb je een Vitamine D-tekort.

Het is het weer.

Het is omdat het vier uur is en voor de zoveelste keer sinds het winteruur regent en alweer donker wordt en je vandaag nog niets gedaan hebt waar je een beetje trots op kunt zijn.

Het is gewoon een zwakke dag.

Het is omdat de liefste ziek is, daar word je zelf ook altijd brozer van. Hij moet onverwoestbaar zijn.

Misschien is het wel corona.

Het is omdat je je weer niet voldoende kunt afsluiten.

Het is omdat je je altijd maar laat afleiden, mails en vragen en verzoeken en uitnodigingen en verlangens en alles beantwoorden, je hoofd propvol, je kunt je niet meer concentreren op wat echt belangrijk is.

Het ligt aan die overgangen, die zijn zo moeilijk te nemen.

Het is omdat de goede leegte weer eens zoek is.

Het is de weerbots van die Uil-toestanden.

Het is omdat je je moet verhouden tot aandacht, dat put je uit.

Het is omdat je het evenwicht tussen stimulans en isolement weer eens kwijt bent, waarom blijft dat toch zo moeilijk.

Het is omdat principes verdedigen al even zwaar is als ze omver laten lopen.

Het is omdat je bang bent voor mensen, hun verwachtingen, hun wensen, hun onvoorspelbaarheid, dat je ze keer op keer weer ontgoochelt. Of irriteert. Dat ze je niet begrijpen. Of verkeerd begrijpen.

Het is omdat het je ergert als ze je woorden verdraaien, vervormen, uit hun context halen.

Het is gewoon PMS.

Het is omdat je moe bent van die langlopende schrijfopdracht. De laatste loodjes in een seizoen waar je triestig van wordt.

Het is omdat je bang bent voor je nieuwe roman, dat is het, geef het maar toe.

Het is omdat je bang bent dat je het niet meer kunt, dat die nieuwe roman niet zo goed zal zijn als de vorige, de bekroonde.

Het ligt aan die werkbeurs. Die wil je nu verdienen en je denkt dat je nooit zult kunnen waarmaken wat je in dat dossier geschreven hebt.

Het is gemakzucht. Luiheid. Lafheid. Je bent een luie, uitvluchten zoekende lafaard. Stop met vluchten, jij schijtluis!

Het is omdat je te veel benijdenswaardig goede boeken gelezen hebt de laatste tijd en wat kun jij daar nog aan toevoegen?

Angst, angst, het is altijd weer angst. Angst voor dit en voor dat, angst voor deze en gene, angst voor nu en voor straks, angst van hier tot ginder, talloze angsten, angst dat er nooit meer een leven zonder angst zal zijn, eindeloze angst, verlammende, slopende angst, angst voor de angst…

“As for writing (your writing),” schreef Saul Bellow aan Bette Howland, “I think you ought to write, in bed, and make use of your unhappiness. I do it. Many do. One should cook and eat one’s misery. Chain it like a dog. Harness it like Niagara Falls to generate light and supply voltage for electric chairs.” Cook and eat the fear. Je zou toch dat ballet van angsten schrijven? Bang dat je Malcolm Lowry oneer zult aandoen? Cook and eat that fear! Lààt het monster aan zijn ketting rukken, lààt hem zijn kwijl in je gezicht blaffen. Ga voor hem staan en begin aan je ballet, genereer er je stroom mee en je zult balzalen verlichten en elektrische stoelen doen roosteren. Ja, literatuur als balzalen vol licht en elektrische stoelen, voor minder ga je niet. Dans!

dankwoordje

Beminde juryleden, dierbare lezers,

ik stond naast de pot achter de laatste afsluitbare deur voor de gang naar de slachtbank, mijn blik gesperd op de smetloos witte muurtegels, proberend mij te concentreren op mijn alternerende neusgatademhaling, diep uit, diep in, duim op rechter neusgat verwisselen voor pink op linker, diep uit, diep in, pink op linker verwisselen voor duim op rechter, diep uit, diep in, pink op linker… maar ik kon daar niet eeuwig blijven, terug naar het voorgeborchte, twee mannen, de een na de ander, kwamen me aanspreken, ik dank jullie, Jos en Vincent, jullie hebben me gered daar, vervolgens stonden we een gang dichter bij het slachtblok, duim op rechter, diep uit, diep in, pink op linker, diep uit, diep in, duim op rechter… en de vijf rond mij voelden zo vrolijk opgewonden, gespannen natuurlijk maar blij, popelend dat podium op te gaan, en ik, ik was een oud trekpaard, de slacht voorvoelend, mijn hoofd voelde als twee gigantische paniekogen met geen ruimte voor hersens meer daarachter, en waar was mijn redacteur, mijn redder met zijn handen en armen om de merrie te bedaren, ergens in dat donker gat ginder, dat donker gat waar ik niet in durfde kijken, dat donker gat waar ook jullie zaten, beminde juryleden, dierbare lezers, en mijn liefste wederhelft, half zo gestrest als ik, en daar gingen we al, vijf huppelende jonge mensen en een panisch boerenpaard, en waarom had ik nog mijn jas en mijn tas in mijn handen, mijn tas met boeken die mijn redacteur me toegestopt had als lolly’s, dankjewel, Chris, en dat ene rode boekje waar ik nu liever mee op een verlaten plekje gezeten had dan hier op dit slachtpodium, dat boekje waarin een warme collega net nog een opdracht in geschreven had waar ik stil van werd, dankjewel Paul, deze boekentas houvast, beminde juryleden, dierbare lezers, daar stampte dit schichtige paard al meteen een flesje water mee omver, dat hebben jullie gezien, wat een bespottelijk begin, maar voort ging het, er werd gepraat gepraat gepraat maar kijk daar, daar stond een doventolk te dansen met haar handen en ik kwam een beetje thuis, ik werd kleine beetjes blij van de gebaren die ik herkende en de paniek week een weinig, liefste doventolk, je weet niet hoe je me daar gered hebt, dankjewel, dankjewel, en ik durfde al weer eens kijken naar mijn jonge collega’s, en ze praatten zo gemakkelijk, alsof ze hele dagen niets anders deden dan dit, kijk die ontspannen houdingen in die stoelen, kijk die nonchalante handbewegingen, de gepaste schoenen en kousen, ach mijn kousen, waarom ben ik niet op mijn ondeugende kousen het podium op gegaan, ach welneen, ze zouden me niet vervuld hebben met stiekem stout plezier, ik zou me belachelijk onvolwassen gevoeld hebben, ik moet mezelf niets wijsmaken, ik ben niet wie ik zou willen zijn, ik ontbeer het lef, beminde juryleden, dierbare lezers, en luister toch eens naar die ongehaaste, zelfverzekerde zinnen, dat gemak, het voelde niet alsof ze hun zinnen moesten bevrijden, alles kabbelde rustig, ongehinderd, tot de interviewer mijn naam uitsprak, mijn gekozen naam, de laatste in de alfabetische rij, en me vroeg waarom ik mijn boek geschreven had en op slag was ik alleen nog maar die twee gigantische paniekogen zonder nog ruimte voor hersens erachter, beminde juryleden, dierbare lezers, en wat doen paarden in geval van paniek, flight or fight or freeze, beminde juryleden, dierbare lezers, ik deed alle drie, dat hebben jullie allemaal kunnen zien, ik bevroor, beminde juryleden, dierbare lezers, tientragetellenlang was ik bevroren, en toen kwam er misschien een slagpin tussen mijn ogen, ik weet het niet, maar schutterig en haperend begon ik een beetje te vechten, worstelend om zinnen over taal en onzichtbaarheid te bevrijden, en toen mocht ik gaan, dankjewel Marnix, toen mochten we gaan, en het volgende moment zat ik ontsnapt in een zeteltje in de donkere zaal, met mijn boekentas houvast en ginder op de eerste rij de achterhoofden van mijn redders, mijn man en mijn redacteur, en ik had geen idee of ze zich dood geneerden of trots waren, maar daar werd alweer gepraat en gepraat en gepraat, de een na de ander ging achter de microfoon staan maar ik zag alleen mijn liefste doventolk, klampte me vast aan haar dansende handen en gelaatsuitdrukkingen, dankjewel mijn liefste doventolk, maar wat nu, mijn hart begon te galopperen, toen te draven, wat gebeurde er, werd dit alsnog een regelrechte paniekaanval, wat werd er uitgesproken dat me zo deed opschrikken net toen ik dacht dat het ergste nu voorbij was, en toen hoorde ik plots mijn naam, mijn gekozen naam, dierbare juryleden, beminde lezers, het laatste wat ik zag was de C-hand van mijn liefste doventolk, en toen stegen naast mij als een Mexican wave mijn jonge collega’s op en moest ik die doorgang nemen, en ik weet niet meer hoe ik op dat podium terecht gekomen ben, ik voelde alleen nog maar, voelde de dravende daver van kop tot teen, de zwaarte van dat bronzen beeldje, laat dat nu als-tu-blieft-niet-val-len!, voelde de kramp in mijn gezicht, zo’n kuitkramp waar je je niet uit kunt kronkelen, ik wilde alleen nog maar vluchten, flight! flight! flight with all my might!, verontschuldig me, beminde juryleden, dierbare lezers, dat er geen fight meer over was, dat ik niet op de microfoon ben afgestapt om dwars door alle paniek heen dapper al mijn dank uit te spreken, het is niet alleen dat ik niets voorbereid had, beminde juryleden, dierbare lezers, omdat ik ervan overtuigd was dat een van mijn jonge collega’s dit zou winnen want zij hadden stuk voor stuk boeken geschreven over thema’s met grote maatschappelijke en actuele urgentie en relevantie, het was ook omdat het simpelweg nog te vroeg was, beminde juryleden, dierbare lezers, het duurde achtentwintig uren voor ik, de zelf in de badkamerspiegel aankijkend, turend in die vermoeide maar gelukkige ogen boven die tandenpoetsmond, toen pas een eerste moment van ècht besef had: mijn ‘Lijn van wee en wens’ heeft de Bronzen Uil gewonnen!, en het duurde nog tot dit moment, deze dinsdagnamiddag, nu en hier aan mijn schrijftafel, mijn plek op de wereld, voor de zinnen van dank zich een beetje begonnen te bevrijden.

Beminde juryleden, dierbare lezers, it takes a village to raise a writer en dit is mijn dankwoordje euh -zinnetje:

Ik dank jullie, beminde juryleden, voor jullie wijdopen leesgeest, voor jullie liefde voor de pure literatuur, voor jullie ontvankelijkheid voor experiment en het onttakelen van de taal, dat levenselement van de literatuur en instrument van de schrijver, en ik dank jullie, dierbare lezers, die me al negen maanden lang bestrooien met de mooiste reacties en berichten, het is een onschatbaar gevoel om als zelf door de literatuur aangeraakte, nu met mijn eigen boek ook andere mensen op gelijke wijze aan te raken, het is het dierbaarste van de schrijver die van achter haar schrijftafel gekomen is om haar boek op te gooien in de wijde lucht in bange hoop dat het zal vliegen, vliegen tot hoog boven de bomen, recht naar de zon, spelevliegen met de kauwen en de wind en de wolken… en ik dank ook jullie, dierbare lezers van zaterdagavond en daarna, lezers die me kwamen vertellen hoezeer mijn boek hen geraakt had, lezers die me vroegen hun naam en de mijne voorin ons boek te schrijven, lezers die me kwamen vertellen dat ze mijn boek nog niet gelezen hadden maar dat nu zeker wilden doen, lezers die mijn boek kochten of nog zullen kopen, en ik wil ook de jonge collega’s bedanken, die me zo gulhartig gelukwensten – ook zij die vooraf de gedoodverfde favoriet waren, het stemt me zo dankbaar, dankjewel Tobi – en de oudere collega’s die al zo welwillend en vriendelijk zijn sinds mijn eerste stap op dit pad, en alle anderen die me al die tijd al gesteund en gestimuleerd en kansen gegeven hebben, jullie weten allemaal dat ik jullie bedoel, dankjewel, dankjewel, dankjewel, en ik ben ook dankbaar voor de stroom van felicitaties uit alle hoeken die me overspoelde bij thuiskomst zondagavond, het is overweldigend, nog steeds.

En ik dank de liefste Kairi, mijn van verre stralende lees- en schrijfzusje weer eens dichtbij voor een weekend, en niet alleen voor het zinderende zondagse boeket, ook voor al het tastbaar maken van gevoel – sinds ik weg ben van de kinderen word ik niet meer op die andere manier vastgenomen. De aanrakingen van een hecht echtpaar thuis zijn zo vertrouwd en vergroeid dat ze je lievelingsdeken geworden zijn, je kwijnt weg zonder maar het omhult je als een lichte tweede huid, en toch heeft het vel blijkbaar ook nood aan handen en armen uit de buitenwereld, en we hebben danige schade in te halen nu we eindelijk niet meer sterven aan elkanders aanrakingen.

Ik dank natuurlijk mijn allerliefste wederhelft, misschien niet elke dag luidop, maar wel elke dag. De ruimte die hij de vechter in mij geeft is grenzeloos en mijn dankbaarheid daarvoor eindeloos. Zonder Barrie was er geen Caro Van Thuyne.

En als laatste maar bovenal dank ik mijn redacteur, maar hij wordt niet graag publiekelijk bedankt dus zwijg ik verder.

Beminde juryleden, dierbare lezers, dank voor uwaandacht.