brave stille magiër

Marsmannetjes hebben vannacht mijn moeder van haar bed gelicht.

Dat was hoe mijn vader het vertelde.

Het moet beangstigend zijn geweest. Wakker gemaakt worden door van kop tot teen zwaar ingepakte onherkenbare figuren die je stante pede willen meenemen.

Mijn moeder is vijfenzeventig en zeer broos geworden. Ik heb haar al meer dan een halfjaar niet gezien.

Ruim twee weken geleden stond mijn vader in de douche toen hij een zware bons hoorde. Het was al niet meer de eerste keer dat mijn moeder zwaar ten val kwam. Ze heeft bloeddrukproblemen, een onbetrouwbaar hart, dun bloed en een door pijnstillers uiterst teer geworden huid – als ze valt zijn de gevolgen meestal groot en het genezingsproces traag.

Een eerste hersenscan toonde dat alles OK was, een tweede dat ze een hersenschudding had, een derde dat ze twee kleine bloedingen had, een die wellicht de oorzaak was van de val en een als gevolg. Intussen was ze al met spoed geopereerd aan de inwendige bloeding in haar onderbeen die haar huid op barsten zette. Een snede van enkel tot knie, vierendertig krammen, een zwart afstervende huid en veel pijn.

Mijn moeder is chronische pijnlijder. Mijn liefste kind had afschuwelijke pijnaanvallen tot op de laatste dag van haar leven. Als er iets is waar ik kapot van ga, is het anderen pijn zien of weten lijden. De gekmakende machteloosheid. Mijn liefste kind was al kapot geboren, mijn moeder is kapotgegaan aan het leven. Mijn liefste kind dat elke pijnaanval als een razende bevocht, was en is nog steeds mijn grootste voorbeeld, mijn moeder die zichzelf zoveel geweld heeft aangedaan dat haar lichaam zich tegen haar keerde, was altijd en is nog steeds mijn grootste schrikbeeld. En elke pijn die ze oploopt bovenop de pijn die ze al zolang moet lijden, is ondraaglijk voor me. En al mijn razernij is machteloos. Ik kan niets anders doen dan de razernij zo goed mogelijk verbergen als ik haar bel, kaarsjes voor haar branden omdat ze daarin gelooft, haar kaartjes van bloemen sturen, en bloemen uit de tuin, en gehaakte bloemen… het zijn machteloze pogingen haar lijden te verlichten.

Mijn volgende boek wil ik opdragen aan haar. Ze leest mijn boeken niet maar ze zal wel die opdracht lezen als ik de bladzijde voor haar opsla. Ik heb het haar nog niet verteld, ik heb het nog niemand verteld, ik wil haar ermee verrassen. Gisteren, aan de telefoon, kwam ik even in de verleiding. Ze hoopte zo hard dat ze vandaag naar huis zou mogen. Maar als ik het haar niet zou vertellen, als ik het niemand vertelde, dan zou ze zeker nog de jaren dat het duurt eer het boek af is, (relatief) gezond en wel blijven. Magisch denken. In tijden van machteloosheid val ik terug op mijn magische krachten: als ik zus doe, dan zal zo niet gebeuren. En een brave en stille magiër wezen, het noodlot niet tarten.

Ik werd gisteravond door een bibberige angst gegrepen. Het was al te lang dat ik mijn moeder niet meer gezien had… wat als ik haar nooit meer zou zien? Maar ik knipperde de tranen weg, ik moest een brave stille magiër blijven, het noodlot niet tarten.

Zo spartel ik ook al een jaar braaf en stil thuis rond. Niet alleen voorbeeldig in isolement en al mijn dierbaren op het hart drukkend geen risico’s te nemen, maar ook alle razende machteloosheid verbergend, niet publiekelijk te steigeren over de ontregelende maatregelen, er zelfs zo weinig mogelijk over te praten, schrijven, lezen, luisteren… als ik maar het hoofd gebogen houd, de wijsvingers in de oren geduwd, en stilletjes voor me uit zing, dan zal het onheil voorbijtrekken zonder mij en de mijnen te treffen. Ik ben het magische kind, de handjes voor het gezicht geslagen, mezelf overtuigend: niemand ziet me.

En nu is mijn moeder, mijn voorbeeldig geïsoleerde, broze moedertje, gezien. Wat kan ik doen om het onheil af te wenden? Als ik haar vertel dat ik mijn boek aan haar opdraag, blijft ze dan leven?

het vuur in andere mensen. over de coup de foudres van een boekenmeisje

Zelf een vurig mens word ik gesmoord onder het deksel van koele mensen en vlam ik op van het vuur in andere mensen.

Er is een cultuurprogramma, Denderland genaamd, op het tv-kanaal Eclips TV, en mijn favoriete rubriek is helemaal aan het eind van de vrijdagavond: CULT, een uniek kwartiertje literatuur is dat. Passioneel boekenmeisje Melissa Giardina zit thuis tussen haar boekenkasten en vertelt de kijker over haar meest recente coup de foudre. Melissa is een letterenveelvraat zoals ik er een ben. Net als ik kan ze kop over kont verliefd zijn op een boek, net als ik wil ze haar liefde dan met zoveel mogelijk andere lezers delen, de lezers aansteken, hen een fantastische leeservaring op een dienblaadje presenteren: toe, tast toe, je moet eens proeven, je hebt nog nooit zoiets heerlijks gelezen! En dan leest ze je een stukje voor, om je te laten proeven, ze laat het over haar tong rollen en je proeft het: ojà, ik wil dat hele boek verslinden!

Veel meer dan door lange analytische cerebrale stukken in ronkende termen, word ik aangestoken door lezers die vol zijn van een boek en je daarover willen, wat zeg ik, MOETEN!, vertellen. En Melissa ís aanstekelijk in haar coup de foudres. Zoals ik namasté terugfluister naar Adriene aan het eind van onze yoga sessies, zo glimlach ik terug naar Melissa als ze aan het slot van CULT knipoogt ‘tot volgende week’.

Komende vrijdag is CULT de 250ste Denderland-aflevering. Niet alleen feest voor Denderland maar ook voor mij want Melissa’s nieuwste coup de foudre is mijn roman ‘Lijn van wee en wens’! Toen Melissa me dat liet weten, was dat als een schietstoel naar een hogere verdieping van de hemel waar ik nu al een paar maanden spelevlieg door alle enthousiaste lezersreacties en recensies die ik al mocht ontvangen. Maar gisteren stuurde ze me het nog ongemonteerde filmpje door en dat was geen schietstoel, dat was… ach, laat maar, ik vind geen metafoor. Ik heb meer woorden nodig, laat het me even wat omstandiger beschrijven?

Melissa zit tussen haar dichtgestapelde boekenkasten, aan haar rechterkant een ware boekenwand, achter haar een halfhoge boekenkast die nog wat licht binnenlaat uit een trapgat daarachter. Het zijn levende boekenkasten, elke CULT-aflevering zijn er wel andere stapeltjes te zien. Ik probeer altijd ruggen te lezen, ik wed dat elke lezer dit doet. Deze keer zie ik veel Claus-ruggen, vorige week was hij 13 jaar dood en las Melissa een gedicht voor dat je deed blozen van opwinding.

Als Melissa mijn mooie Spilliaert-groene boek oppakt, zie ik het vergulde afgeplatte uiteinde met gummetje van een Palomino Blackwing van tussen de bladzijden uitsteken. Alles wat ik schrijf, ook alle versies van ‘Lijn van wee en wens’, ook dit blogstukje, schrijf ik met Blackwings.

Als Melissa benadrukt dat mijn boek over liefde gaat, vooral liefde, en mij daarmee zo blij maakt want ‘Lijn..’ is niet alleen een rouwboek maar ook een verhaal van de liefde die alles overleeft, duikt in het trapgat achter haar het kopje van haar geliefde zwarte kat op. Melissa legt haar hand op haar hart om in het kort de verhaallijn te vertellen en achter haar komt de geliefde kat de trap af.

Wat me wederom blij maakt is dat Melissa zegt dat het kauwtje Jakke een heel mooi personage is, want dat is hij, hij is geen attribuut, geen accessoire, hij is een volwaardig, belangrijk personage.

En dan leest ze voor, een van mijn favoriete passages: hoofdpersonage Mari en de gewonde Jakke zitten opgesloten voor de nacht in een kerk, Jakke valt uit een raampje van de klokkentoren en Mari is ervan overtuigd dat hij te pletter geslagen is en ze kan niet naar hem toe. Ze gaat zich bezatten aan miswijn en schrijft een vlammende preek tegen de geloofsgemeenschap. Melissa leest de passage vol vuur voor, je hoort Mari’s pijn en woede en verachting en verlangen in haar stem, ze slaakt Jakke’s alarmkreet, ze zingt voor een lege kerk… en ik word getuige in plaats van maker van dit verhaal, ik zie Mari, ik hoor Mari, ik voel Mari, Mari is sinds haar schepping nooit zo zichtbaar geweest, zo levend buiten mijn hoofd, het gevoel is onbeschrijfelijk! En ik ken de prachtige finale van deze scène, ik heb ze zelf geschreven, maar toch kruipt het kippenvel over mijn lijf als Jakke weer ten tonele verschijnt, TCHAK! doet Melissa Jakke na en heel haar gezicht gaat open van vreugde bij het zien van Jakke en de tranen springen me in de ogen, daar is hij! ‘daar ben je! je lééft nog!!’ Heel die slotscène blijft Melissa’s gezicht stralen van Mari’s blijdschap en ik kan me geen mooier bewijs voorstellen dat mijn verhaal echt lééft, dat Mari en Jakke echt leven. Die kleine onbewuste beweging die ze maakt – ze trekt haar linkerschouder even op als ze leest over Jakke’s herstelde linkervleugel – is de meest ontroerende beweging die ik sinds de geboorte van mijn boek zag: een lezer die zich even Jakke waant. Ik ben een gelukkige schrijver.

Lees. Dit. Boek. Zegt Melissa met vurig flitsende ogen.

Dan knipoogt ze naar me en ik kan haar wel kussen. Ik ben een dankbare schrijver.

Praktisch: CULT, komende vrijdag 26 maart om 23.35 op Eclips TV, en later ook op Youtube, over ‘Lijn van wee en wens’ van Caro Van Thuyne bij Uitgeverij Koppernik

groeten uit het bardo

1 maart is een perfecte dag om los te laten!

Met een simpel zinnetje als dit: “Ik wens je te bedanken voor de jaren van professionele inzet voor de kinderen en de werking en veel succes op je pad!” is er een streep getrokken onder een kleine dertig jaar als gedreven zorgende.

1 maart is een perfecte dag om bruggen boten en al die treurnis in de fik te zetten! Hoogtijd voor blijheid! Ik heb dertig jaar van mijn leven gegeven gegooid geofferd aan dat idealisme en de kinderen waren elke minuut waard maar het beleid heeft me uitgewrongen gedwongen opgebruikt en weggegooid dus hé, laat ik voorbij de laatste twijfels grinnikgiechelen barsten van het lachen huppelen springen zingen en brullen: hoogtijd voor blijheid! Het is nooit te laat om op te springen en te

GAAAAAAAAN!

Wel, ik hang nu nog tussen de twee…

… ik zal geen Disney-prinses meer spelen om die sloeber in zijn rolstoel aan het lachen te maken, ik zal geen zwaarlijvige rondborstige hevige treze meer op schoot nemen om keppe te doen en het te laten ontsporen in uitgelaten trekken en sleuren aan mekaar, ik zal niet meer de slappe lach krijgen als het een liever lui dan moe kind niet lukt uit bad te kruipen en gieren tot ze zelf ook stopt met zagen en klagen en begint mee te giechelen, ik zal niet meer in slow motion wegrennen voor het ventje dat zijn stappen moet oefenen, ik zal niet meer een hele wandeling lang hand in hand kinderliedjes zingen met een opgeschoten slungel, ik zal niet meer stoeien met een wild kind op een waterbed, ik zal geen kinderen meer met veel show aanmoedigen en al hun flauwe mopjes onvermoeibaar meespelen, ik zal geen kinderen meer animeren motiveren prijzen plezieren kietelen knuffelen dragen wassen verschonen voeden strelen instoppen aan het lachen maken bevestigen zichzelf laten zijn hun beste zelf laten zijn… ik zal ze zo missen…

… en mijn toekomst is nog zo onzeker…

… ik hang nu tussen die twee, dat afgesloten verleden en deze onzekere toekomst, dit is het bardo maar hé, dit is de plek om los te gooien wat vast zat dit is de tijd om te dansen zonder te denken aan ritme of voeten – hoogtijd voor blijheid! Het is nooit te laat om op te springen en te gààn – de mistroostigheid buiten te schoppen de zwaarmoedigheid buiten te schoppen slecht nieuws te verscheuren spiegels neer te halen muren neer te halen trappen af te breken vloeren uit te breken het hele huis af te branden straten plat te branden alles in de fik laaiend rood laaiend gaat mijn hele wereld op in vlammen en ik gooi mijn hoofd in mijn nek en kus het allemaal vaarwel!

Het is 1 maart en in het bardo komen de eerste nieuwe ideeën komen de eerste nieuwe voorstellen de eerste nieuwe projecten de eerste nieuwe vooruitzichten, het is 1 maart en het is een perfecte dag om los te gaan uit de bol te gaan al mijn zorgen te vergeten het leven en alles dat me doet huilen – hoogtijd voor blijheid! Het is 1 maart en het is een perfecte dag om dromen te doen uitkomen om groot te denken en alles te doen wat ik nog wil doen – hoogtijd voor blijheid!

(vrij naar ‘Doing the unstuck’ van The Cure)

keihard spelen

Ik haat voetbal. Ik heb een godsgloeiende hekel aan alles wat met voetbal te maken heeft. De stadionherrie, de commentatoren, de slechte en blikkerige muziek, dat heen en weer stampen van die onnozele bal, de geniepige agressie, de degoutante bedragen die rondgaan en wat de voetballers ermee doen, de hooligans, de ellenlange analyses, echt àlles – gaat de radio of TV aan op een voetbalmatch dan ben ik op stel en sprong in de hoogste staat van ergernis.

Maar toen Maradona eind november stierf bleef ik in de zetel hangen bij elke documentaire over hem waar mijn man naar keek.

Afgelopen week verscheen mijn tweede boek, ‘Lijn van wee en wens’, mijn romandebuut. Deze keer geen feestelijke boekpresentatie in een van vrienden en andere lezers, lofredes, bier en adrenaline volgelopen boekhandel natuurlijk maar mijn uitgever had coronanegatief getest en mocht dus de grens over om in knuffelcontactenkring te vieren. Hij bracht mijn doos boeken (ze zijn zo mooi, mevrouw, ze ruiken zo heerlijk, meneer!), boeketten tulpen in mijn lievelingskleuren, blokken kaas en flessen bier… en woorden van lof. Mijn uitgever is ook mijn redacteur en ik noem hem mijn toptrainer, hij drijft me tot hoogtes die ik zonder hem niet zou springen maar ik ken hem niet als de man van expliciete bewierokingen. Voor deze gelegenheid nu – ons eerste boek samen – nam hij er uitgebreid de tijd voor en ik wist niet hoe te reageren. Misschien was dit nu wat mooie meisjes voelen als hun schoonheid bejubeld wordt? Schrijftalent is toch ook maar een gave die je zomaar meekrijgt net als schoonheid of een bijzondere stem of hoe lang of kort je bent?

En hier komt dat korte opdondertje met de hoge schouders me weer van pas.

Iedereen kent natuurlijk de beelden van Maradona die zich opwarmt op de muziek van die afgrijselijke oorwurm van dat belachelijke bandje Opus, maar voor mij was het de eerste keer dat ik ze zag, in die dagen na 25 november. Maradona in wit sportbroekje en te groot regenjack met een touw rond zijn middel geknoopt en de mouwen opgestroopt, met losse veters en in lange kousen tot aan de knieën en dat dik zwart nektapijt dat meewipt op de muziek. Dat stevige stiertje van een meter vijfenzestig hoog dat de bal balanceert bovenop zijn voet, bovenop zijn hoofd, dansend en huppelend op de muziek zonder dat die bal van zijn hoofd rolt. De bal botsend van knie naar knie, van schouder naar schouder, dansend met de bal botsend op zijn voorhoofd, ja, het is totale beheersing maar het is nog iets anders. Het is spelen. Je ziet de andere voetballers braaf hun vaste trainingsoefeningen doen en achter hen zie je Maradona dansend met de muziek zijn eigen variaties van de oefeningen doen. Ik zie het spelende jongetje. Ik zie het kind op een stoffig veldje in zijn sloppenwijk van Buenos Aires op precies dezelfde manier spelen met zijn bal, eindeloos oefenen in het beheerst schoppen en koppen en balanceren, diezelfde totaal ontspannen onzelfbewuste uitdrukking op het gezicht, zonder er ooit genoeg van te krijgen, omdat het nu eenmaal het fijnste is wat er is, spelen tot het donker is, en de volgende dag opnieuw. Het is in totale ernst keihard spelen, na dertig jaar met nog even volle overgave.

Afgelopen woensdag deelde illustrator Tom Schamp in de Standaard zijn 5 levenslessen met journaliste Ines Minten. De vijfde was: talent bestaat (of toch latent). Hij zei dat aanleg wel degelijk een rol speelt. “De baby die zelf naar een bal grijpt, zal later meer zin hebben om te voetballen. Als je balgevoel hebt, zal het leuker zijn en zal je het meer doen, waardoor je beter wordt. Talent heeft dus ook iets te maken met de weg van de minste weerstand. Ik geloof daarom ook minder in het motto van de selfmade man die beweert alles te bereiken door elke dag keihard te werken. Het lijkt me beter om iets te doen wat je niet het gevoel geeft dat je je er elke dag alleen maar voor moet uitsloven.”

Vandaar komt dus mijn gêne: schrijven is voor mij geen sloven maar spelen dus waar zou dan mijn verdienste moeten zitten? Het is mijn weg van de minste weerstand. Het is zonder er ooit genoeg van te krijgen, omdat het nu eenmaal het fijnste is wat er is, spelen tot het donker is, en de volgende dag opnieuw. Het is in totale ernst keihard spelen, na dertig jaar met nog even volle overgave.

En na keihard trainen is er nu deze eerste roman. En waar het me moeite kost om fier te zijn op iets als schrijftalent, ben ik moeiteloos trots op mijn boek. En dat geeft alle adrenaline die ik nu verlang.

de laatste dag, de laatste nacht, de eerste dag

Ik was alweer weken moeizaam aan het waden.

Tot ik.

Zoals elk jaar.

Uiteindelijk.

Stilstond.

Vlak voor de laatste dag, de laatste nacht, de eerste dag. Stilstaan, zelfs al is het omdat je niet verder kunt, is niet passief. Zelfs al ben je op, je moet nog de kracht zien te vinden om stand te houden te midden die stroom. Alles en iedereen rond je gutst en kolkt en springt en wervelt met een rotvaart vooruit en jij bent een hindernis daar midden in die stroom, alles en iedereen slaat langs alle kanten tegen je aan.

Tien jaar is veel te lang om zonder zon te leven.

En toch dobber ik hier nog altijd rond.

Zonder de zon van haar stralende ronde hoofdje en haar ronde buikje, zonder de zon van haar sterke armen en haar wilde fladderhandjes, zonder de zon van haar wijde lach, zonder de zon van haar wondermooie expressieve ogen. Zonder het gewicht van mijn zon die ik overal meedroeg.

Ik ben haar kwijt omdat ik haar niet meer kan dragen, haar niet meer kan voelen. In tien jaar tijd heb ik veel sluipwegen gevonden, barricades gebouwd rond de pijn, maar de pijn zelf is nog precies dezelfde. Het is een verlangen dat weigert zacht gemis te worden, ik blijf even heftig naar mijn zonnekind verlangen als op de dag dat ze haar in die veel te grote kist sloten, zelfs in mijn dromen kan ik nog steeds niet bij haar komen, haar niet in mijn armen nemen, na tien jaar nog steeds niet.

Er is een groot stuk van mezelf, het onbevangen gelukstuk, afgehakt en mee in die kist gegaan, mee verbrand met mijn zonnekind, voor altijd kwijt. Het is moeilijk om met het reststuk verder te leven, ook voor de mensen om me heen.

Rouw verandert je grondeloos.

Rouw is misschien wel het eenzaamste dat een mens kan overkomen.

En die pijn van de eenzaamheid bovenop de pijn van het verlies… ik dacht: ik wil geen mensen meer nodig hebben, alles is al zo ondraaglijk daar kan niets meer bij en mensen doen zoveel pijn, ik vind mijn troost wel in vogels en boeken, in zonlicht en muziek. Kleiner kijken.

Het mooiste dezer dagen is de kauw die kaasrandjes komt eten op de terrastafel, hier op nog geen twee meter van me af, enkel die plaat dubbelglas tussen ons. Zijn heldere pareloog dat me zijdelings in de gaten houdt, zijn perfecte zwarte lijfje. Zijn vleugels als hij ze spreidt en moeiteloos wegzeilt.

Het mooiste boek dezer dagen is ‘Grief is the thing with feathers’. “I plucked one jet feather from my hood and left it on his forehead, for, his, head. For a souvenir, for a warning, for a lick of night in the morning. For a little break in the mourning.”

Het mooiste dezer dagen is staande in een lege kamer luisteren naar Jóhan Jóhannssons Orphée terwijl de zon ginder ondergaat. Mijn geest gaat mee ondergronds, keert terug naar alle plekken van toen, zoekt tot ik haar gevonden heb, mijn Eurydice, neem haar in mijn hunkerende armen.

Weer bovenkomen en daar midden in die ijzige harde stroom staan, met lege armen, is ondraaglijk eenzaam.

En toen waren ze daar. Ze bleven even aan me hangen om me warm te omhelzen met meelevende of bemoedigende woorden of de ervaringen van hun eigen verlies om de eenzaamheid gedeeld te dragen, ze zongen zachte muziekjes in mijn oor, ze noemden de naam van mijn zonnekind, ze staken chocolade in mijn zakken, legden de mooiste kleurrijke deken om mijn schouders, brachten zachtgeurende roosjes voor mijn zonnekind. Ze deden wat ze konden om mijn eenzaamheid te delen. Samen creëerden ze een luwte in de genadeloze onverschillige stroom, gaven me zo de nodige kracht om staande te blijven die laatste dag, die laatste nacht, die eerste dag.

Zo’n dankbaarheid geeft zuurstof. Ik had mijn adem zo hard ingehouden dat het donker voor mijn ogen was geworden.

Kijk, daar is mijn kauw. En ik voel mijn mond glimlachen.

Nog even en ik ben weer sterk genoeg om voorover in het water te gaan liggen, mijn handpalmen tegeneen te drukken en de waters te splijten, weer dapper tegen de stroom in.

Sla je armpjes stevig rond mijn nek zoals je altijd deed, mijn zonnekind, handjes op slot, en ik haal je daar weg uit die donkere diepten, ik pak je terug van de dood, ik haal je daar weg en ik zwem vlieg dans zing schrijf ons naar die wereld die ik zelf geschapen heb en die zoveel mooier en onstuimiger en wilder winderig en vrolijker en zonniger is dan die waarnaar jij helemaal alleen moest gaan, en deze waar ik zonder jou achterbleef.

de strijd van de kanarie

“Opvoeden is een liefdevolle vorm van disciplinering, het is het kneden van kinderen en jongeren tot ze zich gedragen volgens de verwachte normen en de juiste idealen nastreven.” (Paul verhaeghe, ‘Over normaliteit en andere afwijkingen’)

De ‘juiste idealen’… Uit eigen levenservaring weten ouders dat ‘maatschappelijk slagen’ de meest lonende vorm van leven is, het rechte pad van verwachtingen en (sociale, morele) normen volgen de juiste weg daartoe. Het sturen van de ouders wordt versterkt door het sturen van het onderwijs, het sturen van de arbeidswereld, het sturen van de overheid… “Het succes ervan kunnen we onder andere afmeten aan de mate waarin het kind die normen en idealen overgenomen heeft. Eens ze verinnerlijkt zijn, naar binnen gebracht, hoeven de ouders” [, onderwijs, arbeidswereld, overheid,…] “ze niet langer op te leggen; het kind heeft ze op een dusdanige manier overgenomen dat ze deel uitmaken van wie het ‘is’. Freud beschreef dit als het ontstaan van het ‘Boven-Ik’, het deel van onze identiteit dat het andere deel observeert en nakijkt of het wel beantwoordt aan de geboden en verboden. Is dat niet het geval, dan ontwikkelt een normaal mens (letterlijk: ‘iemand die de normen wil volgen’) schuld- en schaamtegevoelens.”

Maar wat als het rechte pad steeds smaller, steiler, glibberiger, rotsachtiger wordt?

Paul Verhaeghe schreef een pamflet over de hedendaagse kijk op afwijkend gedrag en de huidige toestand van de psychiatrie en psychotherapie, en ik zou het boekje in de bus van mijn dokter willen gooien maar durf niet.

Verhaeghe doet een dringende oproep tot een sociale in plaats van individuele psychiatrie die aandringt op structurele veranderingen in de maatschappij. De aanpak van mensen die te ver afweken van de heersende sociale normen was altijd al disciplinerend en corrigerend. Maar sinds de Verlichting kwam de verantwoordelijkheid en schuldinductie bij het afwijkende individu te liggen: de mens is begiftigd met ratio, wie waarvan afwijkt is redeloos en moet opnieuw op het rechte, rationele pad gezet worden. Le traitement moral: de patiënt moest zijn redeloosheid beseffen en in redelijk debat met zichzelf, zichzelf ervan overtuigen dat hij moet veranderen. Dit onder begeleiding van de morele autoriteit, de arts.

Alle evoluties ten spijt (lees dat pamflet!) zitten we daar nog steeds: mensen die afwijken van de heersende sociale normen moeten (corrigerend, disciplinerend) terug op het ‘juiste’ pad gezet worden – sociale aanpassing! – door een morele autoriteit. Met dit verschil: de morele autoriteit ontkent zijn morele autoriteit. Beroept zich op een wetenschappelijke autoriteit, de DSM bijvoorbeeld. Maar de Diagnostic and Statistic Manual of Mental Disorders, de vijfde intussen al, is een pseudo-diagnostisch systeem, het is niets meer dan een beoordelende rubricering: puntsgewijs gegroepeerde beschrijvingen van gedragingen en emoties die als afwijkend worden beschouwd, voornamelijk omdat ze te veel of te weinig optreden. ‘Intens’, ‘duidelijk’, ‘frequent’, ‘recidiverend’, ‘duidelijk en aanhoudend’, ‘krampachtig’ enz etc, dat zijn geen objectieve maatstaven. De ‘diagnose’ hangt af van de diagnosticus zelf en zijn/haar inschatting of eigenschappen en emoties te veel of te weinig optreden, berust op sociale en morele criteria, criteria die de heersende normatieve maatschappelijke verwachtingen vertegenwoordigen. Normatief, dus moreel. De arts als morele autoriteit. Medicatie als correctie, psychotherapie als disciplinering. Mensen helpen? Mensen helpen zich aan te passen aan de heersende sociale normen.

Maar ik herhaal mijn vraag: wat als die heersende sociale normen een onmogelijk smal, steil, glibberig, rotsachtig pad geworden zijn?

Wie is er dan ziek? De afwijkende of de norm?

De kanaries vallen bij bosjes maar de koolmijn blijft open. Je hebt gewoon te diep geademd, zeggen de mijnbazen. Het is een verkoudheid, genees maar snelsnel en keer zo snel mogelijk terug, kanaries zijn gemaakt voor koolmijnen, het is hun levensdoel. Je moet niet zoveel zuurstof verwachten. Je moet je longen beter trainen. We zijn hier niet om voor kanaries te zorgen, de mijn moet godverdomme draaien, it’s the economy, stupid! En jij wilt toch niet verantwoordelijk zijn voor de koude waarin we de mensen gaan achterlaten als we niet genoeg kolen bovenhalen?

“Freud moest al vroeg ervaren dat het resultaat van zijn methode – bewustwording en vervolgens veroordeling van de irrationele gedachten – bij veel patiënten uitbleef. Hij schreef dit toe aan ‘weerstand’ bij de patiënt.”

Ik ga sinds 19 juli niet meer werken. Mijn tweede burn-out. Na 1 maand viel ik terug op ziekteverzekering en begonnen de mails en telefoontjes en in te vullen vragenlijsten van de mutualiteit binnen te stromen – om me te ‘helpen’ op mijn weg terug naar arbeid. Elke mail, telefoon, vragenlijst komt met een dreiging van sanctie (hun woord!) als ik niet doe wat ze verwachten. Elke mail, telefoon, vragenlijst is goed voor een huilbui. Elke consultatie bij mijn huisarts, ter verlenging van mijn ziekteverlof (het vereiste ‘ziektebriefje’) met nog eens twee weken, dan een maand, kost me 1à2 dagen om te verwerken, om terug op te krabbelen. Na 1 maand suggereerde ze psychologische hulp, na 2 maanden drong ze er ondanks mijn verzet – dat ik het moe was om te moeten horen hoe ik mezelf moest veranderen, dat ik mijn hele leven al niet anders gedaan had, dat ik mezelf niet kàn kneden naar de verwachtingen van de maatschappij, meer zelfs: dat ik de verwachtingen van de huidige maatschappij verfoei en verwerp – zo hard op aan dat ik me maar weer eens plooide naar de verwachtingen van de autoriteit. De therapeute die ze me aanraadde had geen tijd voor mij. Ik voelde me opgelucht, mijn dokter teleurgesteld. Elke consultatie probeerde ze me te leiden in de richting van herstel en toekomstgericht denken, elke consultatie verzette ik me in paniek tegen de druk – die zij expliciet bleef ontkennen. Elke consultatie raakte zij gefrustreerder over haar machteloosheid mij te ‘helpen’, elke consultatie werd ik wanhopiger en voelde me schuldiger. Tegenover de dokter, tegenover de hele maatschappij: ik ben een last voor iedereen.

“Op de achtergrond schemert het idee van maakbaarheid door, wat een stuk verder gaat dan disciplinering. [..] Excelleren is mogelijk, mits er voldoende inspanning wordt geleverd. [..] De verinnerlijking van dergelijke overtuigingen creëert een vruchtbare voedingsbodem voor controledwang,” [check] “perfectionisme,” [check] “faalangst,” [check] “burn-out,” [check] “en depressie.” [check] “Met maakbaar geluk wordt mislukking een persoonlijk falen.” [check] “In gedachten ervaar ik de wereld als een continue rechtszaak, met mezelf in een dubbelrol, beschuldigde én rechter – er is geen verdediging aanwezig.” [check]

Eergisteren kwam het tot een clash tussen mijn dokter en mij.

Ze had het over haar plicht tot herstel en reïntegratie. Mijn aanklacht van de dwingende maatschappij veegde ze zoals gewoonlijk stilzwijgend – want contraproductief – van tafel. Ze had het over de muur tussen ons – de weerstand van de patiënt! – en vroeg of ik misschien liever met een collega van haar wilde praten. Ik voelde me afgewezen, zij bedoelde het niet zo, ik had het weer over die druk uit de maatschappij waarvan elke dokter een spreekbuis is en dat ik niets tegen haar persoonlijk heb, zij had het over haar machteloosheid mij te helpen, ik zei voor de zoveelste keer dat ik zelf mijn weg wilde zoeken, niet onder druk gezet wilde worden, dat ik het niet meer aankon…

En ineens vielen haar de schellen van de ogen: ik verwachtte helemaal geen ‘hulp’ van haar. Ze had het over de paternalistische houding van artsen in het verleden en dat patiënten deden wat hun dokters zeiden (‘dokter weet best’ – ik heb het zelf een leven lang geloofd… tot ik het niet meer geloofde) maar dat die verhouding nu veranderd is.

Hallelujah!

Ze verlengde mijn ziektebriefje met twee maanden.

Ik weet dat mijn volgende wanhopige strijd die met de controleartsen van de mutualiteit wordt. En ik ben doodop.

de zee, dokter

Kalmeer, zei het kalm meer, en de zee barstte uit in springtij.

“Calm, calm. You are putting yourself into a state – into a rage against yourself, against life.”

En dàn?!

Neen, ik heb geen Hulp nodig, dokter, geen Therapie, geen Medicijn. Ik heb ruimte nodig, dokter, dat is alles, de ruimte om te mogen zijn wat ik ben, dokter. U bent een kalm meer, dokter, U heeft niet zoveel plaats nodig, maar ik ben de zee, dokter, ik ben altijd al de zee geweest en geen Therapie ter wereld kan van een zee een kalm meer maken. En waarom zou een zee een kalm meer moeten zijn? Waarom zou een zee een kalm meer willen zijn?

“When you are told that you are ill, that is something you internalize.”

Al mijn hele leven probeer ik een kalm meer te worden voor de kalme meren, dokter, maar het is genoeg nu, dokter, een halve eeuw is genoeg, dokter, laat me nu nog een halve eeuw zee zijn.

“(The police in different voices: mother, father, doctor, husband, one learns to swallow these voices, like knives.)”

Eb en vloed zijn geen afwijkingen, dokter, dat lijkt alleen maar zo voor een kalm meer, maar voor een zee, dokter, voor een zee is eb en vloed gewoon het ritme van het leven. En een zee moet dat mogen leren.

“Compose yourself. Compose yourself. They are supposed to hold it in. To not act out. Dear, one must not create a scene.”

Hoe, in een wereld van kalme meren, kan een zee nu leren leven met haar eb en vloed. Als elke eb een dreigende depressie is die gemonitord en, indien te lang durend, te lang beletsel voor functioneren in de wereld van de kalme meren, beteugeld, behandeld, gemediceerd moet worden, hoe kan een zee dan leren dat het haar natuurlijk ritme is, dokter? Als elke vloed een overstroming is in de wereld van de kalme meren, een gevaar, een exces, een manie…

“One must exercise self-control.”

… hoe kan ik me dan zonder angst leren uitleven in mijn vloed, dokter. UIT-leven!

“Where is it supposed to go? All of this fury? A woman’s anger: it must be contained, repressed, diffused.”

Kalme meren hebben geen benul hoe bruisend het leven bij vloed is, hoe extatisch de onbeteugelde wildheid van springtij. Hadden kalme meren enig benul, dan zouden ze niet zomaar aannemen dat zeeën hun vloed wel zouden willen opgeven om geen eb meer te hoeven doormaken.

“Compose yourself. Compose yourself. They are supposed to hold it in. To control themselves. [..] If one wasn’t so contained, one wouldn’t be so furious.”

Een heel leven in een wereld van kalme meren heeft me niet geleerd een kalm meer te worden, het enige dat het me heeft bijgebracht is een angst voor mijn eigen wezen.

Laat me nu dan, liefste kalme meren van deze wereld, een tweede leven om te leren zonder angst zee te zijn. Te leren dat hoe uitgestrekt leeg en doods de eb ook is, er altijd weer een vloed zal komen. Dat wantij geen zinloos gevecht is, dat doodtij niet het einde is. En laat me mijn hoogtij, mijn springtij, dijk me niet langer in.

“COMPOSE YOURSELF. What does this mean? You must COMPOSE YOURSELF. They were undisciplined women. That is the storyline.”

Gun me mijn eigen verhaal.

Gun me plaats buiten de maatschappij der kalme meren.

Ik zal betalen met eenzaamheid, dokter, maar laat me zee zijn.

(bron foto onbekend)

(citaten: Kate Zambreno, ‘Heroines’)

Wachter

7 september 2020

8:37 – IK kan dat niet (meer) (aan) IK kan dat niet (meer) (aan) IK kan dat niet (meer) (aan) ad nauseum kotsensbeu dat telkens opnieuw en opnieuw en opnieuw te moeten zeggen wanneer zullen mensen eens snappen en aanvaarden hoe zwak ik ben of moet ik godverdomme dag na dag na dag na dag met mijn neus in die stront geduwd

9:23 – zal er ooit een eind komen aan het mezelf altijd maar moeten uitleggen altijd maar moeten uitleggen dat ik niet kan ben wil wat zij wel kunnen zijn willen niemand begrijpt hoe confronterend ontmoedigend tot wanhoop brengend

9:26 – is dit voor de rest van mijn dagen

9:48 – en dan volgende week weer bij de dokter wéér mezelf uitleggen wéér op tafel leggen hoe zwak ik ben en wéér de druk in mijn slapen in mijn keel in mijn maag dat ik beter moet worden ik moet weer kunnen meedraaien ik moet gewoon anders leren omgaan met mijn frustraties onmacht woede wanhoop pijn ik moet gewoon mezelf veranderen want de samenleving zal niet veranderen waar zit dat knopje om de hoogsensitiviteit uit te zetten dokter dat zou de oplossing zijn en néén ik wil niet weer naar de therapeut uit ten treure mezelf gaan zitten uitleggen en op elk advies ik kan dat niet meer ik kan dat niet ik kan dat niet aan gaan zitten jammeren tot ik mezelf met heel mijn hart haat en neen dokter ik wil niet terug aan de antidepressiva het heeft me te veel moeite en last en bijwerkingsverschijnselen gekost om ervan af te geraken ik wil niet meer terug in dat straatje ik wil niet echt niet

10:14 – spanband rond mijn maag geen koffie meer vandaag

10:27 – de vaat met Daniel Johnston wat mis ik je mijn pure nonkeltje de wereld is zoveel armer sinds jij er niet meer bent feeling small very small all all the time going do-own going do-own going do-own again

10:58 – erover praten maakt me al overstuur vrienden weten ook niet meer wat gezegd vragen dan maar niets meer en wie wil helpen maakt het alleen maar erger want alle suggesties botsen op ik kan dat niet (meer) (aan) ik kan dat echt niet (meer) (aan) en de kloof wordt steeds dieper en scheurt ik sta alleen en drijf af moet ik leren leven zonder mensen zou zonder mensen de zelfverachting ook wegsmelten zou ik zonder mensen een eigen wereld kunnen creëren waarbinnen ik dingen wel kan in de plaats van die waarin ik niets of niet meer kan en een strenge wachter tussen beide werelden maar wat dan met de eenzaamheid

11:03 – het citaat van Walt Whitman van het bord wassen en dat van e.e. cummings met blauw krijt in de plaats: “To be nothing-but-yourself – in a world which is doing its best, night and day, to make you everybody else – means to fight the hardest battle which anybody can fight; and never stop fighting.”

11:19 – hoe een leven in te richten rond wat je kunt in plaats van de dagelijkse confrontatie met al je falen groot en klein

12:34 – “In het falen schuilt de menselijkheid,” zegt Peter Verhelst. “Het drukt uit dat we grijpen naar de sterren, maar ernaast grijpen. Maar we grijpen tenminste naar de sterren, opnieuw en weer ernaast, en opnieuw, trots, uit volle borst. Soms met de krop in de keel, of gebroken, maar we zullen dat blijven doen. Omdat verlangen nu eenmaal onze motor is, en onze brandstof. Omdat we ooit op een dag en elke dag een millimeter dichter staan.” ik weet niet van die millimeters maar ik kan niet anders dan blijven reiken naar de sterren naar andere sterren dan die van de wereld rondom naar mijn eigen sterren ik kan niet anders ik kan niet anders. Ever tried. Ever failed. No matter. Try again. Fail again. Fail better. als het me maar vaak genoeg gezegd wordt, leer ik me er misschien mee verzoenen

13:31 – en straks alleen naar de familie en haar mantel der liefde opgelatenheid onverschilligheid verveeldheid was het al maar avond mijn manneke mijn wachter mijn thuis mijn beschutting

14:29 – hallo? wat zeg je? een momentje ik moet de laptop nog opstarten. messenger? huh wat is dit dat is een grapje maar zeg is dit echt ik ik wat een verrassing ik had dat helemaal niet meer verwacht o my god ik ik ben er helemaal ik weet niet wat ik moet zeggen en wie die allemaal al gewonnen heeft Wessel ook en die vakjury Gerbrand Bakker Marja Pruis oh ja ja ja da-ag

14:39 – Bovenstaande nominaties dingen mee naar de tweejaarlijkse prijs die zaterdag 7 november wordt uitgereikt in de Grote Kerk van Harlingen. Begin oktober wordt de prijswinnaar bekendgemaakt. De Anton Wachterprijs is een tweejaarlijkse prijs voor het beste Nederlandstalige literaire romandebuut naar oordeel van een vakjury, en wordt toegekend aan een veelbelovend auteur waarvan in de afgelopen twee jaar een opmerkelijk Nederlandstalig prozadebuut is verschenen. In aanmerking komen de literaire prozadebuten uit Nederland en Vlaanderen die zijn gepubliceerd in de twee jaren voorafgaand aan de uitreiking. De prijs bestaat uit een bedrag van en een replica van het beeldje van Anton Wachter. De debuterende auteurs wier schrijftalenten door de vakjury zijn onderkend, hebben vrijwel allen naam gemaakt in het literaire veld.

1:39 –

17:24 – Notaris: Een van de vier kinderen heeft geen verantwoordelijkheden maar wilden we hier toch bij aanwezig. Vader: ze woont ver… – ik kan die dingen nog niet eens voor mezelf laat staan voor hen waarom ben ik zo hulpeloos en zwak waarom ben ik niet zo wereldwijs beheerst in control als mijn broers en zus waarom kan ik niets kan ik niets aan ben ik zo’n hulpeloos onwetend wereldvreemd bang afhankelijk klein kind waarom ben ik toch zo’n loser

20:53 – Kijk eens aan; een verhalenbundel op de kortlijst van beste Nederlandstalig prozadebuut… Ja! Thumbs up. Proficiat. GEWELDIG!! Gefeliciteerd. Nice! Volkomen en geheel terecht! Straffe dinges! Proficiat!! Fantastisch. Proficiat! Top e!!! Geweldig, Caro, heel erg verdiend! Wauw, proficiat, Caroline! Nog geen 5% van de inzendingen is genomineerd en daar ben jij bij! Fantastisch gewoon. Mooie erkenning. Proficiat Caro! Wauw! Proficiat. En terecht! HOEEERAAAA!!!! Ik heb ze allemaal gelezen. Maar helaas, ik mag niet kiezen… Super!!! Gefeliciteerd! Proficiat! Proficiat! Wauw! Dikke proficiat! Proficiat, zus. Wauw! Everything crossed!!!! Gefeliciteerd, liefste Caro! Waaaaw wat een verrassing goed zo Caro. Wauw! Waw!!!! Wat geweldig!!!! Proficiat!!!! Een dansje, Caroline. Ik ben zo trots op je! Wat een toplijst! Zo blij voor je. Caro dear! So happy to see your name here! Congrats! Helemaal verdiend! And best timing for your upcoming novel, so happy for you! Mag ik je feliciteren? Wat een geweldig nieuws. Mooi, alsnog die waardering voor je prachtige debuut! Proficiat. Bijzonder blij voor je. Ik duim.

8 september 2020

meezingen met Fiona Apple i grew up in the shoes they told me i could fill shoes that were not made for running up that hill and i need to run up that hill i need to run up that hill i will i will i will i will i will fetch the bolt cutters i’ve been in here too long fetch the bolt cutters whatever happens whatever happens i will whatever happens whatever happens

de drie vlindervleugels

Het lag er toen ik de kippenkak van de terrastafel ging spoelen.
En toen ik mijn ontbijt en Wyeth-boek meenam naar buiten.
Ik registreerde maar besteedde er verder geen aandacht aan. Mijn hoofd stond binnenwaarts afgesteld.

De schrijver kent vierentwintig soorten limbo. Een daarvan is de afwijzing. Een ander het gisten. Ik weet dat ik niet de enige ben die de occasionele euforie duur moet betalen. De een moet eerst weer wat gezinsgeld verdienen vooraleer zich opnieuw schrijftijd te kunnen permitteren, de ander wacht op het oordeel van nog maar eens een andere uitgever over het beste dat ze al schreef, of zoekt gezelschap online omdat de eenzaamheid van het schrijven te zwaar valt, of worstelt met een milde blokkage of raakt op drift in de pijn van het waarachtige schrijven, geen kust in zicht…

Ik gist. Ik lees en lees, ik zwel en zwel tot mijn hersens tegen mijn schedel duwen als dik deeg tegen een handdoek maar dan vangt mijn hoofd tocht en zakt de boel met een plofje en een zucht in, kleverige onhandelbare deegresten blijven achter op de binnenkant van de handdoek en nog steeds weet ik niet wat het is dat ik wil zeggen over de vensters van Wyeth en Kowch.
Als ik rond vieren mijn hersens ga luchten ligt het er nog steeds. Het is een gerafeld stukje vlindervleugel, een halve vingernagel groot, zilverwit met een brede boord in grijsbruin. Met deze afmetingen en in die kleuren moet het wel een nachtvlinder zijn. Waar is de rest van de vlinder?
Het fragment, een kleine pijlpunt van vliesdun rijstpapier, beweegt over tafel alsof er toch nog enig leven in huist, een restantje. Geen stuiptrekkingen, neen, daarvoor is het te elegant, te luchtig, te speels. Soms raakt een lichte bries me aan, mijn wang, mijn hals, mijn arm. Maar op tafel blijft het stukje vleugel onberoerd liggen. Hoe is het mogelijk. Op andere momenten wappert het opstaande randje in een windje dat ik niet voel. Plots tilt zo’n windje de ampere vleugel op, blaast hem over de rand van de tafel, ik hap naar adem, enkele snelle omwentelingen in de lucht en dan valt hij weer. Op tafel. Ik adem uit.
DSC03116
Dan springt zomaar van waar hij ongezien gelegen had een tweede vleugel over tafel naar me toe. Ongehavend, meer parelmoer dan zilver, met dezelfde donkere band. Het schijnt me even onmogelijk toe dat dit een vleugel van dezelfde nachtvlinder is als dat het vleugels van twee vlinders zijn.
Laag in de lucht hangen zware grijze wolken waar vooralsnog niets uit valt of schiet. De twee gewichtsloze vleugels dansen nog veilig over tafel, van elkaar weg, over elkaar heen, buitelen, flikflakken.
Mijn deeghoofd vormt nog eens een gedachte: dit is wat kunst is in de wereld en het leven der mensen, twee onbeduidende vleugeltjes die over tafel bewegen onder een dreigende lucht.
Dan begint het massieve druppels te regenen.
Ik neem de vleugels niet mee naar binnen, ze zouden verkruimelen tussen mijn vingers. En vlindervleugels willen niet op keukentafels liggen.

Ik draai de muziek wat stiller

(waar zou ik dezer dagen blijven zonder de stem van Will Toledo – i feel it in my heart this time it’s come to stay i feel fire at its root crushed by his thumbs vanished in his whorl the ropes i held onto turned to sand my life marooned on trivial pursuits if i give this up will i be saved? will my life be spared? what will take its place? what will take its place?), zet mijn kin op de derde stapel en til vier vijfden net hoog genoeg om met een vinger de zwarte pocket er van tussen te kunnen duwen. Het is te lang geleden dat ik het essay van Virginia Woolf las, ik herinner me alleen nog dat de mot doodging.

“Watching him, it seemed as if a fibre, very thin but pure, of the enormous energy of the world had been thrust into the frail and diminutive body. As often as he crossed the pane, I could fancy that a thread of vital light became visible. He was little or nothing but life.”
Als ik opkijk zie ik buiten de tweede vleugel opwaaien in de regen, een horizontaal cirkeltje maken en terug neerkomen op de tafel.
Als de mot op zijn rug op de vensterbank valt en met zijn pootjes ligt te spartelen, steekt Virginia haar potlood naar hem uit om hem te helpen, beseft dan dat het geen onhandigheid is die hem zo hulpeloos maakt maar het naderen van de dood. Ze legt haar potlood terug neer.

Als ik na de bui ga kijken, liggen de twee vleugels nog steeds op tafel.

Als ik na de bui ga kijken, zijn de vlindervleugels verdwenen. En zoiets onooglijks valt niet meer terug te vinden.

Als ik na de bui buiten kom, ligt voor mijn tenen op de kasseien de gave vleugel. Dat is de waarheid.

Als ik later terug naar binnen ga, zit op het keukenvenster, de gespreide vleugels plat tegen het glas gedrukt, de voelsprieten gekruld als de snor van Dalí, een luttel hapje uit de donkere band van de buitenste rechter vleugel, een kleine buxusmot. Nog later ligt ze op haar buik op de zwarte keukenvloer. Ik verzin dit niet.
“nothing, I knew had any chance against death” schrijft Virginia Woolf.
Kende zij de echo van de extatische pijn in muziek, in zingende stemmen, vraag ik me af.
“The moth having righted himself now lay most decently and uncomplainingly composed. O yes, he seemed to say, death is stronger than I am” eindigt ze ‘The Death of the Moth’.

De volgende ochtend liggen er drie nieuwe buxusmotvleugeltjes op de terrastafel. Ik zweer het.
DSC03126

ineengetrapte tent

Ik heb geslapen van rond middernacht tot kwart voor twee.
Ergens tussen kwart voor vier en tien voor zes moet ik even weggezakt zijn want ik werd met dravend hart wakker uit een nachtmerrie waarvan ik me alleen de paniek herinner: niets is nog onder controle, alles loopt uit de hand.
Ik heb met open ogen liggen wachten op de wekkerradio van twintig over zes.
Nu zit ik aan de keukentafel met papier en potlood in plaats van me klaar te maken voor de werkdag.
Misschien zal ik deze namiddag slapen als een steen en nog kapotter wakker worden.
Misschien was deze nacht nodig om me eindelijk te doen opgeven.
Misschien heb ik het weer te ver laten komen. Deze keer omdat ik wist wat me te wachten stond en tegen heug en meug nog hoopte eraan te ontsnappen?
Omdat ik weet dat het maanden duurt om los te komen van het schuldgevoel.
Omdat ik weet dat het maanden duurt om los te komen van de stress.
Omdat ik weet dat de doktersconsultaties me daar niet bij zullen helpen.
Omdat ik weet dat ik elke keer kapot zal gaan van vernedering en machteloze woede bij de controlearts (“Moet je niet meer bijslapen overdag? Wel, dan kun je terug aan het werk.”).
Omdat ik weet dat het eindeloos lang zal lijken alsof energie en geestkracht en plezier nooit meer terug zullen komen.
Omdat ik weet dat ik me al die tijd een dikke nul zal voelen.
Been there, done that.
Godverdomme.

Misschien ben ik gewoon uit gezorgd. Op gezorgd.
Negenentwintig jaar (dertig, als je mijn stages en vakantiejobs meetelt) heb ik mijn alles gegeven. En nooit was dat alles voldoende want de omstandigheden werden steeds moeilijker en slechter en schrijnender. Dan ga je maar verder en vaker, steeds verder en vaker over je grenzen want voor de gastjes: alles! Dan ga je maar beetje bij beetje kapot. Who cares.
En als overduidelijk gebleken is dat je het niet meer kunt, drukt iedereen je op het hart dat je voor jezelf moet zorgen. Maar hoe moet smurrie zorgen voor smurrie?

In ‘Pilgrim at Tinker Creek’ vertelt Annie Dillard over de reuzenwaterwants. Ze zag een kikker in het water. Het was een heel klein kikkertje met wijde, doffe ogen. En terwijl ze naar hem zat te kijken begon hij langzaam te verschrompelen en in te zakken. Als het snuiten van een kaars zo verdween het leven uit zijn ogen. Zijn vel liep leeg en hing slap; zelfs zijn schedeltje leek te bezwijken als een ineengetrapte tent. Hij kromp als een leeglopende voetbal. Ze zag hoe de strakke, glanzende huid op zijn schouders kreukelde, en rimpelde, en inviel. Al gauw lag zijn vel, vormeloos als een kapot geprikte ballon, in plooien drijvend op het water, als felgekleurd schuim. Een ovale schaduw hing onder de leeggezogen kikker in het water, gleed dan weg. Het zakje van kikkerhuid begon te zinken.
Die schaduw was de reuzenwaterwants, een enorm, log, bruin insect met voorpoten als haken om zijn prooi mee te grijpen en klemmen, en met een giftige beet om de prooi mee te verlammen en vervolgens tot brij te smelten: spieren, botten, organen, alles behalve de huid herleid tot smurrie. De reuzenwants heeft enkel nog zijn maaltje uit te zuigen.

Ik ben weer eens de kikker.

giant water bug & frog