groen is de poort naar alle kleuren

Op hun behoedzame gemakje grazen twee konijnen van wat rozigrossig en dauwglinsterend uit het grint groeit ginder aan het uiteinde van perron twee. Het is nog te vroeg op de dag voor schichtigheid. Ik ben de enige tweevoeter op beide perrons en ik sta bewegingsloos – te genieten van de frisse ochtendlucht. Ik neem me voor vanavond eens van dichtbij te gaan kijken naar wat daar zo miniaturig groeit of bloeit.

“Ik wil kijken, opnieuw kijken, beter kijken, betasten met mijn ogen, ruiken en luisteren en proeven met mijn ogen”, vertelde schrijver Verhelst vrijdag in onze letterengazet. Het is een van de vele dingen die ik herken. Het is zelfs het ding dat mij gered heeft van de fataliteit van mijn rouw, meen ik: wanneer je je grote natuurlijke geluk kwijt bent en verder leven erzonder alleen maar ondraaglijk pijn doet, zoek het dan kleiner, nòg kleiner, kijk zo klein mogelijk en kijk zo goed mogelijk naar dat kleinst mogelijke, en mettertijd zie je daar het kleinste glimpje van schoonheid. Van daar ga je verder.

Een donsdeken van dichte mist ligt op de velden. Een tweede ligt over de toppen van de bomen gedrapeerd. Daarboven onhoudbaar energiek de klimmende zon. De trein rijdt de mist uit, de stad in. Tussen de linten huizen is geen plaats voor mist. Ik manoeuvreer me dwars door een colonne middelbare vrouwen met dezelfde gecoiffeerde hoofden en dezelfde isolerende jasjes waarvan enkel de bedaarde kleuren en de breedtes van de gewatteerde bandjes verschillen – gepensioneerde zusjes van het Michelin-mannetje – en langs een school freules met dezelfde lange steile haren en dezelfde blote enkels boven dezelfde lage sneakers, en laat de mensheid achter me. De zon zet een volgspot op de witte buiken van de overvliegende meeuwen. De meeuwen miauwen, duiven roeken, merels fluiten hun beste liedjes en een heldergroen jubelkoor heeft de poorten van de stad opengegooid voor alle tinten groen, heeft de poorten van de stad opengegooid en zingt van lente! eindelijk lente! Het zijn de esdoorns van de stad, die allemaal tegelijk beginnen bloeien zijn, een schuimend lichtgroen dat door de straten kabbelt, wolken van de bruisendste algen waaronder ik waad.

Er zijn rouwers die de lente niet verdragen. “De knoppen gesnoeid.” zijn de eerste woorden van mijn dierbaarste rouwboekje (Thoméses ‘Schaduwkind’), “In ieder geval heb ik in onze afgezonderde tuin hierboven de bloesem afgeknipt, de knoppen gesnoeid, ik moet toch iets, het kan toch niet gewoon doorgaan alsof er niks is veranderd? Alles barst van het blad, het is niet te stoppen.” Ik kan het wel begrijpen, al heb ik het zelf zo niet gevoeld. Ook voor mij viel alles stil, die nacht dat de sinten stapvoets over de daken reden, vanbinnen was ik zelf doodgegaan, enkel mijn omhulsel bleef bestaan, maar ik snapte: het was niet de wereld die stilstond, ík was het, en de wereld draaide door en liet me achter. Het heerlijkste kind en ik, we hadden ons eigen symbiotische wereldje gehad en dat was nu geïmplodeerd, maar dat zou de grote wereld geen nanoseconde vertragen. En wat zou dat me deren, ik wist toch hoe alleen ik was waar ik was. Dat was overigens een – desalniettemin gruwelijk eenzaam – gemak: de wereld had mij niet nodig, ik mocht gerust verdwijnen.
Wat me niet lukte. Alles rond mij verdween, ik bleef daar waar ik vastgepind was, in mijn juk rond die krijsende as van pijn draaiend, met langs alle kanten smerige kleurloosheid.
En toen kwam de eerste lente.
Niets kan de lente tegenhouden.
Niets kan al dat leven tegenhouden.
En dat was hoe de gevangen ‘ik’ eindelijk kon verdwijnen: ik kon een recipiënt worden met ogen als instroomgaten, ik kon ogen op mijn achterhoofd groeien, ogen langs mijn ruggengraat, ogen op mijn tenen, ogen op mijn oorlellen, ogen in mijn handpalmen, ogen op mijn vingertoppen, ogen op mijn heupen, een oog midden mijn voorhoofd, ogen op mijn ellebogen, ogen in mijn mondhoeken, ogen op het achterste van mijn tong…
De natuur wordt wreed of harteloos genoemd, in het beste geval onverschillig. En zelfs dat getuigt nog van een belachelijk arrogant antropocentrisme, vind ik. De natuur IS. En wij zijn stofdeeltjes. Er is geen verhouding tot stof.
Om dan vlokken met ogen te kunnen zijn. En al dat onderling afhankelijk leven te kunnen zien.
Het is hoe ik tot het leven teruggekeerd ben: eerst kijken, dan zien, vervolgens getuigen en ten langen leste zelf scheppen.
Mijns inziens het enige wat wij, sterrenstofdeeltjes, kunnen doen: het leven is er en de dood is er, het een is niet zonder het ander, en wij kunnen schoonheid en waarde scheppen in dit leven tot de dood ons komt halen.
“Vitalisme is onze hybris, onze middelvinger naar de onbestaande goden”, zegt Verhelst. “Het zal de natuur worst wezen of wij er zijn of niet. Het heelal is volstrekt onverschillig. Wij gaan dood. Onze geliefden gaan dood. En dat je zelf dood gaat, tot daaraan toe. [..] Soit, het enige dat wij kunnen doen is dat gat overschrijven met een nieuw verhaal. En nog een, en nog een. En nog.”

Ik heb het in die eerste opstandige jaren vaak gejammerd, woordelijk hetzelfde als wat een rouwer me vorige week schreef: ik was content met wie ik was, ik wìl helemaal niet veranderen!
Het heeft geen zin ertegen te vechten, Olijfje, het gebeurt toch. Een stukgevallen kom kan nooit meer terug naar de kom voor hij viel.
Ook Peter Verhelst heeft het Kintsugi ontdekt: “In Japan worden gebroken voorwerpen hersteld door de breuklijnen te bestrijken met natte laklijm, waarover goudpoeder wordt gestrooid. Kintsugi. In plaats van de barsten te verhullen worden ze benadrukt, verfraaide littekens als een ode aan het leven en de verstrijkende tijd.”
“Al wie heeft geleefd, weet dat de volheid van het leven niet alleen uit feest maar ook uit kwetsuren bestaat. Zelf ben ik intussen ook Kintsugi.” zegt hij. “Mij interesseert het niks om de oude werkelijkheid te herstellen. Ik wil leemten opvullen met taal, met beelden, met verlangens. Ik wil metamorfoses plegen!”
Ik wil leemten opvullen met taal, met beelden, met verlangens. Ik wil metamorfoses plegen – Verhelst haalde me de woorden uit de mond. In mijn kortverhalen doe ik niet anders dan metamorfoses plegen.

Maar aan verse rouwers zou ik willen zeggen: babystapjes, babystapjes… Processen laten zich niet dwingen, metamorfoses laten zich niet haasten, gebroken kommen laten zich niet terug tot geheel puzzelen en aaneen lijmen in een jaar en een dag. Mijn eigen Kintsugi is ook niet zo glamoureus, geen goudpoeder maakt mijn breuklijnen oogverblindend, de mijne hebben alle tinten groen. Het groen van onbezonnen lente, het groen van onstuitbaar leven na winterdood.
En groen is de poort naar alle kleuren.

Ja, ik verwacht veel gemeenzaams van dat nieuwe boek van Peter Verhelst. Over drie dagen begin ik te lezen. Vijf dagen later wordt het heerlijkste kind ter wereld geen twintig.

Advertisements

de god op de kleermakerstafel

Een kortverhaal kan alles zijn wat u maar wil of zoekt of op dat moment nodig heeft. Vlucht en vermaak of herkenning en troost. Adempauze of aansporing. Voorbeeld of schrikbeeld. Redding of revolutie. Pleister of woede. Heil of onrust. Glorie of vloek. Rozen of bloed. Thuiskomen na avontuur, remedie, droom, of doos van Pandora waarin slechts de hoop achterblijft. Voor de één een bol garen waar de kat mee speelt, voor de ander een lasso om een wild paard mee te vangen. Of gewoon twee warme armen als schuilplaats. Een verhaal kan alles zijn.
Voor de schrijver is het kortverhaal een bacchanaal van bandeloze vrijheid. In dit meest vrije van alle literaire disciplines kan ik me zo ongeveer alles permitteren: ik kan al uw geloof opschorten en u ten diepste laten meeleven met molletjes onder de grond of een eenarmige vrouw die kinderen vermoordt of een ventje dat superheldenkrachten vindt waar u die niet zou verwachten… ik kan de meest beroezende, rijkste beeldtaal gebruiken èn hoogst economische zinnen… ik kan experimenteren met vorm of verteller en van een zwemmer in gevecht met een zwaan een Griekse tragedie met een ziek koor maken of u de stem van het schuim op het water laten horen… ik kan laagjes metaforen en symboliek leggen, ik kan u dingen in het gezicht slingeren of u ernaar laten zoeken of raden… Kortom: in het kortverhaal kan ik een god zijn.
Waarom zou ik u dan het onooglijke mensje laten zien dat achter de schrijver schuilgaat? Laat mij maar de onzichtbare schepper blijven.
Thomése zei het al in zijn essay ‘Antischrijver’: ‘Schrijven is taal van het lichaam losmaken zodat de bevrijde woorden dat lichaam kunnen overleven. Literatuur is de taal die zich van het lichaam heeft losgemaakt.’ Zo heb ik bijvoorbeeld een lichaam met een massief achterwerk en grote voeten, en toch is mijn proza niet zwaarkonterig en banjer ik er niet met zevenmijlslaarzen doorheen – waarom zou ik u dan in verwarring brengen? Misschien zie ik er afschrikwekkend nors uit en voel ik toch die onmetelijke liefde jegens mijn personages en lezers, heb ik een spraakgebrek en wil ik toch de rijkdom van onze Nederlandse taal eren. Ik herhaal: waarom zou ik u dan in verwarring brengen?
Zoals Thomése het zegt: ‘Het gaat om de woorden. Die zijn ontkomen en wachten nu op iemand die ze vindt. De lezer. Die ene lezer. Lezen is: je woorden eigen maken. Je past het boek en kijkt of het je staat.’
Daarom, mijn beste Lezer: past u mijn boek, kijk of het u staat. De onzichtbare couturier, in kleermakerszit onder zijn lamp, bovenop zijn tafel, dankt u.
kleermaker op tafel 3

zeemeermin op zondag; een oefening

Ik heb een halfuurtje. Ik heb een hoog, dof van honderden vaatwasbeurten, glas (koffie verkeerd) met een laagzittend oor om het balanceren naar de mond spannend te houden. Ik zit met mijn gezicht naar de wandklok. Daaronder een propere toog met in het hoekje, leunend tegen de muur, een ongeschoren arbeider met gelaatstics en cynische wenkbrauwen, achter een glas koude pils waar hij zeer zuinig mee doet.
Ik probeer verdere feminismes van Rebecca Solnit te lezen maar dat lukt niet, elk omgevingsgeluid galmt hier onder het hoge plafond en ik heb mijn oordoppen niet bij.
Links van mij zitten op de bank onder het raam een oudere vrouw met haar stokoude vader (ze lijken op elkaar als een hond en zijn baasje) en een ongedurige kleinzoon – de vrouw moet voorovergebogen luid praten opdat de vader haar zou verstaan, al toont hij weinig interesse. Zou ik ook niet hebben, want het leven heeft het in haar gezicht gesleten en alle hoeken naar beneden getrokken: dit is een bittere vrouw die al het onrecht van de eerste wereld op haar schouders draagt.
Achter mij zitten vijf personen op een rijtje op een bank voor vier. Twee types die eruit zien als tweelingen van middelbare leeftijd, ik kan niet zien of het mannen of vrouwen zijn of van elks een, ze hebben jassen en mutsen en sjaals aan, terwijl de man aan de toog en ik met opgeschoven hemdsmouwen zitten, zo warm is het hier gestookt. In het midden van het rijtje zit een berg van een man, hij is de enige die praat, met luide stem en tegen niemand in het bijzonder, voor zich uit, over voetbal. Aan zijn andere kant zitten nog twee miezerige kalende mannetjes weggedoken.
Ik weet zeker: geen van deze mensen zit te wachten op een trein. Ze wachten nergens op, ze ondergaan het verstrijken van de tijd op een zondagvoormiddag. Zoals voorheen de mensen naar de kerk gingen en erna naar de kroeg, zo gaat een generatie van hun geloof gevallenen nu op zondagochtend naar het stationsbuffet. Slechtere muziek dan in de kerk maar praten en drinken à volonté.
Er is een nieuwe vrouw binnengekomen. In haar zondagse mantel met bontkraagje, het halflange steile haar met een grote sierspeld weggehouden van haar kaarsrechte scheiding. Gescheiden en eenzaam? Ze drinkt koffie en kijkt en glimlacht naar de knappe oude kelner elke keer hij voorbijkomt. Aan haar voeten draagt ze open slippers over haar zwarte nylonkousen. Ze speelt met een glazen staafje lippenstift.
Aan de andere kant van de halfhoge glazen wand naast mij zijn een vader met een grote haviksneus in het midden van zijn klein, fijn gezicht, en zijn puberzoon met de herkenbare gelaatsuitdrukking van de mentaal geretardeerden tegenover elkaar gaan zitten. De vader glimlacht veelvuldig, de zoon glimlacht niet terug.
Het is tijd voor mij om te gaan.
Dit is een oefening. Een oefening in observeren en beschrijven. Met nog wat meer tijd om de inrichting van de ruimte te beschrijven, en de lichtinval, kan ik u zowat hetzelfde laten zien als wat ik zie – voeg ik er nog de geur van oude koffie aan toe en een opsomming van de laatste vijf liedjes, en het is of u er zelf bij bent.
Ik ben gisteren begonnen aan mijn eerste essay – ik wil een essaybundel schrijven over de ontoereikendheid van taal – en er is niets dat ik liever zou willen dan er vandaag aan verder werken. Maar er is een doopsel in Menen waar ik bij moet zijn. (Een meisje van bijna zeven en haar twee kleine zusjes, in wier buurt ik moet blijven om hen te behoeden voor de verdrinkingsdood.)
Ik meen dat de taal die ik zonet oefende toereikend was voor het beeld van de stationsrestauratie dat ik voor u wilde oproepen.
Ik veronderstel ook dat de taal die ik rond mij hoorde toereikend was voor de mensen die ze uitspraken. Wellicht was de stilte van de verglijdende tijd opvullen met de onderwerpen die het dichtst aan het hart lagen, het enige dat deze mensen betrachtten op deze zondagvoormiddag. Ik denk niet dat zij potentiële lezers zijn van een potentiële essaybundel over de ontoereikendheid van taal. Evenmin als de mensen straks in Menen, vermoed ik.
In veel gevallen ligt de ontoereikendheid volledig bij mij en niet bij de taal. Er bestààt een taal voor tijdens het wachten voor de kerk, er bestààt een taal voor tijdens de feestelijkheden na een doopselviering, alleen ben ik ze niet meester.
De geschreven taal kan de meest zorgvuldige taal zijn die ik ken en ik heb ze beter in de vingers.
Toch droomde ik afgelopen nacht dat ik op een formeel diner van de uitgeverij was en ik eerst aangesproken werd door iemand die ik tot vier keer toe moest vragen te herhalen eer ik verstond wat ze zei: dat zij zowat elke zin in mijn boek vier keer moest herlezen vooraleer ze begreep wat er stond – waarom gebruikte ik geen gewone spreektaal in plaats van al die moeilijke woorden en rare beelden; waarom schreef ik geen korte zinnetjes zoals iedereen deed; waarom eiste ik zoveel van de lezer?! En een tweede viel haar bij, over een passage die toch wel zeer langdradig en saai was – waarom schrapte ik die niet gewoon, en kon ik niet wat meer actie in mijn boek brengen of dat lastige personage weglaten?
Ik werd wakker van het denderen in mijn hoofd – de trein terug naar huis die ik net gemist had.

Afbeeldingsresultaat voor mute mermaid

In het sprookje moet de kleine zeemeermin haar stem opofferen om als mens op het land te kunnen lopen, ‘haar mooie staart zal splijten en ineenschrompelen tot wat mensen mooie benen noemen’. Maar ze leert al snel dat een mens die niet spreekt, niet begrepen wordt – meer zelfs: niet voor vol aanzien wordt: ze wordt geen echte vriendin van de prins, laat staan zijn geliefde, ze blijft het stomme vondelingetje dat als een geliefkoosd huisdier op de mat voor de slaapkamerdeur mag slapen.
Nu is het niet zo verwonderlijk dat zeemeerminnen niet kunnen schrijven, maar – zo maakt Patricia de Martelaere zich, net als ikzelf, ook druk in haar geweldige essay over ‘De kleine zeemeermin’ – kunnen die twee dan geen code bedenken?, ‘een soort gebarentaal, een omweg om met handen en voeten een bres in haar verstomming te slaan?‘ Of waarom komt die domme prins niet op het idee om haar vragen met ja of nee te laten beantwoorden door te knikken of te schudden met haar hoofd?
Wil hij misschien in werkelijkheid niets over haar weten?‘, vraagt Patricia de Martelaere zich af.
En de kleine zeemeermin zelf? Durft ze haar geheim misschien niet vertellen aan de prins? Als ze hem zou vertellen dat zij voor hem haar stem en staart opgeofferd heeft en ondraaglijke pijnen lijdt aan die voeten, zou hij zijn lot dan niet met het hare verbinden louter vanuit die onzuivere mengeling van medelijden en schuldgevoel – wil ze dat wel, op die manier? En als ze hem zou vertellen dat als hij voor haar kiest, ze ook de onsterfelijke ziel zal krijgen die ze zo graag wil, en zoniet, dat ze dan zal sterven en veranderen in zeeschuim – zal hij zich dan niet onder druk gezet voelen, gemanipuleerd en misbruikt?
Taal schiet hier tekort. Ze kan dus maar beter zwijgen en gek worden van onmacht.

Ik weet niet of je je als schrijver meer dan een ander mens bewust bent van de ontoereikendheid van de taal en ik weet ook niet of elke schrijver hiermee worstelt. Ik in elk geval wel.
Vandaar dat ik erover wil schrijven – een hele essaybundel als het wil lukken – proberen de juiste woorden en uitdrukkingen en zinnen te vinden en neer te leggen, over alle situaties waarin dat niet mogelijk is. Proberen is hier het kernwoord. Essays zijn, in woord en betekenis, simpelweg pogingen.

Ik boemel verder naar de volgende halte.

dagen zijn kamers

Dagen zijn kamers.
Ik stap over de drempel en zie: vandaag is een rommelhok en in elke hoek kibbelen mensen over orde. Hier krijg ik niets gedaan.
Of: vandaag is een veel te kleine escape room. Help.
Of: de onopgeruimde zaal na het feest van gisteren, het TL-licht harteloos, de vloer plakkerig en het ruikt er naar oud bier en koude sigaretten. En opgeruimde stemmen galmen tussen de muren.
Soms zijn er dagen waarvan de deuren niet sluiten en de hele buurt staat op het venster te roffelen en ik kan hen toch niet in de ijsregen laten staan terwijl ik niets liever wil dan het boek lezen dat ik gisteren kocht.
Gisteren was een galerie en ik liep aan de arm van mijn suikernonkel en zag zoveel moois en vergaarde zoveel schoonheid en belandde per ongeluk in het stomende, hels drukke bijkeukentje en ontsnapte weer en luisterde stil naar een van de kunstenaars en toen kwam nog de receptie en er bleef niets van mij over.
Morgen zal misschien een verstopt toilet zijn en overmorgen een naar gekookte kool stinkende gaarkeuken?
Vandaag is een bibliotheek met alle boeken achter glas en slot en grendel tegen de ontsnapte zoodieren.
Sommige dagen zijn woonkamers van appartementjes op dertiende verdiepingen en de muren zijn wit, de meubels onaantastbaar, er staan geen planten en er speelt geen muziek en er komt geen zonlicht binnen.
Andere dagen zijn doktersspreekkamers en het kwartier duurt de hele dag en de hand van de dokter is koud en penetrerend en zijn stem onheilspellend ernstig.
Er zijn dagen als isoleercellen net groot genoeg voor mijn hoofd en bekleed met stootkussens en niemand vertelt me waarom ik daar ben of hoelang ik er opgesloten blijf.
Er zijn dagen als stampende dancings en dagen als gotische kerken volstromend met veelkleurig zonlicht en polyfonische gezangen, dagen als huizen in brand en dagen als wunderkammers, dagen als benauwende sauna’s en dagen als Victoriaanse serres vol jungleplanten, dagen als bejaardentehuiskamertjes en dagen als de keuken uit mijn kindertijd en moeder heeft net brood gebakken…
Geef me dagen als een vertrouwde huiskamer en al mijn boeken en platen en potloden en koffiekopjes zijn hier. Zonlicht schuift over de azuren muren en de tafel en de chaise longue. De tuindeuren staan open en buiten is de eerste warme lentedag. En er zijn geurende bloesems en speenkruid en vroege tulpen en zingende vogels en er zijn ruime en comfortabele tuinstoelen vol dekens en kussens en we kijken en luisteren en zwijgen, jij en ik. We zijn samen en apart. We moeten niets.

 

WISHFUL THINKING (Claire-Louise Bennett, uit: ‘Pond’)

Pads upstairs, scrapples about beneath ottoman, locates green flip-flop. Straightens, eyes bed. Thinks, hmmmm, stylish. Foxford blanket, textured cushions, suave bolster, a bit of broderie anglaise and so on. Then: have I had breakfast? Swiftly glances over the banister. Sees empty bowl and smeared spoon at the edge of desk. Next to bottle of Hawaiian Tropic. Factor 15. Thinks,

perhaps that was from another day.

een oudejaarsnacht met mijn liefste deejay

wim opbrouck dansend in galakleed aan zee
Het begon met ‘Blinder by the hour’. Ik was pas thuis van het werk en struinde in pyjama een sociaal medium af om wat te acclimatiseren terwijl mijn liefste het aperitief bereidde. Toen hoorde ik mijn Triffids en kwam mijn liefste me omarmen. “Het was het jaar van de two white arms for an overcoat hé”, zei hij en mijn nek kraakte in zijn omhelzing. “Daar ga je toch niet mee stoppen in 2018 hé?” lachte ik. “Nee hoor, maar dan onder een andere titel hé!”

Ik kan me niet herinneren hoe echt mijn feestvreugde was op oudejaarsavonden vóór 2010, er is zoveel dat ik me niet kan herinneren van hoe ik was of dacht of voelde vóór 2010. Feit is dat 2010 het einde betekende van alles dat zweemde of verlangde naar feestelijkheid. Ik heb het toen nog één keer geprobeerd met oudejaar maar het was een verschrikking, ik wilde helemaal het jaar niet uit waarin ik mijn meiske voor altijd moest achterlaten, laat staan dat ik dat verwenste nieuwe jaar wensend wilde ingaan met vrienden die hun beide meiskes gewoon konden meenemen.
Sindsdien is oudejaarsavond een doordeweekse avond met ons tweetjes in de zetel voor tv, met hapjes en drank op de salontafel, en mijn liefste die na de middernachtkussen de tuindeuren opengooit om naar het vuurwerk te kijken, en ik die gedogend wacht tot ik naar bed kan en zwijg over mijn woede en onmacht.

Hij voerde me dronken met het spreekwoordelijke engeltje dat een volmaakte cocktail piste van picon en cava en cointreau en biologische (want wij zijn bewuste en idealistische mensen) citroenlimonade, en met driehoekjes geroosterde brioche met faux gras (ja wij zijn bewuste en idealistische mensen, dat weet iedereen) en appel en uienconfijt daarop, en hete paddenstoelen met gesmolten lookboter, en hij draaide ons traditionele Pogues-nummer, ‘Fairytale in New York’, een week te laat, en we dansten op een vierkante halve meter in de woonkamer en balkten mee met The Dream Syndicate: “I got some John Coltrane on the stereo, baby, gonna be alright, got some fine wine in the freezer, mama, I know what you like…”
Hij verdween weer naar de keuken om bruchetta’s te bereiden en de paprikarolletjes die hij gisteren gemaakt had te vergeten en ik ontstak de kaarsjes en ging in de zetel zitten haken om wakker te blijven na elf uur werken, na vierenveertig uur werken.
We gingen over op rode wijn en lieten de laatste hapjes koud worden, vergaten het dessert. Mijn liefste wisselde CD’s en LP’s af om ons een dolle feestsoundtrack te bereiden, ik herinner me ‘Going underground’ van The Jam na ‘Merry-go-round’ van The Replacements. Wanneer je zolang samen bent als wij, dan denk je niet meer elke dag terug aan hoe je elkaar indertijd gevonden hebt, maar nu was ik weer zeventien jaar jonger en stond achter de toog van de Limelight en was verheugder dan gepast dat het weer die deejay van Zulte was die muziek draaide.
Mijn liefste heeft de wonderlijkste muzikaal-associatieve hersens die ik ken, zo volkomen anders dan mijn eigen onderbewuste kronkels dat geluk altijd binnen de mogelijkheden ligt. En dat ik er nooit genoeg van krijg daarnaar te zitten kijken.
Ik wou dat ik de nummers en hun organische volgorde opgeschreven had, maar ik herinner me alleszins ‘Marquee Moon’ van Television en ‘Dageraadplein’ van Spinvis. Mijn liefste deejay dook op mijn schoot en zong ‘Could you be the one’ mee met Hüsker Dü en natuurlijk zei ik volmondig ‘yes’. Wij zijn zo compatibel in zíjn plezier in show geven met mij als lachend publiek en míjn toeschouwersaard. Hij zong ‘Say something loving’ van The XX en ik schoof mijn handen in zijn haar en zei hem hoe graag ik hem wel zie. “Het wordt ons jaar!” zei hij als was het een belofte of een voorspelling en ik lachte maar om zijn enthousiaste geloof. We jubelden mee dat het the end of the world as we know it was en dat this the day is when life will surely change.
“Ik wil ook een kleedje”, juichte mijn liefste deejay terwijl Ezra Furman ‘Androgynous’ zong, en hij draaide zijn mooiste kont voor me. “O-ow, wordt 2018 het jaar dat je je gaat outen?” Hij gooide zijn armen uit en riep: “Die gender-vrijheid van Ezra, dat is toch fantastisch!”
Ik weet wat hij bedoelt, ik heb dat ook met Ezra. En het kernwoord is hier ‘vrijheid’ natuurlijk. Zie mijn liefste hier eens met dat dronken lijf in het nauwe gangetje tussen zetel en salontafel vol wankele stapels boeken en CD’s, voorover duikend in de zetel om onder de leeslamp de veel te kleine lettertjes op de hoezen te kunnen lezen, reikend over een dubbeldikke rij LP’s en drie torens boeken om een schijf op te leggen… hij is daar zo’n meester in: zich in de meest benauwde en beperkende omstandigheden toch de grootst mogelijke vrijheid te creëren. Terwijl ik eindeloos sta te schoppen tegen elke muur en poort die mijn hoognodige vrijheid belemmert, is hij aan het spelen op een vierkante meter. Er bestaan momenten waarop je heel goed weet waarom je je liefste het liefst ziet.

Ik herinner me mijn geliefde Old Crow Medicine Show en The Fall en van The White Stripes ‘I think I smell a rat’ – zelf zou ik ‘Hotel Yorba’ gedraaid hebben – en hij speelde ‘Just like heaven’ van The Cure en ‘Tuesday morning’ van The Pogues en ‘Roadrunner’ van The Modern Lovers, en ik herinner me Jerry Lee Lewis en The Stooges en nonkel Ronny Roland and his Comets en het lachen en zoenen en zijn middernachtwensen in mijn nek: “wij, het schuim, en veel mooie momenten”, en hoe hij de tuindeuren opengooide en The Pogues luider waren dan het vuurwerk en dat hij ‘Thousands are sailing’ meebrulde naar de maan en de boomsilhouetten en onzichtbare buren…
“Maanden, komt, brengt bloemen aan,
De lucht is bleek met de laatste maan,
En het jaar is een koud, dood man in huis,
En ik wil het begraven met zang en geruis
Van vallende bloemen…”
(Albert Verwey, ‘Rouw om het jaar’, 1885)

… en ik weet niet meer bij welk nummer ik ben gaan liggen of hoe laat het intussen al was. Ik herinner me het Soft Verdict: ‘Struggle for pleasure’, en daarna Nick Cave, en het verdriet kwam terug. Ik ben naar bed gegaan en mijn liefste deejay is twee Cave-nummers later, eens ik ons bed voldoende had opgewarmd, gevolgd.
Okee, dit wordt ons jaar, mijn liefste deejay!
Zoals ieder jaar ons jaar wordt. Tot de dood ons scheidt.

 

 

 

 

twee ademhalers

Elk jaar probeer ik te verdwijnen.
Ik verschans me in mijn stille huis om niet in de weg te komen staan van de stormloop naar het grote kinderfeest. Ik wil me niet ongemakkelijk hoeven voelen over het ongemak van mensen wanneer ze toch plots beseffen dat deze weken voor mij geen feest zijn. Ik verdraag geen andere mensen en hun levens in deze cocon van mijn meiske en mij.
Zeven jaar geleden hadden wij ons samen ingesponnen voor het laatste ademen. Twee ademhalers aan elkaar vastgeklampt ademend op hetzelfde aflopende ritme. Alleen wij twee. Wij waren de enige ademende wezens in onze kleine wereld. Al de rest mocht niet bestaan, bestond niet.
Ik wist wel dat we er niet uit zouden komen als twee vlinders. Ik probeer het wel: haar te zien als de weggevlogen vlinder.
Zelf was ik achteraf weer de rups. Jarenlang bevroren. Dan weer stilaan rondkruipend.
En elk jaar weer de cocon terugzoeken. Ik zeg wel dat ik probeer te verdwijnen maar wat ik echt probeer ik natuurlijk haar opnieuw te doen verschijnen.
In de cocon ontsteek ik kaarsvlammetjes, zet de mooiste muziek op, hang sterrenslingers in blote takken, plant een gelukkig roosje, begraaf bollen van vrolijke lente, laat het schuim van de zee mijn voeten betasten en me zeeboontjes brengen, laat lichte vlindervliegers op, zoek troost in boeken of probeer zelf de juiste woorden en fabeldieren te vinden om haar te zeggen hoe zwaar het missen is (: OCTOPOESJE // nooit armen genoeg om te fladderen / om uit te gooien naar waar je me hoorde, / me vast te grabbelen en naar je toe te trekken / om rond mijn nek te slaan en je handjes op slot te doen / om te omhelzen, verstrengelen, versmachten. / je was mijn octopoesje / met de acht armen als meertouwen, als kabels, / met zuignappen en de kracht van een kerel. // met al je armen om me heen / hield je me aan mijn hoofd boven water / en ik droeg je overal naartoe, / mijn twee armen waren gemaakt voor jouw lijfje, / ik zou je dragen tot het einde der tijden / als jij mijn hoofd maar boven water hield. // en nu loop ik hier, al zeven jaren, / aan gene zijde van dat einde / met mijn overschot aan slappe armen / zwaar van de loden leegte die ze moeten dragen / mijn hoofd te los op mijn schouders zonder de kraag van jouw armen / geen gemis doet zo’n zeer als het lijfelijke: / mijn lijf en leden die de jouwe ontberen.) … maar er is geen alchemie die haar kan terughalen, een vlinder keert nooit terug naar haar cocon.
En elk jaar sterf ik opnieuw in mijn eentje. Dit sterven is zo eenzaam.
Ik ben dankbaar voor elke warme hand op mijn cocon. Mensen met hun eigen gelukkig of moeilijk leven die toch even de moeite nemen om een warme hand op mijn cocon te leggen om me te laten voelen: we weten dat jij daarbinnen bent en dat je lijdt omdat je je meiske zo mist.
Dank aan de warme handen van dit zevende jaar.

Frans Thomése’s ‘Schaduwkind’ is het enige mogelijke boek in deze decemberdagen. Zijn cocon heeft deuren:
“Overal zet u punten en trekt u deuren dicht. [..]
Overal worden er deuren van troost zachtjes achter me dichtgetrokken: cynische deuren, ontroerende deuren, afstandelijke deuren, herkenbare deuren, berustende deuren, vergeetgrage deuren, ontkennende deuren, interessante deuren, voorzichtige deuren, superieure deuren, dooddoenersdeuren.
Neen, zeg ik, niks daarvan. Niks afsluiten. De deuren moeten juist open. Er moet aan gemorreld worden, ze moeten uit de sponningen worden getrapt. Laat het maar tochten, laat het maar koud zijn.”

DSCN4451[1]

ijs voor iedereen, brief voor nu

ijs voor iedereen, saar de buysere postzegel omhelzing

ijs voor iedereen,
brief voor nu
(t.a.v. Alana,
distant sky)
Postbus 40
9000 Gent

Mijn lalala’tje, mijn molleke, mijn schetebezeke, mijn schobbejakkie…

Dit is een goede dag om je te schrijven. Op mijn rug de pijn van vijf uren bij de tattoo artieste gisteren, uit de boxen Richard Skeltons pijn-en-schoonheid-muziek, buiten een duistere dag met een wilde wind die vastbesloten is de laatste blaadjes van de bomen te blazen. Zelf word ik nog altijd onrustig van winderige dagen, jij was altijd gek op wind, jij bent de enige die zo’n dagen mooi kon maken. Ik zal het altijd blijven missen om samen met jou in de wind te wandelen. Jij in je buggy als een kind van de wind, wapperend met je handjes en je lange haar, zwierend met je hele hoofd, je mond wijd open om de wind te vangen en mee te briesen en te proesten, en om je wild plezier te delen en te vergroten reikte je dan achter je, trok me aan m’n mouw naar je toe, tuitte je lippen naar me en dan moest ik als een briesend paardje mijn lippen tegen de jouwe laten trillen en dan werd je nog zotter – meiske, wat mis ik dat!

Straks is het zeven jaar dat ik je al moet missen en op het eerste zicht zou je kunnen zeggen dat het intussen al beter met me gaat (al heb ik vorig jaar twee seizoenen thuis gezeten van het werk omdat het weer niet meer met me ging – ik heb toen geleerd dat ik moet volgen wat ik nodig heb…) maar nog steeds doe ik alles wat ik (creatief) doe voor jou, Alana. Om jou zowel dicht bij me te houden als je in de wijde wereld te brengen.
De eerste jaren schreef ik je wel vaker brieven, hoe vreemd het ook voelde want onze communicatie was nooit talig, wij praatten met onze handen, met onze armen, met onze lijven. Dat is het ook wat ik het meeste mis. Daarom voelde schrijven naar jou steeds als proberen vast te nemen en neer te pinnen wat niet vast te nemen is. Jij bent gewoon overal, alomtegenwoordig maar ongrijpbaar, als licht. Jij bent mijn licht.

Sindsdien schrijf ik rondom jou, want ja, schrijven is wel mijn taal, de enige die ik nog heb. Die andere is mee gestorven met jou. Heeft een immense krater geslagen in mijn lijf.
Maar ik schrijf dus rondom jou. Ik schrijf mijn kleinekijken-blog, ik schrijf mijn verhalen (en romans). En volgend jaar ga jij de wereld in in mijn eerste boek, je naam aan begin en eind en je wezen in zoveel van de verhalen daartussen. (“En nooit een boek afsluiten zonder hulde te brengen aan Alana, mijn levenslange liefde, mijn trots en mijn voorbeeld. Zij is het aapje, de kauwen in de zeeden, het witte paard, de leeuwerik, mijn ijsblauw kind, de kolibrie, het molletje,…”)

En ik schrijf deze brief. Want nu bestaat er een postkantoor voor brieven aan de doden, en al voelt het als een postkantoor voor de machtelozen, het is ook weer een vorm van jou uitdragen wat ik met deze brief betracht, jou in de wijde wereld brengen.
Misschien kan het een nieuw ritueeltje worden: mijn brief aan jou in aanloop naar 6 december.
Er kunnen nooit teveel ritueeltjes zijn. Ik zal de zevende monarch-vlinder op mijn arm laten tatoeëren, ik zal nieuwe slingers hangen in je tuintje en handenvol tulpenbollen planten en wieweet nog een nieuwe rozelaar als ik nog een plaatsje vind, we gaan wandelen aan zee en ik zal hopen op veel wind, een fotostickertje van jou achterlaten op een verborgen plekje, en hopelijk zeeboontjes of bijzondere schelpen vinden om thuis op je kastje bij te leggen.
Er is zoveel dat ik kan bedenken en doen en niets zal je ooit terugbrengen. En nooit zal het genoeg zijn. Maar nooit zal ik het opgeven.

Voor me op tafel ligt een groeiend aantal armen. Nog drie te gaan en dan heeft de octopus zijn voltallige aantal. Ik heb hem jouw brede glimlach gegeven en hij heeft jouw hoge ronde voorhoofdje, ik heb hem opgevuld met restjes wol en zijn armen met rijst. En dan schrijf ik nog een gedicht over armen (over de jouwe natuurlijk, dat jij een en al armen was, grijpende, omhelzende, verstrengelende, sterke, zuigende, versmachtende armen – en hoe ik je armen mis en hoe mijn lege armen jou missen) en stuur hem ermee de wijde wereld in.
De handen waarmee ik voor jou zorgde, zijn beginnen haken in jouw laatste zomer, eerst die kleurrijke sprei voor jou, en zijn er niet meer mee opgehouden. Hele nesten dekens en spreien heb ik gehaakt, voor mezelf en voor eenieder die er een nodig had, die de kleurtjes en de warmte nodig had. En nu, zeven jaar later, zal jij ook in mijn dekens de wijde wereld in gaan: elke deken krijgt voortaan jouw naam op een labeltje (‘alana in wonderland’ gaan ze heten) en touw errond met aan het uiteinde een stickertje waarop jouw handjes met de allereerste sprei spelen; en mensen van overal zullen de dekens kopen in dat winkeltje en meenemen naar hun huizen en in al die huizen zal voortaan een dropje van de kleur en warmte van onze liefde te vinden zijn.

Het zijn allemaal slechts druppels op een niet te blussen plaat natuurlijk. Ik heb een tuintje vol geuren en kleuren en vruchten voor je aangelegd, ik heb je in talloze tattoos laten vereeuwigen, ik heb een knuffelkonijn gehaakt dat even groot is als jou en gevuld is met je kleertjes en speeltjes en handdoeken, ik heb een lampje dat elke dag onze zoenfoto uitstraalt, ik zet elke week een vers boeketje bij je foto, ik heb een ster voor je gekocht, een echte ster aan de verre hemel, ik heb verhalen voor je geschreven, een roman voor je geschreven en zal er nog voor je schrijven, ik heb rozen voor je geplant, ik heb bomen voor je geplant, thuis en in nieuwe bossen, waar ik ga wandelen neem ik je in fotostickertjes met me mee, ik heb juwelen gemaakt van je foto’s en haartjes, ik heb een schilderij voor je gemaakt, ik heb al meer bedacht en gedaan dan ik kan onthouden…
Zoals ik al schreef: er is zoveel dat ik kan bedenken en doen en niets zal jou ooit terughalen. En nooit zal het genoeg zijn. Maar nooit zal ik het opgeven. Het is het enige dat ik nog kan. Het enige dat jou nog een beetje… nee, ‘levend’ is niet het goede woord, iemand zo levendig als jij was, neemt alle ware levendigheid met zich mee… nog een beetje ‘aanwezig’, het enige dat jouw wezen en onze liefde nog een beetje aanwezig houdt. Het is de drijfveer van mijn overschot van leven geworden, Alana. En waar dat de eerste jaren vooral voelde als een vechten tegen verlies, begint het nu meer en meer te voelen als verrijking: de dingen die ik doe om jou dichtbij te houden, brengen somtijds mooie nieuwe dingen waar ik nooit had durven van dromen. Ik denk dat ik na 7 jaar stilaan weer begin te leven. En zolang ik leef, blijf jij leven in mij, Alana, mijn molleke, mijn schetebezeke, mijn lalala’tje, mijn eeuwige licht.

Met al mijn liefde, met al mijn armen, voor altijd,
jouw caro.

(Omarming-potloodillustratie van Saar De Buysere voor ijs voor iedereen. ‘ijs voor iedereen’ is een postkantoor voor de overlevenden en de overledenen, Postbus 40, 9000 Gent. Het werd opgericht op 5 januari 2017 als hou-vast in koude dagen. Het brengt schoonheid op kwetsbare plekken. Troost om het afscheid te verzachten. http://www.ijsvooriedereen.be)