Maxie

Hij wringt zich door de opening die ontstaan is vanwege een verzakte plank in het gammel poortje, herstelt zich onmiddellijk van zijn struikeling en verkent zijn nieuwe omgeving. Hij is een ietwat plomp onvolgroeid lijfje op stevige hoge poten. Hij heeft een robuuste kop met donkere ogen. Hij springt op het lage muurtje en roept bot ‘Mà!’, en nog eens: ‘Mà!!’ Er lijkt wel zo’n fluitje uit een gummi piepbeest in zijn keel te zitten. Moeder antwoordt niet.

Hij heeft een ferme snavel die deels bevederd is. Hij is nog jong maar nu reeds is hij al zoveel impressionanter dan onze kauwtjes. Alles aan een kauw straalt fijngesneden elegantie en speelsheid en alerte intelligentie uit, deze jonge kraai lijkt nu al een bonkje wil. Maar wat is een kraai die niet kan vliegen? Hartzeer. Zijn staart is nog niet volgroeid, de veren van zijn vleugels ook niet, van de onderste veren kun je nog de witte aanzetten zien waar de bovenste veren er nog niet overheen gegroeid zijn. Het is een compleet raadsel hoe deze jonge rekel in onze ommuurde tuin terecht gekomen is. Kraaien zien we hier zelden, enkel als ze voorbijvliegen en bepaald niet verwelkomd worden door hun kleinere neefjes die de buurt regeren. Het zou me ook zeer verbazen mochten ze in deze dichtbebouwde omgeving broeden, ik heb de indruk dat kraaien op een veiliger afstand van mensen blijven. En toch is hij hier, deze bengel, zo aanwezig als een jong maar aanwezig kan zijn: voor mij een onmogelijk te negeren appèl me om hem te bekommeren.

Hij gaat op een open plekje staan en roept weer schor en dwingend om zijn moeder. Er komt geen antwoord. Alleen onze kleinste kip, die niet veel groter is dan het jong en schrikt van zijn roep, kakelt nerveus. Ik kan het niet helpen, ik roep terug, in mijn bespottelijkste imitatie-kraais, gewoon om hem te laten weten dat hij niet alleen is. Wat natuurlijk belachelijk is want hij heeft niemand anders nodig dan zijn moeder of vader. Mijn WRÀÀ verontrust hem niet maar mij, dat reusachtige verticale monster, zien wel, dus ik trek me terug.

Als ik chaotisch vleugelgeklets hoor denk ik dat onze haan hem aangevallen heeft maar als ik naar buiten storm staat het pluimvee me onschuldig aan te gapen, het jong is verdwenen – het moet dus, met hals-(of vleugel-)brekende toeren over de omheining zijn geraakt.

Dan hoor ik hem roepen van achter het huis, MRÀÀ! Daar is een smalle doorgang tussen de veranda en de betonplaten-afsluiting, die leidt naar een klein vuil koertje. Ik vond er vorige week het stijve kadaver van een kauw, het kopje al helemaal gepluimd en ontvleesd. Dat schedeltje ligt nu gemummificeerd op mijn schrijftafel.

Van in de veranda kan ik het koertje zien. Het kraaienjong gaat op wat gestapelde brokstukken staan en roept weer. Er komt geen antwoord uit de hemel. Ik antwoord vanuit de veranda. Hij blijft roepen, hij is snugger: hij is op een open plekje gaan staan dat goed zichtbaar is vanuit de lucht en hij roept luid om te laten horen waar hij is. Ik blijf antwoorden in mijn slecht imitatie-kraais opdat hij zou blijven roepen. Komaan moeder, waar ben je, je jong kan nog niet zonder je!

In ‘Lijn van wee en wens’ speelt een scène waarin hoofdpersonage Mari een gewonde kauw voor de voeten krijgt. Ze ziet het niet zitten om voor hem te zorgen maar kan hem ook niet aan zijn lot overlaten. Even overweegt ze om hem uit zijn lijden te verlossen, hem te grijpen, haar duimen boven op elkaar op zijn hoge borst te leggen en te drukken, letterlijk zijn snel kloppende hartje te breken. Dat te schrijven alleen al brak mijn hart. De kauw beet van zich af natuurlijk, en eiste op die manier dat Mari voor hem zou zorgen. Op dat moment hield ik veel meer van de kauw dan van Mari.

Ik loop rond het huis om van de andere kant een handje gedroogde meelwormen op het koertje te gaan strooien. Als hij me ziet trekt de kraai zich terug tussen het onkruid achter de veranda maar hij vlucht niet. Hij houdt me in het oog. Tegen dat ik het hele huis weer om gelopen ben en vanuit de veranda ga kijken, heeft hij de meelwormen al gevonden. Hij knipt ze met zijn snavel in stukjes en speelt ze met gemak binnen alsof hij nooit iets anders gegeten heeft.

Als de meelwormen op zijn krijgt hij de kleine vliegjes in het oog die krioelen over de ton die in een drassige plek staat. Hij stapt gewoon in de slappe modder en zakt er meteen tot aan zijn knieën in. Hij heeft moeite om zijn poten los te trekken, verliest af en toe haast zijn evenwicht maar het deert hem niet, hij pikt een vliegje, vindt nog iets in de vieze modder. “… splashing in blood and spinal gunk and shit and piss, unravelling innards, whipping ligaments and nerves about joyous spaghetti tangled wool hammering, clawing, ripping, slurping, burping…” – aaah, Max Porters kraai… “And Crow stands thrilled in a pool of filth, patiently sweeping and toeing remains of demon into a drain-hole.” Hé Max, hé Maxie, wil je niet liever nog wat meelwormen? Ik doe nog eens het ommetje rond het huis met een handvol meelwormen. Ik doe nog een keer of drie, vier het ommetje rond het huis met een handvol meelwormen, blijkbaar heeft Maxie een niet te stillen honger. De jammere consequentie is nu wel dat hij niet langer om zijn moeder roept. Ik doe het hem wel voor maar nu hij zo gul gevoederd wordt, voelt hij blijkbaar niet langer de aandrang. Ik wacht even af.

Hij is zo aandoenlijk nieuwsgierig, plukt aan dode plantenstengels, trekt aan de tuit van een plastic gietertje. Van op de betonnen boord reikt hij naar iets dat hij gezien heeft in de modder, wat leert hij toch snel. Hij gaat op wandel, richting rest van de tuin. Dan hoor ik hem roepen vanuit onze grootste bloemenborder. Ik blijf achter de hoek van het huis staan kijken. Hij is op een oude kruiwagen gesprongen en staat van daar te roepen. Probleem is alleen dat hij onder bomen staat, dus vanuit de lucht niet te zien is. MRÀÀ! MRÀÀ! Ja Maxie, MRÀÀ, jongen!

Dan roept een volwassen kraai terug! KRÀÀ! Jà! Eindelijk! Ze roepen wat over en weer, Maxie en zijn moeder. Af en toe vergeet hij te antwoorden, staat met zijn kopje gekanteld omhoog te kijken. Ik zie geen kraaien over de bomen komen. Waarom komen ze hem niet zoeken? Het blijft weer stil.

Als hij van de kruiwagen springt, spreidt hij wel mooi zijn vleugels en landt zonder ongelukken maar vliegen is het niet. Hij verdwijnt in de begroeiing.

Later zie ik hem terug op het vuil koertje. Veilig omsloten, dat wel, maar hier zullen kraaien nooit landen.

Ik ga nog een handje meelwormen gooien en schuif een schoteltje water op het koertje. Hij zit me van onder de varens aan te kijken, verschijnt pas weer als ik verdwijn. Slimme jongen.

Ook het water heeft hij meteen ontdekt. Zijn drinken is wel nog onhandig, hij probeert met open snavel stukken water te grijpen, vaak heeft hij de rand van de schotel beet, maar hij leert snel, hij hapt water, houdt zijn kop hoog en laat de slok door zijn keel klokken. Hij stapt op de rand van de schotel en drinkt vol overgave. Afstappen gaat nog iets stunteliger. Hij hurkt en laat een witte klets vallen. In zijn schone water natuurlijk.

Het begint te regenen. Dan te hagelen. Hij zoekt geen beschutting, blijft gewoon roerloos staan waar hij staat, de kop wat ingetrokken. Als de bui voorbij is, gaat hij aan de slag om zijn veren te poetsen. Blijkbaar weet hij al hoe dat moet. Af en toe verliest hij wel bijna zijn evenwicht. Alles is oefening.

Het baart me wel een beetje zorgen dat hij zijn moeder niet meer roept. Hij is nog te onvolgroeid om het alleen te redden.

Voor we vertrekken vul ik een schoteltje met meelwormen en schuif het naast zijn schotel water.

Zodra we ‘s anderendaags thuiskomen, ga ik kijken: alle meelwormen zijn op en van Maxie geen spoor. Ik ga het schoteltje aanvullen, zie hem nergens op een van zijn schuilplekjes zitten, zijn donkere oog op mij gericht. Wat is er van hem geworden? Mijn hart zinkt.

Dan hoor ik hem achter de betonplaten, hij moet op een of andere manier in de tuin van de achterburen gesukkeld zijn. Ik roep hem, we roepen wat over en weer naar elkaar. Ik zet een ladder en zie hem op een stapel klinkers staan. Ik roep hem en hij kijkt naar mij maar hij vertrouwt me niet. Hij scharrelt van de klinkers af en naar een hoek met veel onkruid. Ik gooi meelwormen maar er is teveel wind en de meelwormen zijn te licht, ze dwarrelen in het opgeschoten gras, hij heeft ze niet zien vallen.

Maar ik kan hem daar toch niet achterlaten?

Waarom niet? Het is de natuur.

Waarom moet ik toch altijd alles proberen te redden? Heb ik een soort God-complex? Maar dan toch wel dat van de ware god: hij die weet dat hij niet bestaat, dat hij slechts een verzinsel is en compleet machteloos.

God, wat haat ik de onmacht.

Dan hoor ik een volwassen kraai in de lucht! En nog een! KRÀÀÀ! Jàà! Twee kraaien cirkelen boven de bomen rond. Eindelijk hebben ze hun Maxie gevonden! Ik kom de ladder af en trek me terug, kijk en luister vanuit het deurgat. Ze roepen naar elkaar, mijn dappere, kwieke Maxie en zijn ouders! Nu komt alles goed.

Plots ontstaat er een immens kabaal van door elkaar roepende en rondvliegende kauwen en nu ook nog een half dozijn schetterende eksters. Algehele consternatie. Misschien denken de kauwen en eksters dat het kraaienpaar op jacht is naar een van hun malse jongen in plaats van dat ze hun eigen verdwaalde lam komen redden? Maxie is niet meer te horen in de kakofonie. Momenteel misschien maar beter ook, eksters in bende zijn ook geen lieverdjes, hij blijft beter even ondergedoken.

De ouders geven niet op. Ze blijven terugkeren, overvliegen, in toppen van bomen gaan zitten roepen. Dan roept hij terug, MRÀÀ!! – hij moet door een haag in een volgende tuin aanbeland zijn, hij klinkt verder weg dan daarnet – en zij antwoorden onmiddellijk, drie-vier-vijf-zes keer, ze cirkelen rond, ik zie ze naar beneden kijken, zoeken. Waarom komen ze toch niet naar beneden, vraag ik me af.

Het duurt de rest van de dag, het over en weer roepen, het zoeken. Waarom komen ze in hemelsnaam niet naar beneden, ze moeten nu toch wel doorhebben dat hij nog niet kan vliegen? De god die ik ben wil ze godverdomme uit de lucht vissen en in die tuin droppen waar ik Maxie hoor roepen. Heeft hij al iets te eten kunnen vinden of zit hij op zijn honger sinds de laatste van die meelwormen?

In de schemering wordt het stil. Hij is nog niet gered.

De volgende morgen ga ik meteen in het rond luisteren. De kraaien klinken veraf. Soms denk ik dat ik heel in de verte Maxie hoor antwoorden. Hij moet al ergens in de wijk hierachter verdwaald zijn. Hij is dus nog steeds uit de klauwen van katten en honden en roofvogels weten te blijven. Misschien lukt het hem ook wel om een kostje bijeen te scharrelen? En de ouders blijven in de buurt, ze roepen hem. Ik moet geloven dat het goed komt.

De volgende dag hoor ik de kraaien nog steeds. Ik zie ze ook even in de top van een hoge boom zitten, hier misschien een halve kilometer vandaan. Ik verbeeld me dat ik Maxie hoor antwoorden. Ik wil geloven dat het goed komt, dat hij binnenkort zal leren vliegen en dan veilig in de hoge bomen zal geraken, zijn familie vervoegen. En misschien binnen afzienbare tijd hier zal overvliegen. We zullen elkaar niet herkennen.

Mijn zorgend meiske toch, omhelst mijn man me als ik ‘s avonds een beetje moet wenen. Vorige week zag ik een bij sterven en ik herkende er zoveel in dat mijn hart er even van brak. Toen vond ik de dode kauw, die had ik ook niet kunnen redden. Elders pleegde iemand zelfmoord en liet een geliefde kapot achter na een relatie van veertig jaar, ginds werd een baby geboren met de navelstreng rond zijn nekje, werd gered maar kreeg toen nog andere complicaties, straks moeten twee baby’s geboren worden waarvan er eentje nu al niet goed mee kan, het gaat maar door, overal en onophoudelijk, en ik ben een god zonder macht. Dat is het leven, zegt men dan. Maar ik kan alleen maar denken: het leven, dat is de constante dreiging van lijden en sterven en er is geen redding, er is geen God.

Vannacht droomde ik dat Maxie en zijn moeder overvlogen, zij gracieus traag flappend met die brede vleugels, ernstig KRÀÀ roepend, en Maxie achter haar aan, sneller slaand met zijn nog onervaren vleugels, MRÀÀ!MRÀÀ! riep hij naar me en checkte even of ik er nog stond.

Slechts in mijn dromen en mijn schrijven ben ik een God.

de dijen van Christophe Vekeman

Christophe Vekeman klom over een muurtje. In hotpants. Op tv. Het was geen fraai zicht, achterkanten van dijen zijn dat zelden.

Ik werd er wakker van. Ik sjokte naar het toilet, het krimpen der ouder wordende blazen weetjewel. Een paar slokken water om mijn vochtbalans weer op peil te brengen en dan terug in bed. Zoals nooit lukte het deze keer evenmin om dat alles zo sluipend te ondernemen dat ik mijn hersens niet wekte. Mijn hersens zijn als puppy’s: joepie, baasje is wakker!, speeltijd!, achter onze staart aan rennen!, achter mekaars staart aan rennen!, pissen van plezier, bijten om te spelen, bijten voor echt. Enzovoort. Vermoeiend maar valt niet te negeren. Ook niet om 4u20 ‘s nachts.

En dus: Christophe Vekeman in hotpants op tv, over een muurtje klimmend met onappetijtelijke achterkanten van dijen, zei je? Waar haal je het, je hebt nog nooit zijn dijen gezien, misschien heeft hij wel even perfecte dijen als zijn vrouw. Dat doet me eraan denken: dat verkeersbord dat je onlangs op iemands feed zag voorbijkomen – wat was dat, zeg! “Welcome to Amsterdam. WHEN IT’S HOT PLEASE DRESS FOR THE BODY YOU HAVE, NOT THE BODY YOU WANT. THANKS”

OK, puppy’s, dat is een onweerstaanbaar spelletje, ik doe mee!

“De cyclus van de seizoenen heb ik nooit zo kunnen beleven omdat ik in de stad woon, al heb ik altijd oog gehad voor de natuur, of het nou rozen, paarden of vrouwen betrof,” zei de Nederlandse schrijver van dikke romans over Rusland vorige week in een interview in de literatuurbijlage van mijn krant. ‘OMG’ schreef ik ernaast (ja, ik behandel mijn klassieke media weleens als sociaal en geef reacties onder de vorm van emoticons of afkortingen, of als het me echt te gortig is zelfs heelder zinnen in de kantlijn). Ook de jaarlijks herhaalde gelukzalige verzuchting bij het eerste mooie weer van een of andere man over ‘àààh, eindelijk weer zomerjurkjes-seizoen’, doet me mijn ogen zowat uit hun kassen rollen en twee vingers in mijn keelgat steken.

Och, we menen het niet kwaad, mevrouw.

Maar dat bord van Amsterdam is gemener.

Ach, kunt u niet tegen een grapje, mevrouw?

Niet als het ten koste gaat van mensen. En in dit geval: vooral vrouwelijke mensen. (En neen, ik kan niet bewijzen dat Amsterdam vooral vrouwen in gedachten had bij dat luidkeels ‘verzoek’, maar laten we wel wezen en een poes een poes noemen. En als je echt niet mee wil in mijn aanname, ook goed, want ik neem het in deze ook op voor de dijen van Christophe Vekeman.)

Serieus nu: wie zich nu nog niet bewust is van de verregaande schadelijke gevolgen van de male gaze, reclamewereld, rolmodellen in populaire media, selfiecultuur op sociale media enz etc op het zelfbeeld van (vooral) meisjes van moment van bewustwording tot aan hun dood, die is al vele decennia niet van onder zijn steen gekropen.

Er is niets grappigs, ik herhaal: NIETS GRAPPIGS, aan een groot bord in het straatbeeld waarop in koeien van letters staat dat als je niet aan het huidige schoonheidsideaal kunt voldoen, je verzocht wordt je aanstootgevende lichaamsdelen te bedekken. Een bord dat ook voetstoots aanneemt dat iedereen vanzelfsprekend het lichaam wil dat het huidige schoonheidsideaal voorschrijft. Neen, zo’n bord is geen onschuldig grapje. Zo’n bord zegt: je bent enkel welkom als je voldoet aan onze normen en onze normen zijn die van een saaie conservatieve samenleving, die heult met de dictatuur van de mal, de pasvorm, het korset.

Ik zeg: leve de ongegeneerd luchtende dikke enkels, zwartbehaarde melkflesbenen, ossenknieën, cellulitis-dijen, zwabberbillen, love handles, spekvetbuiken, hangtieten, lillende bovenarmen, vette nekken. Leve de ongegeneerd luchtende arm- of beenstompen, rolstoelstokkebeentjes, horrelvoeten, groteske gezwellen, littekens, misvormingen of wijnvlekken. Wie het niet kan aanzien, bedekt maar zijn ogen. Of blijft thuis.

Ik wou dat ik het lef had om in de enige kleren die ik in een hittegolf verdraag, het huis uit te gaan, met dikke buikbanden en armen en dijen en knieën en kuiten en enkels en al. Bravo aan zij die uit het hok van de afgewezenen, ongewensten, bespotten, verworpenen, onbegeerlijken waarin ze sinds hun kinderjaren opgesloten werden, hebben weten te breken. Bravo aan zij wie het geen hol kan schelen wat andere mensen van ze denken.

Sara Maitland, schrijfster van een van mijn lijfboeken, ‘A book of silence’, verscheen in een tv-interview met een kin en bovenlip vol wollige witte haren. Ik houd mezelf voor dat het nooit te laat is om te beginnen met moedig zijn. Misschien stop ik op een dag wel met de amper waarneembare haartjes die reeds af en toe op mijn kin verschijnen, uit te snokken en kweek ik mezelf een zacht wollig baardje waar ik dan zwijgend en wijs glimlachend over kan strijken.

En aan Christophe Vekeman wens ik alle vrijheid voor zijn dijen, hoe ze er ook uitzien. Hotpants en cowboy boots, Christophe!

ik leer dat elke dag gered kan worden

Doorheen de dag glijdt de zon van over mijn linkerschouder op traagzame weg om achter de bomen onder te gaan. Zo halverwege moet ik mijn kampeertafeltje een meter achteruit schuiven omdat mijn papier me verblindt. Een halfuur later neemt de zon de bocht van de bomen en kan ik weer een bank vooruit.

Van waar ik in het gat van de openslaande vensterdeuren zit heb ik onbelemmerd zicht op het middelste stuk van de tuin. Zonder een vin te verroeren kan ik drie rozenbogen zien, waarvan er een al grote fuchsiaroze rozen als van verfrommeld crêpe-papier draagt. Ik weet dat ze naar zeep ruiken. Voor me spreidt zich een bultig hoogpolig tapijt in tropische kleuren uit. Knalgele dotten hollandica-irissen en flarden baardiris in twee tinten koninklijk paars, uitgestrooide bollen elektrisch lila sieruien, botergele toefjes viooltjes, zalmroze klodders papaver, een vurige kwak nagelkruid die nu, kijk, net nu, op dit eigenste ogenblik, in een plas zon ligt, en pointillistische bloemhoofden in helder limoengroen van de wolfsmelk, en een teer roze toorts lupine, en een witte voile fluitenkruid, en koraalroze toetsen spoorbloem, en links de showstopper van het moment: de vlinderstruik met de explosie geeloranje knikkers en op elke knikker een gretige hommel. En dat alles op een ondergrond van groen in talloze tinten en bladvormen.

De bovenste helft van mijn kader is gevuld met stukken van een tiental bladerloze bomen, geen kader is groot genoeg als je zo dicht bij hoge bomen zit. Ze zetten mijn werkplekje in een groen onderwaterlicht.

Heel af en toe waait een windvlaag een deurdeel dicht. Een laag glas komt tussen mij en mijn uitzicht en er gaat iets dicht in mijn hoofd. Dan moet ik opstaan en over het tafeltje heen hangen om de deur een duwtje te geven.

Maar ik zit hier niet voor het uitzicht.

Er was me gevraagd of ik een werk van een Amerikaanse schrijver en een Vlaamse fotografe wilde vertalen. 5000 woorden in drie dagen, of het konden er ook 7000 worden, dan kreeg ik een dag voorsprong. Een opdracht met een krappe deadline maar het zou een aardig centje opleveren. Het was een uitdaging en een goede oefening. Vertalen is misschien wel de beste oefening voor schrijvers met woordvindingsproblemen. Vanuit je eigen particulier ontwikkeld taalgevoel verplaats je je zo goed en zo kwaad als je kan naar dat van een collega, en je spontane herformuleringen toets je af aan woordenboek en thesaurus , als een spons zuig je taal op.

Ik keek ernaar uit.

Ik maakte mijn agenda vrij voor die week en bereidde me voor (ik heb me nooit kunnen ontspannen in het aanschijn van een deadline) op enige stress.

En plots werd het zomer. Ik schoof ladder en verfpotten in onze bibliotheek-in-spe aan de kant, klapte ons al jaren niet meer gebruikte kampeertafeltje open en pootte er een ijzeren terrasstoel neer, schoof ook nog een bistrotafeltje bij voor de laptop en gooide de tuindeuren open. Ik hoefde dit mooie weer niet te missen.

Ik hou van die dagen met open deuren en blote voeten. Alles voelt ongecompliceerd.

Ik ging met de print van het eerste hoofdstuk, mijn woordenboek, een blocnote en potlood en slijper aan het kampeertafeltje zitten en begon.

Na afloop verfde ik nog wat verder aan deur en raamkozijnen.

Ik wachtte op het tweede hoofdstuk.

Ik plukte boeketjes, plantte een handvol rozenstruiken, deed de vaat. Wachtte af of andere mensen hun beloftes zouden houden.

Ik timmerde twee planken boven op een oud trapladdertje om er een voederplank van te maken zodat wij deze zomer niet elke dag voor het eten vogelkak van de terrastafel moeten schrobben. Ik verspeende wat zaailingen en nam wat stekjes van tuinplanten.

Ik leerde dat ik er niet van houd om voor het plannen van mijn werk zo afhankelijk te zijn van onvoorspelbare anderen.

Ik vertaalde nog een hoofdstuk, balancerend op het slappe koord tussen respect voor de tekst en zijn auteur, en de mooist mogelijke Nederlandse tekst te maken. Die ook goed moest klinken, temeer daar het een audiotekst voor bezoekers van een tentoonstelling moest worden.

Er diende telefonisch overlegd te worden. Het mocht allemaal wat vrijer, ik hoefde niet zo dicht bij het origineel te blijven.

Ik leerde dat ikzelf niet gediend zou zijn van een vertaler die zich zo’n vrijheden zou permitteren met de zo weloverwogen formuleringen in mijn werk. Ik leerde dat niet elke schrijver zijn zinnen beschouwt als secuur gezette edelstenen.

De mails werden een thread.

Ik begon elke dag met yoga, zoals ik al doe sinds de eerste dag van dit jaar. Hoofd en hart en bekken op één lijn. Ik leer dat de beste weg naar mijn geest via mijn lichaam loopt. Het maakt me een beter mens. Ik leer de dingen beschouwen als een leerproces. Ik leer dat elke dag gered kan worden.

Ik vertaalde, tikte uit en verzond, las mails en stuurde mijn antwoord naar allen. Ik leerde dat ik samenwerken in de literatuur lastiger vind dat alleen werken. Ik leerde dat dat niet voor iedereen geldt. Ik leerde dat ik in de toekomst alleen nog afgewerkte teksten wil vertalen.

Nu bleek buiten mijn weten om ook nog een andere vertaler ingeschakeld als controle. Ik leerde dat ik niet houd van dergelijke verrassingen. Ik leerde dat persoonlijke voorkeuren van formuleringen blijkbaar beschouwd kunnen worden als het betere alternatief. Ik leerde dat ik er niets voor voel om in debat te gaan over mijn vrijgevochten taalgevoel. Ik leerde dat waar ik voet bij stuk zou houden in mijn eigen schepping, ik andermans creatie relatief probleemloos kan loslaten. Ik leerde dat vrijheid iets anders is. Ik leerde dat ik toch liever in mijn eigen teksten rondwaar dan in die van een willekeurige ander. Ik weet allang dat vrijheid mijn hoogste goed is.

Na het werk wandelde ik door de tuin om mijn murwe zinnen te verzetten. Weer vrij te maken. Ik dronk een biertje met mijn wederhelft in de luwte van de avond, in onze luie tuinstoelen en met onze blik op de blauwe lucht om de voorbij scherende gierzwaluwen te volgen.

Elke voormiddag gooide ik de tuindeuren open en ging aan het kampeertafeltje zitten met de nieuwe prints en een flesje water. Verdorde blauweregenbloempjes waaiden binnen. Ik begon mijn eigen excentrieke taal meer en meer te missen.

Ik had het getroffen. Dit was de dag dat de kauwenjongen uitgevlogen waren. Er was een ononderbroken luidruchtig en druk getsjalk in de oude bomen, ik zag zwarte schaduwen door het groene zonlicht tuimelen.

Toen ik een hoofdstukje af had, beloonde ik mezelf: ik moest de jongen zien.

Zodra ik onder de bomen stond begon het schelden, een verongelijkt laag en lelijk krassen, als van kwaaie kraaien. We hebben altijd aangenomen dat het de ouders waren die ons uitscholden, die ons met veel kabaal wilden wegjagen van hun pas uitgevlogen jongen. Dat is wat ouders doen. Met mijn hoofd in mijn nek zag ik tientallen ouders en jongen rondgaan door de boomtoppen. De jongen hupten wat van tak naar tak, fladderden verwoed bij het landen, vlogen als harkerige leerlingdansers buiten de bomen om. De ouders zeilden feilloos en gracieus door de smalle ruimtes tussen de takken en riepen hun vrolijk schelle getsjak. Het waren de jongen die zo lelijk schreeuwden. Ik vergiste me niet, daar zat er een heel zichtbaar, hij was net met veel stuntelig gefladder geland, en bij boog zijn slanke kopje naar beneden, naar mij, schold me vierkant uit. Andere vogeljongen leren zich heel stil te houden als er gevaar dreigt, kauwenjongen geven dus meteen luidkeels misnoegd alarm. Heerlijk vind ik dat.

De kauwen bleven in de hoogste regionen van de boomkruinen, mijn nek begon pijn te doen. Ik baande me een weg door het onkruid, veegde wat er zoal uit de bomen valt van de zitting van de schommelbank en ging liggen, van kop tot kont paste ik net, mijn voeten plantte ik op de armleuning. De schommelbank wiegde nog wat na en al wat ik zag was dansende en deinende boomkruinen van onderuit, van binnenuit. In het mooiste groene onderwaterlicht dat er bestaat. En daarin mijn favoriete lawaaierige vogels.

Ik realiseerde me hoe gelukkig ik onlangs geworden ben.

Nee, het is niet dat vanzelfsprekende geluk van weleer, dat bestaat al tien jaar niet meer. Het is een met grote aandacht en zorg opgebouwd bewust genieten. Een hoge en diepe en weidse extase waar ik met slag en stoot en blutsen en builen ruimte voor heb uitgehakt. Het is een zelfgeschapen paradijselijke ruimte voor dankbaar bewustzijn. Voor vol vertrouwen leren en evolueren. Voor dagen die verrassingen en geschenken zijn en voor nachten zonder zorgen.

Vanuit die extase wil ik schrijven.

Die 3777 brave woorden zijn niet van mij. Deze 1460 zijn dat wel.

Ik duwde me af voor nog een duizelingwekkende bomendans.

op straffe van onzichtbaarheid

Terwijl ik in wijdheupse ganzenpas door de tuin waggel om handmatig duizenden esdoornzaailingen weg te wieden, een activiteit die ik ten zeerste kan aanbevelen om jezelf terug te brengen tot bescheiden afmetingen en ondertussen te luisteren naar de vogels en de wind die iets voorspelt, al moet je natuurlijk niet overdrijven want voor je het weet heb je jezelf een lumbago gewaggeld en brengen de ontstekingsremmers je nederigheid nog verder terug tot je nog slechts één grote maag- en darmkramp bent, een staat die ik ten zeerste kan afraden, maar waar was ik gebleven, o ja, in wijdheupse ganzenpas waggelend door de tuin, onderweg boompjes in de kiem uittrekkend, een boom met mezelf opzettend (hahahilarious) over waarom ik me zo geërgerd had aan dat interview dat Mark Schaevers afgenomen had van Niña Weijers.

Ik las Niña Weijers’ boeken graag. Ik wist niet dat er een nieuw staat te verschijnen. Ik wist ook niet dat ze zwanger was maar dat interesseert me minder. Of het zou moeten zijn dat daar goede literatuur van komt, van die zwangerschap.

De titel van het interview (‘Ik ga Arnon duidelijk maken: hé, rotzakje, je wordt wel vader, niet een rare grote broer’) had me wijzer moeten maken, toch las ik verder, in de hoop iets te weten te komen over het boek. Of over het schrijven. Als schrijvers toestemmen met interviews denk ik nog altijd dat ze daar iets zinnigs over te zeggen hebben.

De meeste vragen begonnen als volgt: “Niet zo lang geleden citeerde je in een column…”, “In 2015 zei je…”, “Arnon schreef voor het eerst over jou in een stuk in Het Parool…”, “Arnon koos na enkele weken van verliefdheid voor jou, en schreef over zijn dilemma…”, “Je hebt nooit spijt gehad in de liefde, zei je eens in een interview…”, “De al te opdringerige vraag of Arnon als minnaar meevalt, hoef ik gelukkig niet te stellen. Die heeft hij je al laten beantwoorden in een interview…”, “Nog maar een maand of negen geleden noemde Arnon in de krant…”, “Arnon noemt zichzelf voortdurend ontsnappingskunstenaar, en jij merkte in een interview ook al op…”, “Over Arnons aanstaande vaderschap ging het uitgebreid in een recente podcast…”, “Nog een quote van Arnon:…”, “Ik overval je niet met slecht nieuws als ik ook nog meld dat hij in die podcast liet weten…”, “Ik las in de krant dat Arnon…”, “Mag ik nog je gelukscore weten? Arnon heeft die bij het begin van de zwangerschap ingevuld…” enz etc.

Ben je nog goed bezig als schrijver als je in interviews niets anders te doen hebt dan beamen, weerleggen, nuanceren, bijsturen wat je (of, godbeware, je geliefde die toevallig ook schrijver is) eerder al ergens zei of schreef?

Er is een essay van P.F. Thomése, ‘Antischrijver’ heet het, waar ik regelmatig uit citeer omdat ik het niet beter kan formuleren dan hij hier al deed:

“De maatschappelijk geslaagde schrijver – dus degene die zichzelf als personage heeft gevestigd – heeft afscheid genomen van de mogelijkheden. Hij heeft gekozen. Hij is geworden wie hij is en zal zichzelf moeten blijven nadoen op straffe van onzichtbaarheid. De onzichtbaarheid die hij nodig heeft om te kunnen schrijven, maar dat is hij vergeten. Hij schrijft voortaan om succes te hebben en daarvoor moet hij zich blijven laten zien. [..] Hij plaatst zichzelf voor zijn tekst, reduceert deze tot een attribuut van zijn rol. De tekst – waar het om gaat, zeg ik er voor de zekerheid bij – wordt ondergeschikt aan zijn performance als schrijver op het podium van de actualiteit. Zodra een schrijver zijn boeken begint te overvleugelen, kun je stellen dat het voorbij is; dan worden zijn romans de accessoires van zijn beroemdheid, die tot doel op zichzelf is geworden en die een nieuw boek alleen nog nodig heeft om zich in de herhaling te kunnen bevestigen.”

Tja, zo is onze tijd nu eenmaal… Arm schrijvertje dat zich moet onderwerpen aan de machinaties van dit tijdperk van meedogenloze dwang tot zichtbaarheid.

O ja? Ben je als schrijver dan echt zo machteloos?

Ik wil een lans breken voor de vriendelijke weigering.

Een paar dagen geleden werd me gevraagd of ik een week de column ‘De mening’ voor de digitale avondeditie van De Standaard wilde schrijven. “Het gaat om een dagelijkse rubriek, waarin u reflecteert of liever opinieert over de actualiteit.” Nu zie ik niet waarom mijn mening interessanter zou zijn dan die van de volgende mens aan de toog (jaja, pre-pandemische beeldspraak), bovendien ben ik meningenmoe, maar bovenal: ik schrijf niet over de actualiteit, ik schreef een kortverhalenbundel en een roman die zich allebei afspelen op fictieve plekken en in tijden waarin niets van actualiteit doordringt, en mijn volgende roman speelt zich af in de jaren ’30 en ’60 van de vorige eeuw.

Ik heb vriendelijk geweigerd.

Ik weiger voor mijn werk te gaan staan. Mijn plaats is, onzichtbaar, achter mijn werk.

“Geachte aanwezigen,” opent Thomése zijn essay, “De schrijver is in toenemende mate iemand geworden die de schrijver vertolkt, in interviews, in tv-programma’s, in theaters, op festivals, bij allerlei gelegenheden eigenlijk, en als hij tijd overhoudt zelfs thuis aan de schrijftafel. [..] De schrijver is een personage geworden. Een figurant in het doorlopende verhaal dat ‘actualiteit’ wordt genoemd en waar deze figurant zo graag zijn kleine bijdrage aan wil verlenen. [..] Ooit bleef de schrijver verborgen in zijn eigen verhalen, kon je zelfs niet vaststellen of hij dood was of dat hij leefde. Een onzichtbare was hij, spoorloos opgegaan in de woorden die hij schreef.” En dat hij daar heimwee naar heeft, schrijft Thomése.

Ik ook.

Er werd me gevraagd of ik een stuk wilde schrijven over een uitstervende soort. Ik schreef over de nachtzwaluw. Hoe zijn onzichtbaarheid altijd zijn bescherming was. En nu niet meer. Ik laat mijn stuk eindigen met het uitsterven van de mens. En met de hoop dat voor de nieuwe levensvorm die daarna zal ontstaan onzichtbaarheid andermaal een bescherming mag zijn. Een proeflezer merkte op dat ik het over mezelf had.

brave stille magiër

Marsmannetjes hebben vannacht mijn moeder van haar bed gelicht.

Dat was hoe mijn vader het vertelde.

Het moet beangstigend zijn geweest. Wakker gemaakt worden door van kop tot teen zwaar ingepakte onherkenbare figuren die je stante pede willen meenemen.

Mijn moeder is vijfenzeventig en zeer broos geworden. Ik heb haar al meer dan een halfjaar niet gezien.

Ruim twee weken geleden stond mijn vader in de douche toen hij een zware bons hoorde. Het was al niet meer de eerste keer dat mijn moeder zwaar ten val kwam. Ze heeft bloeddrukproblemen, een onbetrouwbaar hart, dun bloed en een door pijnstillers uiterst teer geworden huid – als ze valt zijn de gevolgen meestal groot en het genezingsproces traag.

Een eerste hersenscan toonde dat alles OK was, een tweede dat ze een hersenschudding had, een derde dat ze twee kleine bloedingen had, een die wellicht de oorzaak was van de val en een als gevolg. Intussen was ze al met spoed geopereerd aan de inwendige bloeding in haar onderbeen die haar huid op barsten zette. Een snede van enkel tot knie, vierendertig krammen, een zwart afstervende huid en veel pijn.

Mijn moeder is chronische pijnlijder. Mijn liefste kind had afschuwelijke pijnaanvallen tot op de laatste dag van haar leven. Als er iets is waar ik kapot van ga, is het anderen pijn zien of weten lijden. De gekmakende machteloosheid. Mijn liefste kind was al kapot geboren, mijn moeder is kapotgegaan aan het leven. Mijn liefste kind dat elke pijnaanval als een razende bevocht, was en is nog steeds mijn grootste voorbeeld, mijn moeder die zichzelf zoveel geweld heeft aangedaan dat haar lichaam zich tegen haar keerde, was altijd en is nog steeds mijn grootste schrikbeeld. En elke pijn die ze oploopt bovenop de pijn die ze al zolang moet lijden, is ondraaglijk voor me. En al mijn razernij is machteloos. Ik kan niets anders doen dan de razernij zo goed mogelijk verbergen als ik haar bel, kaarsjes voor haar branden omdat ze daarin gelooft, haar kaartjes van bloemen sturen, en bloemen uit de tuin, en gehaakte bloemen… het zijn machteloze pogingen haar lijden te verlichten.

Mijn volgende boek wil ik opdragen aan haar. Ze leest mijn boeken niet maar ze zal wel die opdracht lezen als ik de bladzijde voor haar opsla. Ik heb het haar nog niet verteld, ik heb het nog niemand verteld, ik wil haar ermee verrassen. Gisteren, aan de telefoon, kwam ik even in de verleiding. Ze hoopte zo hard dat ze vandaag naar huis zou mogen. Maar als ik het haar niet zou vertellen, als ik het niemand vertelde, dan zou ze zeker nog de jaren dat het duurt eer het boek af is, (relatief) gezond en wel blijven. Magisch denken. In tijden van machteloosheid val ik terug op mijn magische krachten: als ik zus doe, dan zal zo niet gebeuren. En een brave en stille magiër wezen, het noodlot niet tarten.

Ik werd gisteravond door een bibberige angst gegrepen. Het was al te lang dat ik mijn moeder niet meer gezien had… wat als ik haar nooit meer zou zien? Maar ik knipperde de tranen weg, ik moest een brave stille magiër blijven, het noodlot niet tarten.

Zo spartel ik ook al een jaar braaf en stil thuis rond. Niet alleen voorbeeldig in isolement en al mijn dierbaren op het hart drukkend geen risico’s te nemen, maar ook alle razende machteloosheid verbergend, niet publiekelijk te steigeren over de ontregelende maatregelen, er zelfs zo weinig mogelijk over te praten, schrijven, lezen, luisteren… als ik maar het hoofd gebogen houd, de wijsvingers in de oren geduwd, en stilletjes voor me uit zing, dan zal het onheil voorbijtrekken zonder mij en de mijnen te treffen. Ik ben het magische kind, de handjes voor het gezicht geslagen, mezelf overtuigend: niemand ziet me.

En nu is mijn moeder, mijn voorbeeldig geïsoleerde, broze moedertje, gezien. Wat kan ik doen om het onheil af te wenden? Als ik haar vertel dat ik mijn boek aan haar opdraag, blijft ze dan leven?

het vuur in andere mensen. over de coup de foudres van een boekenmeisje

Zelf een vurig mens word ik gesmoord onder het deksel van koele mensen en vlam ik op van het vuur in andere mensen.

Er is een cultuurprogramma, Denderland genaamd, op het tv-kanaal Eclips TV, en mijn favoriete rubriek is helemaal aan het eind van de vrijdagavond: CULT, een uniek kwartiertje literatuur is dat. Passioneel boekenmeisje Melissa Giardina zit thuis tussen haar boekenkasten en vertelt de kijker over haar meest recente coup de foudre. Melissa is een letterenveelvraat zoals ik er een ben. Net als ik kan ze kop over kont verliefd zijn op een boek, net als ik wil ze haar liefde dan met zoveel mogelijk andere lezers delen, de lezers aansteken, hen een fantastische leeservaring op een dienblaadje presenteren: toe, tast toe, je moet eens proeven, je hebt nog nooit zoiets heerlijks gelezen! En dan leest ze je een stukje voor, om je te laten proeven, ze laat het over haar tong rollen en je proeft het: ojà, ik wil dat hele boek verslinden!

Veel meer dan door lange analytische cerebrale stukken in ronkende termen, word ik aangestoken door lezers die vol zijn van een boek en je daarover willen, wat zeg ik, MOETEN!, vertellen. En Melissa ís aanstekelijk in haar coup de foudres. Zoals ik namasté terugfluister naar Adriene aan het eind van onze yoga sessies, zo glimlach ik terug naar Melissa als ze aan het slot van CULT knipoogt ‘tot volgende week’.

Komende vrijdag is CULT de 250ste Denderland-aflevering. Niet alleen feest voor Denderland maar ook voor mij want Melissa’s nieuwste coup de foudre is mijn roman ‘Lijn van wee en wens’! Toen Melissa me dat liet weten, was dat als een schietstoel naar een hogere verdieping van de hemel waar ik nu al een paar maanden spelevlieg door alle enthousiaste lezersreacties en recensies die ik al mocht ontvangen. Maar gisteren stuurde ze me het nog ongemonteerde filmpje door en dat was geen schietstoel, dat was… ach, laat maar, ik vind geen metafoor. Ik heb meer woorden nodig, laat het me even wat omstandiger beschrijven?

Melissa zit tussen haar dichtgestapelde boekenkasten, aan haar rechterkant een ware boekenwand, achter haar een halfhoge boekenkast die nog wat licht binnenlaat uit een trapgat daarachter. Het zijn levende boekenkasten, elke CULT-aflevering zijn er wel andere stapeltjes te zien. Ik probeer altijd ruggen te lezen, ik wed dat elke lezer dit doet. Deze keer zie ik veel Claus-ruggen, vorige week was hij 13 jaar dood en las Melissa een gedicht voor dat je deed blozen van opwinding.

Als Melissa mijn mooie Spilliaert-groene boek oppakt, zie ik het vergulde afgeplatte uiteinde met gummetje van een Palomino Blackwing van tussen de bladzijden uitsteken. Alles wat ik schrijf, ook alle versies van ‘Lijn van wee en wens’, ook dit blogstukje, schrijf ik met Blackwings.

Als Melissa benadrukt dat mijn boek over liefde gaat, vooral liefde, en mij daarmee zo blij maakt want ‘Lijn..’ is niet alleen een rouwboek maar ook een verhaal van de liefde die alles overleeft, duikt in het trapgat achter haar het kopje van haar geliefde zwarte kat op. Melissa legt haar hand op haar hart om in het kort de verhaallijn te vertellen en achter haar komt de geliefde kat de trap af.

Wat me wederom blij maakt is dat Melissa zegt dat het kauwtje Jakke een heel mooi personage is, want dat is hij, hij is geen attribuut, geen accessoire, hij is een volwaardig, belangrijk personage.

En dan leest ze voor, een van mijn favoriete passages: hoofdpersonage Mari en de gewonde Jakke zitten opgesloten voor de nacht in een kerk, Jakke valt uit een raampje van de klokkentoren en Mari is ervan overtuigd dat hij te pletter geslagen is en ze kan niet naar hem toe. Ze gaat zich bezatten aan miswijn en schrijft een vlammende preek tegen de geloofsgemeenschap. Melissa leest de passage vol vuur voor, je hoort Mari’s pijn en woede en verachting en verlangen in haar stem, ze slaakt Jakke’s alarmkreet, ze zingt voor een lege kerk… en ik word getuige in plaats van maker van dit verhaal, ik zie Mari, ik hoor Mari, ik voel Mari, Mari is sinds haar schepping nooit zo zichtbaar geweest, zo levend buiten mijn hoofd, het gevoel is onbeschrijfelijk! En ik ken de prachtige finale van deze scène, ik heb ze zelf geschreven, maar toch kruipt het kippenvel over mijn lijf als Jakke weer ten tonele verschijnt, TCHAK! doet Melissa Jakke na en heel haar gezicht gaat open van vreugde bij het zien van Jakke en de tranen springen me in de ogen, daar is hij! ‘daar ben je! je lééft nog!!’ Heel die slotscène blijft Melissa’s gezicht stralen van Mari’s blijdschap en ik kan me geen mooier bewijs voorstellen dat mijn verhaal echt lééft, dat Mari en Jakke echt leven. Die kleine onbewuste beweging die ze maakt – ze trekt haar linkerschouder even op als ze leest over Jakke’s herstelde linkervleugel – is de meest ontroerende beweging die ik sinds de geboorte van mijn boek zag: een lezer die zich even Jakke waant. Ik ben een gelukkige schrijver.

Lees. Dit. Boek. Zegt Melissa met vurig flitsende ogen.

Dan knipoogt ze naar me en ik kan haar wel kussen. Ik ben een dankbare schrijver.

Praktisch: CULT, komende vrijdag 26 maart om 23.35 op Eclips TV, en later ook op Youtube, over ‘Lijn van wee en wens’ van Caro Van Thuyne bij Uitgeverij Koppernik

groeten uit het bardo

1 maart is een perfecte dag om los te laten!

Met een simpel zinnetje als dit: “Ik wens je te bedanken voor de jaren van professionele inzet voor de kinderen en de werking en veel succes op je pad!” is er een streep getrokken onder een kleine dertig jaar als gedreven zorgende.

1 maart is een perfecte dag om bruggen boten en al die treurnis in de fik te zetten! Hoogtijd voor blijheid! Ik heb dertig jaar van mijn leven gegeven gegooid geofferd aan dat idealisme en de kinderen waren elke minuut waard maar het beleid heeft me uitgewrongen gedwongen opgebruikt en weggegooid dus hé, laat ik voorbij de laatste twijfels grinnikgiechelen barsten van het lachen huppelen springen zingen en brullen: hoogtijd voor blijheid! Het is nooit te laat om op te springen en te

GAAAAAAAAN!

Wel, ik hang nu nog tussen de twee…

… ik zal geen Disney-prinses meer spelen om die sloeber in zijn rolstoel aan het lachen te maken, ik zal geen zwaarlijvige rondborstige hevige treze meer op schoot nemen om keppe te doen en het te laten ontsporen in uitgelaten trekken en sleuren aan mekaar, ik zal niet meer de slappe lach krijgen als het een liever lui dan moe kind niet lukt uit bad te kruipen en gieren tot ze zelf ook stopt met zagen en klagen en begint mee te giechelen, ik zal niet meer in slow motion wegrennen voor het ventje dat zijn stappen moet oefenen, ik zal niet meer een hele wandeling lang hand in hand kinderliedjes zingen met een opgeschoten slungel, ik zal niet meer stoeien met een wild kind op een waterbed, ik zal geen kinderen meer met veel show aanmoedigen en al hun flauwe mopjes onvermoeibaar meespelen, ik zal geen kinderen meer animeren motiveren prijzen plezieren kietelen knuffelen dragen wassen verschonen voeden strelen instoppen aan het lachen maken bevestigen zichzelf laten zijn hun beste zelf laten zijn… ik zal ze zo missen…

… en mijn toekomst is nog zo onzeker…

… ik hang nu tussen die twee, dat afgesloten verleden en deze onzekere toekomst, dit is het bardo maar hé, dit is de plek om los te gooien wat vast zat dit is de tijd om te dansen zonder te denken aan ritme of voeten – hoogtijd voor blijheid! Het is nooit te laat om op te springen en te gààn – de mistroostigheid buiten te schoppen de zwaarmoedigheid buiten te schoppen slecht nieuws te verscheuren spiegels neer te halen muren neer te halen trappen af te breken vloeren uit te breken het hele huis af te branden straten plat te branden alles in de fik laaiend rood laaiend gaat mijn hele wereld op in vlammen en ik gooi mijn hoofd in mijn nek en kus het allemaal vaarwel!

Het is 1 maart en in het bardo komen de eerste nieuwe ideeën komen de eerste nieuwe voorstellen de eerste nieuwe projecten de eerste nieuwe vooruitzichten, het is 1 maart en het is een perfecte dag om los te gaan uit de bol te gaan al mijn zorgen te vergeten het leven en alles dat me doet huilen – hoogtijd voor blijheid! Het is 1 maart en het is een perfecte dag om dromen te doen uitkomen om groot te denken en alles te doen wat ik nog wil doen – hoogtijd voor blijheid!

(vrij naar ‘Doing the unstuck’ van The Cure)

keihard spelen

Ik haat voetbal. Ik heb een godsgloeiende hekel aan alles wat met voetbal te maken heeft. De stadionherrie, de commentatoren, de slechte en blikkerige muziek, dat heen en weer stampen van die onnozele bal, de geniepige agressie, de degoutante bedragen die rondgaan en wat de voetballers ermee doen, de hooligans, de ellenlange analyses, echt àlles – gaat de radio of TV aan op een voetbalmatch dan ben ik op stel en sprong in de hoogste staat van ergernis.

Maar toen Maradona eind november stierf bleef ik in de zetel hangen bij elke documentaire over hem waar mijn man naar keek.

Afgelopen week verscheen mijn tweede boek, ‘Lijn van wee en wens’, mijn romandebuut. Deze keer geen feestelijke boekpresentatie in een van vrienden en andere lezers, lofredes, bier en adrenaline volgelopen boekhandel natuurlijk maar mijn uitgever had coronanegatief getest en mocht dus de grens over om in knuffelcontactenkring te vieren. Hij bracht mijn doos boeken (ze zijn zo mooi, mevrouw, ze ruiken zo heerlijk, meneer!), boeketten tulpen in mijn lievelingskleuren, blokken kaas en flessen bier… en woorden van lof. Mijn uitgever is ook mijn redacteur en ik noem hem mijn toptrainer, hij drijft me tot hoogtes die ik zonder hem niet zou springen maar ik ken hem niet als de man van expliciete bewierokingen. Voor deze gelegenheid nu – ons eerste boek samen – nam hij er uitgebreid de tijd voor en ik wist niet hoe te reageren. Misschien was dit nu wat mooie meisjes voelen als hun schoonheid bejubeld wordt? Schrijftalent is toch ook maar een gave die je zomaar meekrijgt net als schoonheid of een bijzondere stem of hoe lang of kort je bent?

En hier komt dat korte opdondertje met de hoge schouders me weer van pas.

Iedereen kent natuurlijk de beelden van Maradona die zich opwarmt op de muziek van die afgrijselijke oorwurm van dat belachelijke bandje Opus, maar voor mij was het de eerste keer dat ik ze zag, in die dagen na 25 november. Maradona in wit sportbroekje en te groot regenjack met een touw rond zijn middel geknoopt en de mouwen opgestroopt, met losse veters en in lange kousen tot aan de knieën en dat dik zwart nektapijt dat meewipt op de muziek. Dat stevige stiertje van een meter vijfenzestig hoog dat de bal balanceert bovenop zijn voet, bovenop zijn hoofd, dansend en huppelend op de muziek zonder dat die bal van zijn hoofd rolt. De bal botsend van knie naar knie, van schouder naar schouder, dansend met de bal botsend op zijn voorhoofd, ja, het is totale beheersing maar het is nog iets anders. Het is spelen. Je ziet de andere voetballers braaf hun vaste trainingsoefeningen doen en achter hen zie je Maradona dansend met de muziek zijn eigen variaties van de oefeningen doen. Ik zie het spelende jongetje. Ik zie het kind op een stoffig veldje in zijn sloppenwijk van Buenos Aires op precies dezelfde manier spelen met zijn bal, eindeloos oefenen in het beheerst schoppen en koppen en balanceren, diezelfde totaal ontspannen onzelfbewuste uitdrukking op het gezicht, zonder er ooit genoeg van te krijgen, omdat het nu eenmaal het fijnste is wat er is, spelen tot het donker is, en de volgende dag opnieuw. Het is in totale ernst keihard spelen, na dertig jaar met nog even volle overgave.

Afgelopen woensdag deelde illustrator Tom Schamp in de Standaard zijn 5 levenslessen met journaliste Ines Minten. De vijfde was: talent bestaat (of toch latent). Hij zei dat aanleg wel degelijk een rol speelt. “De baby die zelf naar een bal grijpt, zal later meer zin hebben om te voetballen. Als je balgevoel hebt, zal het leuker zijn en zal je het meer doen, waardoor je beter wordt. Talent heeft dus ook iets te maken met de weg van de minste weerstand. Ik geloof daarom ook minder in het motto van de selfmade man die beweert alles te bereiken door elke dag keihard te werken. Het lijkt me beter om iets te doen wat je niet het gevoel geeft dat je je er elke dag alleen maar voor moet uitsloven.”

Vandaar komt dus mijn gêne: schrijven is voor mij geen sloven maar spelen dus waar zou dan mijn verdienste moeten zitten? Het is mijn weg van de minste weerstand. Het is zonder er ooit genoeg van te krijgen, omdat het nu eenmaal het fijnste is wat er is, spelen tot het donker is, en de volgende dag opnieuw. Het is in totale ernst keihard spelen, na dertig jaar met nog even volle overgave.

En na keihard trainen is er nu deze eerste roman. En waar het me moeite kost om fier te zijn op iets als schrijftalent, ben ik moeiteloos trots op mijn boek. En dat geeft alle adrenaline die ik nu verlang.

de laatste dag, de laatste nacht, de eerste dag

Ik was alweer weken moeizaam aan het waden.

Tot ik.

Zoals elk jaar.

Uiteindelijk.

Stilstond.

Vlak voor de laatste dag, de laatste nacht, de eerste dag. Stilstaan, zelfs al is het omdat je niet verder kunt, is niet passief. Zelfs al ben je op, je moet nog de kracht zien te vinden om stand te houden te midden die stroom. Alles en iedereen rond je gutst en kolkt en springt en wervelt met een rotvaart vooruit en jij bent een hindernis daar midden in die stroom, alles en iedereen slaat langs alle kanten tegen je aan.

Tien jaar is veel te lang om zonder zon te leven.

En toch dobber ik hier nog altijd rond.

Zonder de zon van haar stralende ronde hoofdje en haar ronde buikje, zonder de zon van haar sterke armen en haar wilde fladderhandjes, zonder de zon van haar wijde lach, zonder de zon van haar wondermooie expressieve ogen. Zonder het gewicht van mijn zon die ik overal meedroeg.

Ik ben haar kwijt omdat ik haar niet meer kan dragen, haar niet meer kan voelen. In tien jaar tijd heb ik veel sluipwegen gevonden, barricades gebouwd rond de pijn, maar de pijn zelf is nog precies dezelfde. Het is een verlangen dat weigert zacht gemis te worden, ik blijf even heftig naar mijn zonnekind verlangen als op de dag dat ze haar in die veel te grote kist sloten, zelfs in mijn dromen kan ik nog steeds niet bij haar komen, haar niet in mijn armen nemen, na tien jaar nog steeds niet.

Er is een groot stuk van mezelf, het onbevangen gelukstuk, afgehakt en mee in die kist gegaan, mee verbrand met mijn zonnekind, voor altijd kwijt. Het is moeilijk om met het reststuk verder te leven, ook voor de mensen om me heen.

Rouw verandert je grondeloos.

Rouw is misschien wel het eenzaamste dat een mens kan overkomen.

En die pijn van de eenzaamheid bovenop de pijn van het verlies… ik dacht: ik wil geen mensen meer nodig hebben, alles is al zo ondraaglijk daar kan niets meer bij en mensen doen zoveel pijn, ik vind mijn troost wel in vogels en boeken, in zonlicht en muziek. Kleiner kijken.

Het mooiste dezer dagen is de kauw die kaasrandjes komt eten op de terrastafel, hier op nog geen twee meter van me af, enkel die plaat dubbelglas tussen ons. Zijn heldere pareloog dat me zijdelings in de gaten houdt, zijn perfecte zwarte lijfje. Zijn vleugels als hij ze spreidt en moeiteloos wegzeilt.

Het mooiste boek dezer dagen is ‘Grief is the thing with feathers’. “I plucked one jet feather from my hood and left it on his forehead, for, his, head. For a souvenir, for a warning, for a lick of night in the morning. For a little break in the mourning.”

Het mooiste dezer dagen is staande in een lege kamer luisteren naar Jóhan Jóhannssons Orphée terwijl de zon ginder ondergaat. Mijn geest gaat mee ondergronds, keert terug naar alle plekken van toen, zoekt tot ik haar gevonden heb, mijn Eurydice, neem haar in mijn hunkerende armen.

Weer bovenkomen en daar midden in die ijzige harde stroom staan, met lege armen, is ondraaglijk eenzaam.

En toen waren ze daar. Ze bleven even aan me hangen om me warm te omhelzen met meelevende of bemoedigende woorden of de ervaringen van hun eigen verlies om de eenzaamheid gedeeld te dragen, ze zongen zachte muziekjes in mijn oor, ze noemden de naam van mijn zonnekind, ze staken chocolade in mijn zakken, legden de mooiste kleurrijke deken om mijn schouders, brachten zachtgeurende roosjes voor mijn zonnekind. Ze deden wat ze konden om mijn eenzaamheid te delen. Samen creëerden ze een luwte in de genadeloze onverschillige stroom, gaven me zo de nodige kracht om staande te blijven die laatste dag, die laatste nacht, die eerste dag.

Zo’n dankbaarheid geeft zuurstof. Ik had mijn adem zo hard ingehouden dat het donker voor mijn ogen was geworden.

Kijk, daar is mijn kauw. En ik voel mijn mond glimlachen.

Nog even en ik ben weer sterk genoeg om voorover in het water te gaan liggen, mijn handpalmen tegeneen te drukken en de waters te splijten, weer dapper tegen de stroom in.

Sla je armpjes stevig rond mijn nek zoals je altijd deed, mijn zonnekind, handjes op slot, en ik haal je daar weg uit die donkere diepten, ik pak je terug van de dood, ik haal je daar weg en ik zwem vlieg dans zing schrijf ons naar die wereld die ik zelf geschapen heb en die zoveel mooier en onstuimiger en wilder winderig en vrolijker en zonniger is dan die waarnaar jij helemaal alleen moest gaan, en deze waar ik zonder jou achterbleef.

de strijd van de kanarie

“Opvoeden is een liefdevolle vorm van disciplinering, het is het kneden van kinderen en jongeren tot ze zich gedragen volgens de verwachte normen en de juiste idealen nastreven.” (Paul verhaeghe, ‘Over normaliteit en andere afwijkingen’)

De ‘juiste idealen’… Uit eigen levenservaring weten ouders dat ‘maatschappelijk slagen’ de meest lonende vorm van leven is, het rechte pad van verwachtingen en (sociale, morele) normen volgen de juiste weg daartoe. Het sturen van de ouders wordt versterkt door het sturen van het onderwijs, het sturen van de arbeidswereld, het sturen van de overheid… “Het succes ervan kunnen we onder andere afmeten aan de mate waarin het kind die normen en idealen overgenomen heeft. Eens ze verinnerlijkt zijn, naar binnen gebracht, hoeven de ouders” [, onderwijs, arbeidswereld, overheid,…] “ze niet langer op te leggen; het kind heeft ze op een dusdanige manier overgenomen dat ze deel uitmaken van wie het ‘is’. Freud beschreef dit als het ontstaan van het ‘Boven-Ik’, het deel van onze identiteit dat het andere deel observeert en nakijkt of het wel beantwoordt aan de geboden en verboden. Is dat niet het geval, dan ontwikkelt een normaal mens (letterlijk: ‘iemand die de normen wil volgen’) schuld- en schaamtegevoelens.”

Maar wat als het rechte pad steeds smaller, steiler, glibberiger, rotsachtiger wordt?

Paul Verhaeghe schreef een pamflet over de hedendaagse kijk op afwijkend gedrag en de huidige toestand van de psychiatrie en psychotherapie, en ik zou het boekje in de bus van mijn dokter willen gooien maar durf niet.

Verhaeghe doet een dringende oproep tot een sociale in plaats van individuele psychiatrie die aandringt op structurele veranderingen in de maatschappij. De aanpak van mensen die te ver afweken van de heersende sociale normen was altijd al disciplinerend en corrigerend. Maar sinds de Verlichting kwam de verantwoordelijkheid en schuldinductie bij het afwijkende individu te liggen: de mens is begiftigd met ratio, wie waarvan afwijkt is redeloos en moet opnieuw op het rechte, rationele pad gezet worden. Le traitement moral: de patiënt moest zijn redeloosheid beseffen en in redelijk debat met zichzelf, zichzelf ervan overtuigen dat hij moet veranderen. Dit onder begeleiding van de morele autoriteit, de arts.

Alle evoluties ten spijt (lees dat pamflet!) zitten we daar nog steeds: mensen die afwijken van de heersende sociale normen moeten (corrigerend, disciplinerend) terug op het ‘juiste’ pad gezet worden – sociale aanpassing! – door een morele autoriteit. Met dit verschil: de morele autoriteit ontkent zijn morele autoriteit. Beroept zich op een wetenschappelijke autoriteit, de DSM bijvoorbeeld. Maar de Diagnostic and Statistic Manual of Mental Disorders, de vijfde intussen al, is een pseudo-diagnostisch systeem, het is niets meer dan een beoordelende rubricering: puntsgewijs gegroepeerde beschrijvingen van gedragingen en emoties die als afwijkend worden beschouwd, voornamelijk omdat ze te veel of te weinig optreden. ‘Intens’, ‘duidelijk’, ‘frequent’, ‘recidiverend’, ‘duidelijk en aanhoudend’, ‘krampachtig’ enz etc, dat zijn geen objectieve maatstaven. De ‘diagnose’ hangt af van de diagnosticus zelf en zijn/haar inschatting of eigenschappen en emoties te veel of te weinig optreden, berust op sociale en morele criteria, criteria die de heersende normatieve maatschappelijke verwachtingen vertegenwoordigen. Normatief, dus moreel. De arts als morele autoriteit. Medicatie als correctie, psychotherapie als disciplinering. Mensen helpen? Mensen helpen zich aan te passen aan de heersende sociale normen.

Maar ik herhaal mijn vraag: wat als die heersende sociale normen een onmogelijk smal, steil, glibberig, rotsachtig pad geworden zijn?

Wie is er dan ziek? De afwijkende of de norm?

De kanaries vallen bij bosjes maar de koolmijn blijft open. Je hebt gewoon te diep geademd, zeggen de mijnbazen. Het is een verkoudheid, genees maar snelsnel en keer zo snel mogelijk terug, kanaries zijn gemaakt voor koolmijnen, het is hun levensdoel. Je moet niet zoveel zuurstof verwachten. Je moet je longen beter trainen. We zijn hier niet om voor kanaries te zorgen, de mijn moet godverdomme draaien, it’s the economy, stupid! En jij wilt toch niet verantwoordelijk zijn voor de koude waarin we de mensen gaan achterlaten als we niet genoeg kolen bovenhalen?

“Freud moest al vroeg ervaren dat het resultaat van zijn methode – bewustwording en vervolgens veroordeling van de irrationele gedachten – bij veel patiënten uitbleef. Hij schreef dit toe aan ‘weerstand’ bij de patiënt.”

Ik ga sinds 19 juli niet meer werken. Mijn tweede burn-out. Na 1 maand viel ik terug op ziekteverzekering en begonnen de mails en telefoontjes en in te vullen vragenlijsten van de mutualiteit binnen te stromen – om me te ‘helpen’ op mijn weg terug naar arbeid. Elke mail, telefoon, vragenlijst komt met een dreiging van sanctie (hun woord!) als ik niet doe wat ze verwachten. Elke mail, telefoon, vragenlijst is goed voor een huilbui. Elke consultatie bij mijn huisarts, ter verlenging van mijn ziekteverlof (het vereiste ‘ziektebriefje’) met nog eens twee weken, dan een maand, kost me 1à2 dagen om te verwerken, om terug op te krabbelen. Na 1 maand suggereerde ze psychologische hulp, na 2 maanden drong ze er ondanks mijn verzet – dat ik het moe was om te moeten horen hoe ik mezelf moest veranderen, dat ik mijn hele leven al niet anders gedaan had, dat ik mezelf niet kàn kneden naar de verwachtingen van de maatschappij, meer zelfs: dat ik de verwachtingen van de huidige maatschappij verfoei en verwerp – zo hard op aan dat ik me maar weer eens plooide naar de verwachtingen van de autoriteit. De therapeute die ze me aanraadde had geen tijd voor mij. Ik voelde me opgelucht, mijn dokter teleurgesteld. Elke consultatie probeerde ze me te leiden in de richting van herstel en toekomstgericht denken, elke consultatie verzette ik me in paniek tegen de druk – die zij expliciet bleef ontkennen. Elke consultatie raakte zij gefrustreerder over haar machteloosheid mij te ‘helpen’, elke consultatie werd ik wanhopiger en voelde me schuldiger. Tegenover de dokter, tegenover de hele maatschappij: ik ben een last voor iedereen.

“Op de achtergrond schemert het idee van maakbaarheid door, wat een stuk verder gaat dan disciplinering. [..] Excelleren is mogelijk, mits er voldoende inspanning wordt geleverd. [..] De verinnerlijking van dergelijke overtuigingen creëert een vruchtbare voedingsbodem voor controledwang,” [check] “perfectionisme,” [check] “faalangst,” [check] “burn-out,” [check] “en depressie.” [check] “Met maakbaar geluk wordt mislukking een persoonlijk falen.” [check] “In gedachten ervaar ik de wereld als een continue rechtszaak, met mezelf in een dubbelrol, beschuldigde én rechter – er is geen verdediging aanwezig.” [check]

Eergisteren kwam het tot een clash tussen mijn dokter en mij.

Ze had het over haar plicht tot herstel en reïntegratie. Mijn aanklacht van de dwingende maatschappij veegde ze zoals gewoonlijk stilzwijgend – want contraproductief – van tafel. Ze had het over de muur tussen ons – de weerstand van de patiënt! – en vroeg of ik misschien liever met een collega van haar wilde praten. Ik voelde me afgewezen, zij bedoelde het niet zo, ik had het weer over die druk uit de maatschappij waarvan elke dokter een spreekbuis is en dat ik niets tegen haar persoonlijk heb, zij had het over haar machteloosheid mij te helpen, ik zei voor de zoveelste keer dat ik zelf mijn weg wilde zoeken, niet onder druk gezet wilde worden, dat ik het niet meer aankon…

En ineens vielen haar de schellen van de ogen: ik verwachtte helemaal geen ‘hulp’ van haar. Ze had het over de paternalistische houding van artsen in het verleden en dat patiënten deden wat hun dokters zeiden (‘dokter weet best’ – ik heb het zelf een leven lang geloofd… tot ik het niet meer geloofde) maar dat die verhouding nu veranderd is.

Hallelujah!

Ze verlengde mijn ziektebriefje met twee maanden.

Ik weet dat mijn volgende wanhopige strijd die met de controleartsen van de mutualiteit wordt. En ik ben doodop.