dankwoordje

Beminde juryleden, dierbare lezers,

ik stond naast de pot achter de laatste afsluitbare deur voor de gang naar de slachtbank, mijn blik gesperd op de smetloos witte muurtegels, proberend mij te concentreren op mijn alternerende neusgatademhaling, diep uit, diep in, duim op rechter neusgat verwisselen voor pink op linker, diep uit, diep in, pink op linker verwisselen voor duim op rechter, diep uit, diep in, pink op linker… maar ik kon daar niet eeuwig blijven, terug naar het voorgeborchte, twee mannen, de een na de ander, kwamen me aanspreken, ik dank jullie, Jos en Vincent, jullie hebben me gered daar, vervolgens stonden we een gang dichter bij het slachtblok, duim op rechter, diep uit, diep in, pink op linker, diep uit, diep in, duim op rechter… en de vijf rond mij voelden zo vrolijk opgewonden, gespannen natuurlijk maar blij, popelend dat podium op te gaan, en ik, ik was een oud trekpaard, de slacht voorvoelend, mijn hoofd voelde als twee gigantische paniekogen met geen ruimte voor hersens meer daarachter, en waar was mijn redacteur, mijn redder met zijn handen en armen om de merrie te bedaren, ergens in dat donker gat ginder, dat donker gat waar ik niet in durfde kijken, dat donker gat waar ook jullie zaten, beminde juryleden, dierbare lezers, en mijn liefste wederhelft, half zo gestrest als ik, en daar gingen we al, vijf huppelende jonge mensen en een panisch boerenpaard, en waarom had ik nog mijn jas en mijn tas in mijn handen, mijn tas met boeken die mijn redacteur me toegestopt had als lolly’s, dankjewel, Chris, en dat ene rode boekje waar ik nu liever mee op een verlaten plekje gezeten had dan hier op dit slachtpodium, dat boekje waarin een warme collega net nog een opdracht in geschreven had waar ik stil van werd, dankjewel Paul, deze boekentas houvast, beminde juryleden, dierbare lezers, daar stampte dit schichtige paard al meteen een flesje water mee omver, dat hebben jullie gezien, wat een bespottelijk begin, maar voort ging het, er werd gepraat gepraat gepraat maar kijk daar, daar stond een doventolk te dansen met haar handen en ik kwam een beetje thuis, ik werd kleine beetjes blij van de gebaren die ik herkende en de paniek week een weinig, liefste doventolk, je weet niet hoe je me daar gered hebt, dankjewel, dankjewel, en ik durfde al weer eens kijken naar mijn jonge collega’s, en ze praatten zo gemakkelijk, alsof ze hele dagen niets anders deden dan dit, kijk die ontspannen houdingen in die stoelen, kijk die nonchalante handbewegingen, de gepaste schoenen en kousen, ach mijn kousen, waarom ben ik niet op mijn ondeugende kousen het podium op gegaan, ach welneen, ze zouden me niet vervuld hebben met stiekem stout plezier, ik zou me belachelijk onvolwassen gevoeld hebben, ik moet mezelf niets wijsmaken, ik ben niet wie ik zou willen zijn, ik ontbeer het lef, beminde juryleden, dierbare lezers, en luister toch eens naar die ongehaaste, zelfverzekerde zinnen, dat gemak, het voelde niet alsof ze hun zinnen moesten bevrijden, alles kabbelde rustig, ongehinderd, tot de interviewer mijn naam uitsprak, mijn gekozen naam, de laatste in de alfabetische rij, en me vroeg waarom ik mijn boek geschreven had en op slag was ik alleen nog maar die twee gigantische paniekogen zonder nog ruimte voor hersens erachter, beminde juryleden, dierbare lezers, en wat doen paarden in geval van paniek, flight or fight or freeze, beminde juryleden, dierbare lezers, ik deed alle drie, dat hebben jullie allemaal kunnen zien, ik bevroor, beminde juryleden, dierbare lezers, tientragetellenlang was ik bevroren, en toen kwam er misschien een slagpin tussen mijn ogen, ik weet het niet, maar schutterig en haperend begon ik een beetje te vechten, worstelend om zinnen over taal en onzichtbaarheid te bevrijden, en toen mocht ik gaan, dankjewel Marnix, toen mochten we gaan, en het volgende moment zat ik ontsnapt in een zeteltje in de donkere zaal, met mijn boekentas houvast en ginder op de eerste rij de achterhoofden van mijn redders, mijn man en mijn redacteur, en ik had geen idee of ze zich dood geneerden of trots waren, maar daar werd alweer gepraat en gepraat en gepraat, de een na de ander ging achter de microfoon staan maar ik zag alleen mijn liefste doventolk, klampte me vast aan haar dansende handen en gelaatsuitdrukkingen, dankjewel mijn liefste doventolk, maar wat nu, mijn hart begon te galopperen, toen te draven, wat gebeurde er, werd dit alsnog een regelrechte paniekaanval, wat werd er uitgesproken dat me zo deed opschrikken net toen ik dacht dat het ergste nu voorbij was, en toen hoorde ik plots mijn naam, mijn gekozen naam, dierbare juryleden, beminde lezers, het laatste wat ik zag was de C-hand van mijn liefste doventolk, en toen stegen naast mij als een Mexican wave mijn jonge collega’s op en moest ik die doorgang nemen, en ik weet niet meer hoe ik op dat podium terecht gekomen ben, ik voelde alleen nog maar, voelde de dravende daver van kop tot teen, de zwaarte van dat bronzen beeldje, laat dat nu als-tu-blieft-niet-val-len!, voelde de kramp in mijn gezicht, zo’n kuitkramp waar je je niet uit kunt kronkelen, ik wilde alleen nog maar vluchten, flight! flight! flight with all my might!, verontschuldig me, beminde juryleden, dierbare lezers, dat er geen fight meer over was, dat ik niet op de microfoon ben afgestapt om dwars door alle paniek heen dapper al mijn dank uit te spreken, het is niet alleen dat ik niets voorbereid had, beminde juryleden, dierbare lezers, omdat ik ervan overtuigd was dat een van mijn jonge collega’s dit zou winnen want zij hadden stuk voor stuk boeken geschreven over thema’s met grote maatschappelijke en actuele urgentie en relevantie, het was ook omdat het simpelweg nog te vroeg was, beminde juryleden, dierbare lezers, het duurde achtentwintig uren voor ik, de zelf in de badkamerspiegel aankijkend, turend in die vermoeide maar gelukkige ogen boven die tandenpoetsmond, toen pas een eerste moment van ècht besef had: mijn ‘Lijn van wee en wens’ heeft de Bronzen Uil gewonnen!, en het duurde nog tot dit moment, deze dinsdagnamiddag, nu en hier aan mijn schrijftafel, mijn plek op de wereld, voor de zinnen van dank zich een beetje begonnen te bevrijden.

Beminde juryleden, dierbare lezers, it takes a village to raise a writer en dit is mijn dankwoordje euh -zinnetje:

Ik dank jullie, beminde juryleden, voor jullie wijdopen leesgeest, voor jullie liefde voor de pure literatuur, voor jullie ontvankelijkheid voor experiment en het onttakelen van de taal, dat levenselement van de literatuur en instrument van de schrijver, en ik dank jullie, dierbare lezers, die me al negen maanden lang bestrooien met de mooiste reacties en berichten, het is een onschatbaar gevoel om als zelf door de literatuur aangeraakte, nu met mijn eigen boek ook andere mensen op gelijke wijze aan te raken, het is het dierbaarste van de schrijver die van achter haar schrijftafel gekomen is om haar boek op te gooien in de wijde lucht in bange hoop dat het zal vliegen, vliegen tot hoog boven de bomen, recht naar de zon, spelevliegen met de kauwen en de wind en de wolken… en ik dank ook jullie, dierbare lezers van zaterdagavond en daarna, lezers die me kwamen vertellen hoezeer mijn boek hen geraakt had, lezers die me vroegen hun naam en de mijne voorin ons boek te schrijven, lezers die me kwamen vertellen dat ze mijn boek nog niet gelezen hadden maar dat nu zeker wilden doen, lezers die mijn boek kochten of nog zullen kopen, en ik wil ook de jonge collega’s bedanken, die me zo gulhartig gelukwensten – ook zij die vooraf de gedoodverfde favoriet waren, het stemt me zo dankbaar, dankjewel Tobi – en de oudere collega’s die al zo welwillend en vriendelijk zijn sinds mijn eerste stap op dit pad, en alle anderen die me al die tijd al gesteund en gestimuleerd en kansen gegeven hebben, jullie weten allemaal dat ik jullie bedoel, dankjewel, dankjewel, dankjewel, en ik ben ook dankbaar voor de stroom van felicitaties uit alle hoeken die me overspoelde bij thuiskomst zondagavond, het is overweldigend, nog steeds.

En ik dank de liefste Kairi, mijn van verre stralende lees- en schrijfzusje weer eens dichtbij voor een weekend, en niet alleen voor het zinderende zondagse boeket, ook voor al het tastbaar maken van gevoel – sinds ik weg ben van de kinderen word ik niet meer op die andere manier vastgenomen. De aanrakingen van een hecht echtpaar thuis zijn zo vertrouwd en vergroeid dat ze je lievelingsdeken geworden zijn, je kwijnt weg zonder maar het omhult je als een lichte tweede huid, en toch heeft het vel blijkbaar ook nood aan handen en armen uit de buitenwereld, en we hebben danige schade in te halen nu we eindelijk niet meer sterven aan elkanders aanrakingen.

Ik dank natuurlijk mijn allerliefste wederhelft, misschien niet elke dag luidop, maar wel elke dag. De ruimte die hij de vechter in mij geeft is grenzeloos en mijn dankbaarheid daarvoor eindeloos. Zonder Barrie was er geen Caro Van Thuyne.

En als laatste maar bovenal dank ik mijn redacteur, maar hij wordt niet graag publiekelijk bedankt dus zwijg ik verder.

Beminde juryleden, dierbare lezers, dank voor uwaandacht.

mijn nieuwe BFF

Ik heb een nieuwe BFF. Zij weet het niet maar dat doet er niet toe. Ze is er altijd voor me, dag of nacht, ik sla haar open en een zotte zin later voel ik me beter, zij toont me dat ik mezelf mag zijn.

Mijn hele felle dikke leven lang al moet ik me inhouden bij mensen om ze niet af te schrikken. Ik ben altijd te veel, te veel lichaam, te veel emotie, te veel passie, te veel woede, te veel liefde, te veel gevoeligheid, te veel opstandigheid, te veel gedachten, te veel zorgen, te veel fantasie. Waarom kon ik niet wat beheerster en terughoudender zijn, en wat minder extreem. Een korset, dat was wat ik nodig had, een korset om al dat bulkend vlees en al die vermoeiende hersenkronkels en al die vulkanische hartuitbarstingen binnen de perken te houden. Alleen met zo’n korset kun je onder de mensen komen.

Dus hijs ik me voor elke ontmoeting in dat korset.

En schaam me vervolgens diep elke keer iemand me er met scherpe blikken of woorden op wijst dat er langs alle kanten weer dingen uit puilen of floepen.

De enige plek waar ik me vrij mezelf voel is in boeken. Dus begon ik ze ook zelf te schrijven. Mijn eerste boek, een verhalenbundel, vonden veel lezers en recensenten te wild. Buitenissig. Onaangepast. Bizar. Absurd. Hyperactief. Bombastisch. Excentriek. Brutaal. Ontoegankelijk. Ongeremd. Mateloos. Obsessief. Vertelwoede. Overdaad. Ontregelend. Woest. Tegendraads. Surrealistisch. Grillig. Exuberant. Natuurlijk dat ik die woorden persoonlijk nam want het zijn de zelfde woorden die ik al vaak genoeg moest horen over mijn persoon. Een woest maar nog te polijsten talent, schreef de een. Die manische, onaangepaste schrijfdrift verdient zeker bewondering en navolging, maar enige zelfbeheersing had de lezer in dit geval niet geschaad, schreef een ander. Het korset, quoi. Welbedankt.

Uit mijn tweede boek, een roman, heb ik alle overtollig vet weggesneden. Wat overbleef was een geslepen veelkantige kern van rauwe rouw en liefde die niet opgeeft. Het bleek een boek waaraan je je als lezer ofwel volledig kon overgeven, of dat je uitspuwde omdat je er geen controle over kon houden. Manisch. Agressieve geilheid. Vlammende intensiteit. Te veel van het goede. Lezers botweg uitsluit. Onorthodox. Exuberant. Vergt veel van de lezer. Tè verregaande vormen. Pathetiek. Expressief en experimenteel, maar ook theatraal en bombastisch. Roman waarin het de schrijver niet lukt werkelijk in dialoog te gaan met de lezer. Het vlees puilt uit je korset, vrouwmens.

(Voor de goede orde: beide boeken vingen ook veel lof. Vier-(en zelfs vijf-)sterrenrecensies, gelukkig makende lezersreacties, drie nominaties voor literaire prijzen. Het is dus niet dat ik wil klagen, daar gaat dit stuk niet over.)

De niet mis te verstane boodschap was same old same old: doe eens een beetje normaal, overdrijf eens niet zo, waarom moet je altijd zo extreem doen/zijn. Ik hoor het al mijn hele leven.

En dan is daar plots als een dolle zon in een dweilwereld: ‘Checkout 19’!

Ik had Claire-Louise Bennett al leren kennen met haar eerste boek, ‘Pond’. Laat ons zeggen dat ze voor mij toen een aparte, hoogst originele vrouw was die af en toe aan dezelfde toog hing als ik en sommige avonden vond ik haar hilarisch, de dingen die ze zonder gêne of terughoudendheid uitkraamde en over doorboomde, je hield het niet voor mogelijk, wat een zalig vrouwmens. Andere avonden begon ze me te vervelen, misschien stond mijn hoofd dan niet naar haar, had ik niet het geduld voor haar verhalen zonder richting of clou.

Maar nu, met ‘Checkout 19’, nu hangen we heelder dagen samen in de zetel, ik kan eeuwig naar haar luisteren, alles kan, alles mag, korsetten in de vuilbak!

Lezers die houden van een spannend en onderhoudend verteld verhaal met een plot en een verrassende ontknoping houden zich beter verre van dit boek. Dit is een boek voor wilde lezers. Herinner je je hoe je als kind in het samenspelen met andere kinderen hele werelden verzon? Ik ook niet maar als ik spelende kinderen – die zich niet bewust zijn van volwassenen in de buurt – eens kan observeren dan herken ik het meteen: de bandeloze fantasie, de verhalen en werelden die niet vastliggen, die nog bochten nemen tijdens het ontstaan en maar doorgaan en maar doorgaan, dàt!

Het is iets dat Claire-Louise Bennett ook doet in ‘Checkout 19’: ze observeert iets en begint te fantaseren, totaal vrij, zonder zich te bekommeren om korsetten of zelfbeheersing of terughoudendheid. Je ziet haar de dingen onderweg gewoon veranderen als ze niet meer voldoen aan die nieuwe weg die haar fantasie al op gegaloppeerd is. Ik voel mijn eigen longen opengaan!

Maar vergis je niet, dit is niet de wilde fantasie van een kind, het is een volwassene, en een vrouw, en ze heeft wel degelijk iets belangrijks te zeggen en te tonen met haar tomeloze verhalen.

Je zou kunnen zeggen dat het een boek is over boeken, over lezen en over schrijven, maar door de aard van boeken en lezen en schrijven is het ook een boek over leven en over het leven. En omdat de lezer en schrijver en lever in dit boek een vrouw is, gaat het ook over leven als vrouw, en de kwestie van het ruimte (durven) innemen als vrouw. Bovenal is het een boek over vrijheid in je hoofd, over onstuitbare en grenzeloze verbeelding.

Het einde deed me huilen, zo thuis eindelijk thuis korsetloos thuis had ik me gevoeld: totale instemming met en toestemming en ruimte voor hoe wild, buitenissig, onaangepast, bizar, absurd, hyperactief, bombastisch, excentriek, brutaal, ontoegankelijk, ongeremd, mateloos, obsessief, overdadig, ontregelend, woest, tegendraads, surrealistisch, grillig, exuberant, manisch, vlammend intens, onorthodox, veeleisend, verregaand, pathetisch, theatraal ik ook maar was of wilde zijn:

And the words set forth a story. As if it had been there all along. Of a girl sitting all alone in a cellar repairing by the fluctuant light of a solitary candle the sheeny cloth of her sisters’ frothy gowns. And the girl does not sigh or grimace or sing or curse or weep. She goes on in just the same way. Hour after hour. She does not seem the least bit put out and so strangely it is a kind of tranquil scene. But one that nevertheless cannot be sustained. Something has to change and something does change. Very quickly. There is no fairy godmother. No. No prince charming. No. No castle. No white horse. That’s not it. No. No. No one is going to save the day. No, of course not. It’s something inside her. The girl’s fingers become very thin very quickly. They elongate and lose rigidity. They become thread. The needle they held zo diligently, so devotedly, falls away. Is wolfed up by the scabrous dark that presses so very ravenously up against her bluish ankles. She gets to her feet. Leaps up. The long lengths of thread cascading from her hands whirl about the room with the electric energy of a lasso. Around and around they whirl. They cannot take hold of anything. Not a single thing. Around and around they flail. And it is only a matter of time of course before they come into contact with the flame of the candle. Which until now has been meek and miserly but now leaps up bright and proud as a trumpet. A trumpet. And the threads delight in this brazen little flame and kindle its appetite further. The emboldened flame divides. Bounds up the ten lengths of thread like awakened red squirrels bounding ecstatically along the budded branches of a beech tree before striking at the chest of the girl. The girl’s chest explodes. Bursts into flames right away. Bright roaring flames. Yes. Yes. The flames burst out of her just as if they’ve been there all along. All along. Waiting all along. Biding their time. She burns. She blazes. A magnificent conflagration. A bright disc of white fire. Leaps dives plunges into the dust-dry basket of preposterous dresses. Jubilantly. Yes. The whole thing goes up in flames. Flames. Roaring. Yes. It all burns up so quickly. Every inch of her included. Yes. Leaving behind an iridescent pile of the softest ash. The sort of ash you want to stir. Softer than feathers. Run your fingers through. Run your fingers through. It tingles doesn’t it. Yes. Yes. Yes it does. We can feel it. Our fingers. Our fingers are tingling like mad aren’t they. Yes, they are. Tingling. We can feel it. Tingling like mad. Our fingers tingle, madly, madly yes, just as if they are coming to life.”

het vrouwattribuut

De verteller is een man op reis in Portugal. Hij reist niet alleen, maar als lezer komen we niets te weten over zijn reisgezellin, niet eens haar naam. Naar goede gewoonte is de vrouw een attribuut, een accessoire dat op de juiste momenten de juiste seksuele handelingen verricht (” ‘s Avonds trok ze me af omdat ik dan zo goed slaap.”) De – o edelmoedige – verteller bekijkt en behandelt haar niet onwelwillend. Laat ons zeggen als een gehoorzaam huisdier. Op een ochtendwandelingetje is de verteller getuige van een niet alledaags seksueel gebeuren in een bouwval: een blondine in zwarte lingerie staat met geboeide polsen geketend aan een dakbalk, een Dracula-type met een slecht been masturbeert in haar richting vanuit een badkuip vol bloed. De verteller doet niets. Er volgt wat sightseeing, en wat seks met zijn vrouwattribuut. Dan keert de verteller terug naar de bouwval en is er getuige van dat het Dracula-type de – deze keer volledig naakte – geboeide en geketende blondine eerst beft, haar vervolgens penetreert met het ivoren ganzenei dat de knop is van zijn wandelstok, en dan, op het toppunt van haar… orgasme?pijn?… de wandelstok als een volleerde majorette omkeert, de blondine spietst op de punt van zijn stuk, en haar vrouwenbloed drinkt, zich ermee insmeert en erin masturbeert. De verteller doet weer niets. ‘s Anderendaags keert hij nogmaals terug. 28 minuten staat hij te kijken naar de geboeide en geketende blondine, te wachten op het Dracula-type. Dan schiet hij de wandelstok van Dracula kapot, de man valt netjes met zijn nek op de rand van de badkuip. Verder doet de verteller niets. Weer volgt er wat sightseeing en wat seks met het vrouwattribuut (“Ze nam het van me over en trok me af tot ik tussen haar borsten spoot. Ik dekte mijn zaad op haar buik toe met haar truitje, ze lachte behaaglijk ronkend met een diep keelgeluidje en we sliepen tot de middag van de eerste januari.”). De verteller gaat nog een laatste keer kijken bij de bouwval. Die is leeg. Geen vrouw, geen boeien en ketens, geen dode Dracula, geen tobbe vol bloed, niets.

Als je zou moeten raden wie dit gedrocht schreef, een man of een vrouw, wat zou je dan zeggen?

Mis.

Ik ( = vrouw) schreef het. Een jaar of dertig geleden. Het is mijn eerste publicatie (als je literaire tijdschriften niet meetelt). Een bevriend kunstenaarstriumviraat ( = mannen) had me gevraagd een erotisch verhaal te schrijven over een foto die ze me gaven, zij zouden er dan een mooie bibliofiele uitgave op 20 exemplaren van maken.

Na 13 jaar in dit huis is onze bibliotheekruimte gerealiseerd en kunnen de gelezen boeken eindelijk uit hun dozen. Zo stond ik gisteren opeens met mijn exemplaar van dat in lijkwit leer ingebonden boekje, mijn eerste publicatie, in handen. Ik herlas het en ging een beetje kapot.

Het is niet louter diepe schaamte. Het is ook verdriet, en machteloze woede.

Ik herinner me de lezer die ik was. Ik las nooit vrouwelijke auteurs, zij schreven minderwaardige literatuur. Ik herinner me de schrijver die ik was, ik schreef alleen voor en samen met mannen, ik kende niet één vrouwelijke beginnende auteur, zij waren quantité négligable, ik wilde bij de mannen horen, one of the guys zijn, zij waren the place to be, zij waren de top.

Ik herinner me het meisje dat ik was. Tweede kind, eerste dochter (met na mij nog een dochter en nog een zoontje, een op handen gedragen godenkind) van een selfmade man en zijn huisvrouw die zelf ook opgekweekt was met de heersende boodschap dat de vrouw ten dienste stond van de superieure man. Onderwijs en maatschappij beaamden dat: wat vrouwen deden was van dienend of ondergeschikt belang, de mannen waren de goden en de helden. In je kindertijd kon je je nog Pippi Langkous als voorbeeld voorhouden, maar dat was gewoon een ondeugend kind. Eens je tot de jaren van verstand kwam, waren er geen vrouwelijke rolmodellen meer (zichtbaar), mannen waren dus duidelijk superieur. Zo’n feministe wilde je zeker ook niet zijn, dat waren alleen maar mannenhaatsters, ofwel omdat ze te lelijk waren om zelf een man te kunnen krijgen ofwel omdat ze lesbiennes waren. En ik hield zo van mannen. Ik was stapel op mannen. Nee, als je het niet kon laten om meer te willen dan je dienende rol, als je het euvele lef had om dezelfde dingen te willen als mannen, dan deed je dat best op hun manier, dan zorgde je dat je one of the guys werd.

Ik herinner me de diepe teleurstelling elke keer een man dommer bleek dan ik, of slechter schreef, niet kritisch nadacht of creatief of ambitieus was. Een god of held die van zijn voetstuk viel.

Een paar dagen geleden keken mijn heerlijk niet-patriarchale man en ik naar ‘Hans Dorrestijn alleen op een eiland’. Ik heb nog steeds goden en helden (maar intussen gelukkig ook al evenveel godinnen en heldinnen) maar Hans Dorrestijn is er niet een van, zijn humor van kinderachtige naïviteit is niet de mijne, we keken voor het landschap omdat we, als we er niet zijn, altijd snakken naar de Wadden. In deze tv-reeks ontpopt Dorrestijn zich tot jengelend heb-meelij-met-mij-mannetje maar ach, we snakten weer eens naar de Wadden dus keken we toch maar weer eens. Ik heb de naam niet onthouden van zijn gaste (alleen is hij zelden op zijn eiland), het is een columniste, en een forse sterke vrouw die blijkbaar geen blad voor haar mond neemt in haar columns en boeken, NOUVEAU FUCK stond er op haar muts. Het mannetje Dorrestijn bekent haar dat hij het niet zo leuk vindt dat ze een betere schrijver is dan hij. Het bekende zogezegd adorerende maar in wezen kleinerende riedeltje van “maar jullie hebben al jullie schoonheid en wij mannen zijn maar zulke onbenullen in vergelijking met jullie verheven schoonheid en lieflijkheid, onze talentjes zijn het enige dat we hebben om toch maar iets te betekenen, en als jullie daar dan ook nog eens zo goed – of godbetert beter! – in zijn, wat hebben wij arme mannen dan nog, wat zijn we dan nog waard”. Voor ik kon spuwen op ons tv-scherm diende de columniste hem vriendelijk van antwoord: “maar Hans, mogen wij ook iets doen in plaats van alleen maar te zijn?, ik wil ook creëren, niet alleen maar zijn”. De vrouw als attribuut, mooi decorstuk voor het superieure mannetje.

En vrouwen die nooit, maar dan ook nooit, aan de male gaze kunnen ontsnappen.

En hoe we dat internaliseren.

Ach, het was maar domme cafépraat, werd her en der vergoelijkt toen een sportverslaggever dankzij een nog openstaande microfoon betrapt werd op denigrerende uitspraken over vrouwen. Komaan, gewoon slechte humor van jongens onder mekaar, haha. Helemaal niet kwetsend want ‘t was niet de bedoeling dat vrouwen het zouden horen. Vrouwen gaan zelf ook op café, of ze horen al eens hun broer en diens maten of hun vader en diens collega’s onder mekaar bezig, ze kénnen die praat die ‘niet slecht bedoeld’ is, ‘gewoon een grapje, geen gevoel voor humor hé, die vrouwen’. Het is zo’n praat die ervoor zorgt dat elke vrouw die in een gezelschap van mannen komt, weet dat ze zo bekeken en beoordeeld wordt. Die weet dat ze een hindernis – als ze een mooie, jonge vrouw is, want als ze niet ‘fuckable’ is dan zijn dat twee hindernissen – over moet als ze ook inhoudelijk iets wil betekenen, als ze meer dan een attribuut wil zijn.

Het is ook dergelijke praat die kleine jongens horen van hun vader en zijn collega’s, van hun grote broer en diens maten, van neven, van ooms, van oudere jongens op het schoolplein, van sportverslaggevers of Dorrestijn-mannetjes of andere publieke figuren, op café…

Ik heb een vriendin met twee studerende dochters. Een ervan weet persoonlijk al van minstens drie verkrachtingen van medestudentes in het voorbije jaar. Hoeveel het er in werkelijkheid zijn, moet een meervoud zijn. Een had zelfs bijtwonden. Allemaal voelen ze zich schuldig, allemaal zijn ze bang. Slechts één durfde aangifte doen. Een jaar lang werd zij telkens opnieuw ondervraagd, moest telkens opnieuw haar verhaal doen. De verkrachter kreeg uiteindelijk drie maanden in een soort heropvoedingsinstelling. Mijn vriendin begrijpt niet dat dat in deze generatie nog niet veranderd is, we hadden toch #metoo, zulk gedrag en zulke mannen worden toch openbaar aangeklaagd…

Maar wat leren we onze zoons? Welke praat horen ze? Wat zien ze in de populaire media? In hun internetporno? Welk vrouwbeeld bouwen ze ermee op?

Maxie

Hij wringt zich door de opening die ontstaan is vanwege een verzakte plank in het gammel poortje, herstelt zich onmiddellijk van zijn struikeling en verkent zijn nieuwe omgeving. Hij is een ietwat plomp onvolgroeid lijfje op stevige hoge poten. Hij heeft een robuuste kop met donkere ogen. Hij springt op het lage muurtje en roept bot ‘Mà!’, en nog eens: ‘Mà!!’ Er lijkt wel zo’n fluitje uit een gummi piepbeest in zijn keel te zitten. Moeder antwoordt niet.

Hij heeft een ferme snavel die deels bevederd is. Hij is nog jong maar nu reeds is hij al zoveel impressionanter dan onze kauwtjes. Alles aan een kauw straalt fijngesneden elegantie en speelsheid en alerte intelligentie uit, deze jonge kraai lijkt nu al een bonkje wil. Maar wat is een kraai die niet kan vliegen? Hartzeer. Zijn staart is nog niet volgroeid, de veren van zijn vleugels ook niet, van de onderste veren kun je nog de witte aanzetten zien waar de bovenste veren er nog niet overheen gegroeid zijn. Het is een compleet raadsel hoe deze jonge rekel in onze ommuurde tuin terecht gekomen is. Kraaien zien we hier zelden, enkel als ze voorbijvliegen en bepaald niet verwelkomd worden door hun kleinere neefjes die de buurt regeren. Het zou me ook zeer verbazen mochten ze in deze dichtbebouwde omgeving broeden, ik heb de indruk dat kraaien op een veiliger afstand van mensen blijven. En toch is hij hier, deze bengel, zo aanwezig als een jong maar aanwezig kan zijn: voor mij een onmogelijk te negeren appèl me om hem te bekommeren.

Hij gaat op een open plekje staan en roept weer schor en dwingend om zijn moeder. Er komt geen antwoord. Alleen onze kleinste kip, die niet veel groter is dan het jong en schrikt van zijn roep, kakelt nerveus. Ik kan het niet helpen, ik roep terug, in mijn bespottelijkste imitatie-kraais, gewoon om hem te laten weten dat hij niet alleen is. Wat natuurlijk belachelijk is want hij heeft niemand anders nodig dan zijn moeder of vader. Mijn WRÀÀ verontrust hem niet maar mij, dat reusachtige verticale monster, zien wel, dus ik trek me terug.

Als ik chaotisch vleugelgeklets hoor denk ik dat onze haan hem aangevallen heeft maar als ik naar buiten storm staat het pluimvee me onschuldig aan te gapen, het jong is verdwenen – het moet dus, met hals-(of vleugel-)brekende toeren over de omheining zijn geraakt.

Dan hoor ik hem roepen van achter het huis, MRÀÀ! Daar is een smalle doorgang tussen de veranda en de betonplaten-afsluiting, die leidt naar een klein vuil koertje. Ik vond er vorige week het stijve kadaver van een kauw, het kopje al helemaal gepluimd en ontvleesd. Dat schedeltje ligt nu gemummificeerd op mijn schrijftafel.

Van in de veranda kan ik het koertje zien. Het kraaienjong gaat op wat gestapelde brokstukken staan en roept weer. Er komt geen antwoord uit de hemel. Ik antwoord vanuit de veranda. Hij blijft roepen, hij is snugger: hij is op een open plekje gaan staan dat goed zichtbaar is vanuit de lucht en hij roept luid om te laten horen waar hij is. Ik blijf antwoorden in mijn slecht imitatie-kraais opdat hij zou blijven roepen. Komaan moeder, waar ben je, je jong kan nog niet zonder je!

In ‘Lijn van wee en wens’ speelt een scène waarin hoofdpersonage Mari een gewonde kauw voor de voeten krijgt. Ze ziet het niet zitten om voor hem te zorgen maar kan hem ook niet aan zijn lot overlaten. Even overweegt ze om hem uit zijn lijden te verlossen, hem te grijpen, haar duimen boven op elkaar op zijn hoge borst te leggen en te drukken, letterlijk zijn snel kloppende hartje te breken. Dat te schrijven alleen al brak mijn hart. De kauw beet van zich af natuurlijk, en eiste op die manier dat Mari voor hem zou zorgen. Op dat moment hield ik veel meer van de kauw dan van Mari.

Ik loop rond het huis om van de andere kant een handje gedroogde meelwormen op het koertje te gaan strooien. Als hij me ziet trekt de kraai zich terug tussen het onkruid achter de veranda maar hij vlucht niet. Hij houdt me in het oog. Tegen dat ik het hele huis weer om gelopen ben en vanuit de veranda ga kijken, heeft hij de meelwormen al gevonden. Hij knipt ze met zijn snavel in stukjes en speelt ze met gemak binnen alsof hij nooit iets anders gegeten heeft.

Als de meelwormen op zijn krijgt hij de kleine vliegjes in het oog die krioelen over de ton die in een drassige plek staat. Hij stapt gewoon in de slappe modder en zakt er meteen tot aan zijn knieën in. Hij heeft moeite om zijn poten los te trekken, verliest af en toe haast zijn evenwicht maar het deert hem niet, hij pikt een vliegje, vindt nog iets in de vieze modder. “… splashing in blood and spinal gunk and shit and piss, unravelling innards, whipping ligaments and nerves about joyous spaghetti tangled wool hammering, clawing, ripping, slurping, burping…” – aaah, Max Porters kraai… “And Crow stands thrilled in a pool of filth, patiently sweeping and toeing remains of demon into a drain-hole.” Hé Max, hé Maxie, wil je niet liever nog wat meelwormen? Ik doe nog eens het ommetje rond het huis met een handvol meelwormen. Ik doe nog een keer of drie, vier het ommetje rond het huis met een handvol meelwormen, blijkbaar heeft Maxie een niet te stillen honger. De jammere consequentie is nu wel dat hij niet langer om zijn moeder roept. Ik doe het hem wel voor maar nu hij zo gul gevoederd wordt, voelt hij blijkbaar niet langer de aandrang. Ik wacht even af.

Hij is zo aandoenlijk nieuwsgierig, plukt aan dode plantenstengels, trekt aan de tuit van een plastic gietertje. Van op de betonnen boord reikt hij naar iets dat hij gezien heeft in de modder, wat leert hij toch snel. Hij gaat op wandel, richting rest van de tuin. Dan hoor ik hem roepen vanuit onze grootste bloemenborder. Ik blijf achter de hoek van het huis staan kijken. Hij is op een oude kruiwagen gesprongen en staat van daar te roepen. Probleem is alleen dat hij onder bomen staat, dus vanuit de lucht niet te zien is. MRÀÀ! MRÀÀ! Ja Maxie, MRÀÀ, jongen!

Dan roept een volwassen kraai terug! KRÀÀ! Jà! Eindelijk! Ze roepen wat over en weer, Maxie en zijn moeder. Af en toe vergeet hij te antwoorden, staat met zijn kopje gekanteld omhoog te kijken. Ik zie geen kraaien over de bomen komen. Waarom komen ze hem niet zoeken? Het blijft weer stil.

Als hij van de kruiwagen springt, spreidt hij wel mooi zijn vleugels en landt zonder ongelukken maar vliegen is het niet. Hij verdwijnt in de begroeiing.

Later zie ik hem terug op het vuil koertje. Veilig omsloten, dat wel, maar hier zullen kraaien nooit landen.

Ik ga nog een handje meelwormen gooien en schuif een schoteltje water op het koertje. Hij zit me van onder de varens aan te kijken, verschijnt pas weer als ik verdwijn. Slimme jongen.

Ook het water heeft hij meteen ontdekt. Zijn drinken is wel nog onhandig, hij probeert met open snavel stukken water te grijpen, vaak heeft hij de rand van de schotel beet, maar hij leert snel, hij hapt water, houdt zijn kop hoog en laat de slok door zijn keel klokken. Hij stapt op de rand van de schotel en drinkt vol overgave. Afstappen gaat nog iets stunteliger. Hij hurkt en laat een witte klets vallen. In zijn schone water natuurlijk.

Het begint te regenen. Dan te hagelen. Hij zoekt geen beschutting, blijft gewoon roerloos staan waar hij staat, de kop wat ingetrokken. Als de bui voorbij is, gaat hij aan de slag om zijn veren te poetsen. Blijkbaar weet hij al hoe dat moet. Af en toe verliest hij wel bijna zijn evenwicht. Alles is oefening.

Het baart me wel een beetje zorgen dat hij zijn moeder niet meer roept. Hij is nog te onvolgroeid om het alleen te redden.

Voor we vertrekken vul ik een schoteltje met meelwormen en schuif het naast zijn schotel water.

Zodra we ‘s anderendaags thuiskomen, ga ik kijken: alle meelwormen zijn op en van Maxie geen spoor. Ik ga het schoteltje aanvullen, zie hem nergens op een van zijn schuilplekjes zitten, zijn donkere oog op mij gericht. Wat is er van hem geworden? Mijn hart zinkt.

Dan hoor ik hem achter de betonplaten, hij moet op een of andere manier in de tuin van de achterburen gesukkeld zijn. Ik roep hem, we roepen wat over en weer naar elkaar. Ik zet een ladder en zie hem op een stapel klinkers staan. Ik roep hem en hij kijkt naar mij maar hij vertrouwt me niet. Hij scharrelt van de klinkers af en naar een hoek met veel onkruid. Ik gooi meelwormen maar er is teveel wind en de meelwormen zijn te licht, ze dwarrelen in het opgeschoten gras, hij heeft ze niet zien vallen.

Maar ik kan hem daar toch niet achterlaten?

Waarom niet? Het is de natuur.

Waarom moet ik toch altijd alles proberen te redden? Heb ik een soort God-complex? Maar dan toch wel dat van de ware god: hij die weet dat hij niet bestaat, dat hij slechts een verzinsel is en compleet machteloos.

God, wat haat ik de onmacht.

Dan hoor ik een volwassen kraai in de lucht! En nog een! KRÀÀÀ! Jàà! Twee kraaien cirkelen boven de bomen rond. Eindelijk hebben ze hun Maxie gevonden! Ik kom de ladder af en trek me terug, kijk en luister vanuit het deurgat. Ze roepen naar elkaar, mijn dappere, kwieke Maxie en zijn ouders! Nu komt alles goed.

Plots ontstaat er een immens kabaal van door elkaar roepende en rondvliegende kauwen en nu ook nog een half dozijn schetterende eksters. Algehele consternatie. Misschien denken de kauwen en eksters dat het kraaienpaar op jacht is naar een van hun malse jongen in plaats van dat ze hun eigen verdwaalde lam komen redden? Maxie is niet meer te horen in de kakofonie. Momenteel misschien maar beter ook, eksters in bende zijn ook geen lieverdjes, hij blijft beter even ondergedoken.

De ouders geven niet op. Ze blijven terugkeren, overvliegen, in toppen van bomen gaan zitten roepen. Dan roept hij terug, MRÀÀ!! – hij moet door een haag in een volgende tuin aanbeland zijn, hij klinkt verder weg dan daarnet – en zij antwoorden onmiddellijk, drie-vier-vijf-zes keer, ze cirkelen rond, ik zie ze naar beneden kijken, zoeken. Waarom komen ze toch niet naar beneden, vraag ik me af.

Het duurt de rest van de dag, het over en weer roepen, het zoeken. Waarom komen ze in hemelsnaam niet naar beneden, ze moeten nu toch wel doorhebben dat hij nog niet kan vliegen? De god die ik ben wil ze godverdomme uit de lucht vissen en in die tuin droppen waar ik Maxie hoor roepen. Heeft hij al iets te eten kunnen vinden of zit hij op zijn honger sinds de laatste van die meelwormen?

In de schemering wordt het stil. Hij is nog niet gered.

De volgende morgen ga ik meteen in het rond luisteren. De kraaien klinken veraf. Soms denk ik dat ik heel in de verte Maxie hoor antwoorden. Hij moet al ergens in de wijk hierachter verdwaald zijn. Hij is dus nog steeds uit de klauwen van katten en honden en roofvogels weten te blijven. Misschien lukt het hem ook wel om een kostje bijeen te scharrelen? En de ouders blijven in de buurt, ze roepen hem. Ik moet geloven dat het goed komt.

De volgende dag hoor ik de kraaien nog steeds. Ik zie ze ook even in de top van een hoge boom zitten, hier misschien een halve kilometer vandaan. Ik verbeeld me dat ik Maxie hoor antwoorden. Ik wil geloven dat het goed komt, dat hij binnenkort zal leren vliegen en dan veilig in de hoge bomen zal geraken, zijn familie vervoegen. En misschien binnen afzienbare tijd hier zal overvliegen. We zullen elkaar niet herkennen.

Mijn zorgend meiske toch, omhelst mijn man me als ik ‘s avonds een beetje moet wenen. Vorige week zag ik een bij sterven en ik herkende er zoveel in dat mijn hart er even van brak. Toen vond ik de dode kauw, die had ik ook niet kunnen redden. Elders pleegde iemand zelfmoord en liet een geliefde kapot achter na een relatie van veertig jaar, ginds werd een baby geboren met de navelstreng rond zijn nekje, werd gered maar kreeg toen nog andere complicaties, straks moeten twee baby’s geboren worden waarvan er eentje nu al niet goed mee kan, het gaat maar door, overal en onophoudelijk, en ik ben een god zonder macht. Dat is het leven, zegt men dan. Maar ik kan alleen maar denken: het leven, dat is de constante dreiging van lijden en sterven en er is geen redding, er is geen God.

Vannacht droomde ik dat Maxie en zijn moeder overvlogen, zij gracieus traag flappend met die brede vleugels, ernstig KRÀÀ roepend, en Maxie achter haar aan, sneller slaand met zijn nog onervaren vleugels, MRÀÀ!MRÀÀ! riep hij naar me en checkte even of ik er nog stond.

Slechts in mijn dromen en mijn schrijven ben ik een God.

de dijen van Christophe Vekeman

Christophe Vekeman klom over een muurtje. In hotpants. Op tv. Het was geen fraai zicht, achterkanten van dijen zijn dat zelden.

Ik werd er wakker van. Ik sjokte naar het toilet, het krimpen der ouder wordende blazen weetjewel. Een paar slokken water om mijn vochtbalans weer op peil te brengen en dan terug in bed. Zoals nooit lukte het deze keer evenmin om dat alles zo sluipend te ondernemen dat ik mijn hersens niet wekte. Mijn hersens zijn als puppy’s: joepie, baasje is wakker!, speeltijd!, achter onze staart aan rennen!, achter mekaars staart aan rennen!, pissen van plezier, bijten om te spelen, bijten voor echt. Enzovoort. Vermoeiend maar valt niet te negeren. Ook niet om 4u20 ‘s nachts.

En dus: Christophe Vekeman in hotpants op tv, over een muurtje klimmend met onappetijtelijke achterkanten van dijen, zei je? Waar haal je het, je hebt nog nooit zijn dijen gezien, misschien heeft hij wel even perfecte dijen als zijn vrouw. Dat doet me eraan denken: dat verkeersbord dat je onlangs op iemands feed zag voorbijkomen – wat was dat, zeg! “Welcome to Amsterdam. WHEN IT’S HOT PLEASE DRESS FOR THE BODY YOU HAVE, NOT THE BODY YOU WANT. THANKS”

OK, puppy’s, dat is een onweerstaanbaar spelletje, ik doe mee!

“De cyclus van de seizoenen heb ik nooit zo kunnen beleven omdat ik in de stad woon, al heb ik altijd oog gehad voor de natuur, of het nou rozen, paarden of vrouwen betrof,” zei de Nederlandse schrijver van dikke romans over Rusland vorige week in een interview in de literatuurbijlage van mijn krant. ‘OMG’ schreef ik ernaast (ja, ik behandel mijn klassieke media weleens als sociaal en geef reacties onder de vorm van emoticons of afkortingen, of als het me echt te gortig is zelfs heelder zinnen in de kantlijn). Ook de jaarlijks herhaalde gelukzalige verzuchting bij het eerste mooie weer van een of andere man over ‘àààh, eindelijk weer zomerjurkjes-seizoen’, doet me mijn ogen zowat uit hun kassen rollen en twee vingers in mijn keelgat steken.

Och, we menen het niet kwaad, mevrouw.

Maar dat bord van Amsterdam is gemener.

Ach, kunt u niet tegen een grapje, mevrouw?

Niet als het ten koste gaat van mensen. En in dit geval: vooral vrouwelijke mensen. (En neen, ik kan niet bewijzen dat Amsterdam vooral vrouwen in gedachten had bij dat luidkeels ‘verzoek’, maar laten we wel wezen en een poes een poes noemen. En als je echt niet mee wil in mijn aanname, ook goed, want ik neem het in deze ook op voor de dijen van Christophe Vekeman.)

Serieus nu: wie zich nu nog niet bewust is van de verregaande schadelijke gevolgen van de male gaze, reclamewereld, rolmodellen in populaire media, selfiecultuur op sociale media enz etc op het zelfbeeld van (vooral) meisjes van moment van bewustwording tot aan hun dood, die is al vele decennia niet van onder zijn steen gekropen.

Er is niets grappigs, ik herhaal: NIETS GRAPPIGS, aan een groot bord in het straatbeeld waarop in koeien van letters staat dat als je niet aan het huidige schoonheidsideaal kunt voldoen, je verzocht wordt je aanstootgevende lichaamsdelen te bedekken. Een bord dat ook voetstoots aanneemt dat iedereen vanzelfsprekend het lichaam wil dat het huidige schoonheidsideaal voorschrijft. Neen, zo’n bord is geen onschuldig grapje. Zo’n bord zegt: je bent enkel welkom als je voldoet aan onze normen en onze normen zijn die van een saaie conservatieve samenleving, die heult met de dictatuur van de mal, de pasvorm, het korset.

Ik zeg: leve de ongegeneerd luchtende dikke enkels, zwartbehaarde melkflesbenen, ossenknieën, cellulitis-dijen, zwabberbillen, love handles, spekvetbuiken, hangtieten, lillende bovenarmen, vette nekken. Leve de ongegeneerd luchtende arm- of beenstompen, rolstoelstokkebeentjes, horrelvoeten, groteske gezwellen, littekens, misvormingen of wijnvlekken. Wie het niet kan aanzien, bedekt maar zijn ogen. Of blijft thuis.

Ik wou dat ik het lef had om in de enige kleren die ik in een hittegolf verdraag, het huis uit te gaan, met dikke buikbanden en armen en dijen en knieën en kuiten en enkels en al. Bravo aan zij die uit het hok van de afgewezenen, ongewensten, bespotten, verworpenen, onbegeerlijken waarin ze sinds hun kinderjaren opgesloten werden, hebben weten te breken. Bravo aan zij wie het geen hol kan schelen wat andere mensen van ze denken.

Sara Maitland, schrijfster van een van mijn lijfboeken, ‘A book of silence’, verscheen in een tv-interview met een kin en bovenlip vol wollige witte haren. Ik houd mezelf voor dat het nooit te laat is om te beginnen met moedig zijn. Misschien stop ik op een dag wel met de amper waarneembare haartjes die reeds af en toe op mijn kin verschijnen, uit te snokken en kweek ik mezelf een zacht wollig baardje waar ik dan zwijgend en wijs glimlachend over kan strijken.

En aan Christophe Vekeman wens ik alle vrijheid voor zijn dijen, hoe ze er ook uitzien. Hotpants en cowboy boots, Christophe!

ik leer dat elke dag gered kan worden

Doorheen de dag glijdt de zon van over mijn linkerschouder op traagzame weg om achter de bomen onder te gaan. Zo halverwege moet ik mijn kampeertafeltje een meter achteruit schuiven omdat mijn papier me verblindt. Een halfuur later neemt de zon de bocht van de bomen en kan ik weer een bank vooruit.

Van waar ik in het gat van de openslaande vensterdeuren zit heb ik onbelemmerd zicht op het middelste stuk van de tuin. Zonder een vin te verroeren kan ik drie rozenbogen zien, waarvan er een al grote fuchsiaroze rozen als van verfrommeld crêpe-papier draagt. Ik weet dat ze naar zeep ruiken. Voor me spreidt zich een bultig hoogpolig tapijt in tropische kleuren uit. Knalgele dotten hollandica-irissen en flarden baardiris in twee tinten koninklijk paars, uitgestrooide bollen elektrisch lila sieruien, botergele toefjes viooltjes, zalmroze klodders papaver, een vurige kwak nagelkruid die nu, kijk, net nu, op dit eigenste ogenblik, in een plas zon ligt, en pointillistische bloemhoofden in helder limoengroen van de wolfsmelk, en een teer roze toorts lupine, en een witte voile fluitenkruid, en koraalroze toetsen spoorbloem, en links de showstopper van het moment: de vlinderstruik met de explosie geeloranje knikkers en op elke knikker een gretige hommel. En dat alles op een ondergrond van groen in talloze tinten en bladvormen.

De bovenste helft van mijn kader is gevuld met stukken van een tiental bladerloze bomen, geen kader is groot genoeg als je zo dicht bij hoge bomen zit. Ze zetten mijn werkplekje in een groen onderwaterlicht.

Heel af en toe waait een windvlaag een deurdeel dicht. Een laag glas komt tussen mij en mijn uitzicht en er gaat iets dicht in mijn hoofd. Dan moet ik opstaan en over het tafeltje heen hangen om de deur een duwtje te geven.

Maar ik zit hier niet voor het uitzicht.

Er was me gevraagd of ik een werk van een Amerikaanse schrijver en een Vlaamse fotografe wilde vertalen. 5000 woorden in drie dagen, of het konden er ook 7000 worden, dan kreeg ik een dag voorsprong. Een opdracht met een krappe deadline maar het zou een aardig centje opleveren. Het was een uitdaging en een goede oefening. Vertalen is misschien wel de beste oefening voor schrijvers met woordvindingsproblemen. Vanuit je eigen particulier ontwikkeld taalgevoel verplaats je je zo goed en zo kwaad als je kan naar dat van een collega, en je spontane herformuleringen toets je af aan woordenboek en thesaurus , als een spons zuig je taal op.

Ik keek ernaar uit.

Ik maakte mijn agenda vrij voor die week en bereidde me voor (ik heb me nooit kunnen ontspannen in het aanschijn van een deadline) op enige stress.

En plots werd het zomer. Ik schoof ladder en verfpotten in onze bibliotheek-in-spe aan de kant, klapte ons al jaren niet meer gebruikte kampeertafeltje open en pootte er een ijzeren terrasstoel neer, schoof ook nog een bistrotafeltje bij voor de laptop en gooide de tuindeuren open. Ik hoefde dit mooie weer niet te missen.

Ik hou van die dagen met open deuren en blote voeten. Alles voelt ongecompliceerd.

Ik ging met de print van het eerste hoofdstuk, mijn woordenboek, een blocnote en potlood en slijper aan het kampeertafeltje zitten en begon.

Na afloop verfde ik nog wat verder aan deur en raamkozijnen.

Ik wachtte op het tweede hoofdstuk.

Ik plukte boeketjes, plantte een handvol rozenstruiken, deed de vaat. Wachtte af of andere mensen hun beloftes zouden houden.

Ik timmerde twee planken boven op een oud trapladdertje om er een voederplank van te maken zodat wij deze zomer niet elke dag voor het eten vogelkak van de terrastafel moeten schrobben. Ik verspeende wat zaailingen en nam wat stekjes van tuinplanten.

Ik leerde dat ik er niet van houd om voor het plannen van mijn werk zo afhankelijk te zijn van onvoorspelbare anderen.

Ik vertaalde nog een hoofdstuk, balancerend op het slappe koord tussen respect voor de tekst en zijn auteur, en de mooist mogelijke Nederlandse tekst te maken. Die ook goed moest klinken, temeer daar het een audiotekst voor bezoekers van een tentoonstelling moest worden.

Er diende telefonisch overlegd te worden. Het mocht allemaal wat vrijer, ik hoefde niet zo dicht bij het origineel te blijven.

Ik leerde dat ikzelf niet gediend zou zijn van een vertaler die zich zo’n vrijheden zou permitteren met de zo weloverwogen formuleringen in mijn werk. Ik leerde dat niet elke schrijver zijn zinnen beschouwt als secuur gezette edelstenen.

De mails werden een thread.

Ik begon elke dag met yoga, zoals ik al doe sinds de eerste dag van dit jaar. Hoofd en hart en bekken op één lijn. Ik leer dat de beste weg naar mijn geest via mijn lichaam loopt. Het maakt me een beter mens. Ik leer de dingen beschouwen als een leerproces. Ik leer dat elke dag gered kan worden.

Ik vertaalde, tikte uit en verzond, las mails en stuurde mijn antwoord naar allen. Ik leerde dat ik samenwerken in de literatuur lastiger vind dat alleen werken. Ik leerde dat dat niet voor iedereen geldt. Ik leerde dat ik in de toekomst alleen nog afgewerkte teksten wil vertalen.

Nu bleek buiten mijn weten om ook nog een andere vertaler ingeschakeld als controle. Ik leerde dat ik niet houd van dergelijke verrassingen. Ik leerde dat persoonlijke voorkeuren van formuleringen blijkbaar beschouwd kunnen worden als het betere alternatief. Ik leerde dat ik er niets voor voel om in debat te gaan over mijn vrijgevochten taalgevoel. Ik leerde dat waar ik voet bij stuk zou houden in mijn eigen schepping, ik andermans creatie relatief probleemloos kan loslaten. Ik leerde dat vrijheid iets anders is. Ik leerde dat ik toch liever in mijn eigen teksten rondwaar dan in die van een willekeurige ander. Ik weet allang dat vrijheid mijn hoogste goed is.

Na het werk wandelde ik door de tuin om mijn murwe zinnen te verzetten. Weer vrij te maken. Ik dronk een biertje met mijn wederhelft in de luwte van de avond, in onze luie tuinstoelen en met onze blik op de blauwe lucht om de voorbij scherende gierzwaluwen te volgen.

Elke voormiddag gooide ik de tuindeuren open en ging aan het kampeertafeltje zitten met de nieuwe prints en een flesje water. Verdorde blauweregenbloempjes waaiden binnen. Ik begon mijn eigen excentrieke taal meer en meer te missen.

Ik had het getroffen. Dit was de dag dat de kauwenjongen uitgevlogen waren. Er was een ononderbroken luidruchtig en druk getsjalk in de oude bomen, ik zag zwarte schaduwen door het groene zonlicht tuimelen.

Toen ik een hoofdstukje af had, beloonde ik mezelf: ik moest de jongen zien.

Zodra ik onder de bomen stond begon het schelden, een verongelijkt laag en lelijk krassen, als van kwaaie kraaien. We hebben altijd aangenomen dat het de ouders waren die ons uitscholden, die ons met veel kabaal wilden wegjagen van hun pas uitgevlogen jongen. Dat is wat ouders doen. Met mijn hoofd in mijn nek zag ik tientallen ouders en jongen rondgaan door de boomtoppen. De jongen hupten wat van tak naar tak, fladderden verwoed bij het landen, vlogen als harkerige leerlingdansers buiten de bomen om. De ouders zeilden feilloos en gracieus door de smalle ruimtes tussen de takken en riepen hun vrolijk schelle getsjak. Het waren de jongen die zo lelijk schreeuwden. Ik vergiste me niet, daar zat er een heel zichtbaar, hij was net met veel stuntelig gefladder geland, en bij boog zijn slanke kopje naar beneden, naar mij, schold me vierkant uit. Andere vogeljongen leren zich heel stil te houden als er gevaar dreigt, kauwenjongen geven dus meteen luidkeels misnoegd alarm. Heerlijk vind ik dat.

De kauwen bleven in de hoogste regionen van de boomkruinen, mijn nek begon pijn te doen. Ik baande me een weg door het onkruid, veegde wat er zoal uit de bomen valt van de zitting van de schommelbank en ging liggen, van kop tot kont paste ik net, mijn voeten plantte ik op de armleuning. De schommelbank wiegde nog wat na en al wat ik zag was dansende en deinende boomkruinen van onderuit, van binnenuit. In het mooiste groene onderwaterlicht dat er bestaat. En daarin mijn favoriete lawaaierige vogels.

Ik realiseerde me hoe gelukkig ik onlangs geworden ben.

Nee, het is niet dat vanzelfsprekende geluk van weleer, dat bestaat al tien jaar niet meer. Het is een met grote aandacht en zorg opgebouwd bewust genieten. Een hoge en diepe en weidse extase waar ik met slag en stoot en blutsen en builen ruimte voor heb uitgehakt. Het is een zelfgeschapen paradijselijke ruimte voor dankbaar bewustzijn. Voor vol vertrouwen leren en evolueren. Voor dagen die verrassingen en geschenken zijn en voor nachten zonder zorgen.

Vanuit die extase wil ik schrijven.

Die 3777 brave woorden zijn niet van mij. Deze 1460 zijn dat wel.

Ik duwde me af voor nog een duizelingwekkende bomendans.

op straffe van onzichtbaarheid

Terwijl ik in wijdheupse ganzenpas door de tuin waggel om handmatig duizenden esdoornzaailingen weg te wieden, een activiteit die ik ten zeerste kan aanbevelen om jezelf terug te brengen tot bescheiden afmetingen en ondertussen te luisteren naar de vogels en de wind die iets voorspelt, al moet je natuurlijk niet overdrijven want voor je het weet heb je jezelf een lumbago gewaggeld en brengen de ontstekingsremmers je nederigheid nog verder terug tot je nog slechts één grote maag- en darmkramp bent, een staat die ik ten zeerste kan afraden, maar waar was ik gebleven, o ja, in wijdheupse ganzenpas waggelend door de tuin, onderweg boompjes in de kiem uittrekkend, een boom met mezelf opzettend (hahahilarious) over waarom ik me zo geërgerd had aan dat interview dat Mark Schaevers afgenomen had van Niña Weijers.

Ik las Niña Weijers’ boeken graag. Ik wist niet dat er een nieuw staat te verschijnen. Ik wist ook niet dat ze zwanger was maar dat interesseert me minder. Of het zou moeten zijn dat daar goede literatuur van komt, van die zwangerschap.

De titel van het interview (‘Ik ga Arnon duidelijk maken: hé, rotzakje, je wordt wel vader, niet een rare grote broer’) had me wijzer moeten maken, toch las ik verder, in de hoop iets te weten te komen over het boek. Of over het schrijven. Als schrijvers toestemmen met interviews denk ik nog altijd dat ze daar iets zinnigs over te zeggen hebben.

De meeste vragen begonnen als volgt: “Niet zo lang geleden citeerde je in een column…”, “In 2015 zei je…”, “Arnon schreef voor het eerst over jou in een stuk in Het Parool…”, “Arnon koos na enkele weken van verliefdheid voor jou, en schreef over zijn dilemma…”, “Je hebt nooit spijt gehad in de liefde, zei je eens in een interview…”, “De al te opdringerige vraag of Arnon als minnaar meevalt, hoef ik gelukkig niet te stellen. Die heeft hij je al laten beantwoorden in een interview…”, “Nog maar een maand of negen geleden noemde Arnon in de krant…”, “Arnon noemt zichzelf voortdurend ontsnappingskunstenaar, en jij merkte in een interview ook al op…”, “Over Arnons aanstaande vaderschap ging het uitgebreid in een recente podcast…”, “Nog een quote van Arnon:…”, “Ik overval je niet met slecht nieuws als ik ook nog meld dat hij in die podcast liet weten…”, “Ik las in de krant dat Arnon…”, “Mag ik nog je gelukscore weten? Arnon heeft die bij het begin van de zwangerschap ingevuld…” enz etc.

Ben je nog goed bezig als schrijver als je in interviews niets anders te doen hebt dan beamen, weerleggen, nuanceren, bijsturen wat je (of, godbeware, je geliefde die toevallig ook schrijver is) eerder al ergens zei of schreef?

Er is een essay van P.F. Thomése, ‘Antischrijver’ heet het, waar ik regelmatig uit citeer omdat ik het niet beter kan formuleren dan hij hier al deed:

“De maatschappelijk geslaagde schrijver – dus degene die zichzelf als personage heeft gevestigd – heeft afscheid genomen van de mogelijkheden. Hij heeft gekozen. Hij is geworden wie hij is en zal zichzelf moeten blijven nadoen op straffe van onzichtbaarheid. De onzichtbaarheid die hij nodig heeft om te kunnen schrijven, maar dat is hij vergeten. Hij schrijft voortaan om succes te hebben en daarvoor moet hij zich blijven laten zien. [..] Hij plaatst zichzelf voor zijn tekst, reduceert deze tot een attribuut van zijn rol. De tekst – waar het om gaat, zeg ik er voor de zekerheid bij – wordt ondergeschikt aan zijn performance als schrijver op het podium van de actualiteit. Zodra een schrijver zijn boeken begint te overvleugelen, kun je stellen dat het voorbij is; dan worden zijn romans de accessoires van zijn beroemdheid, die tot doel op zichzelf is geworden en die een nieuw boek alleen nog nodig heeft om zich in de herhaling te kunnen bevestigen.”

Tja, zo is onze tijd nu eenmaal… Arm schrijvertje dat zich moet onderwerpen aan de machinaties van dit tijdperk van meedogenloze dwang tot zichtbaarheid.

O ja? Ben je als schrijver dan echt zo machteloos?

Ik wil een lans breken voor de vriendelijke weigering.

Een paar dagen geleden werd me gevraagd of ik een week de column ‘De mening’ voor de digitale avondeditie van De Standaard wilde schrijven. “Het gaat om een dagelijkse rubriek, waarin u reflecteert of liever opinieert over de actualiteit.” Nu zie ik niet waarom mijn mening interessanter zou zijn dan die van de volgende mens aan de toog (jaja, pre-pandemische beeldspraak), bovendien ben ik meningenmoe, maar bovenal: ik schrijf niet over de actualiteit, ik schreef een kortverhalenbundel en een roman die zich allebei afspelen op fictieve plekken en in tijden waarin niets van actualiteit doordringt, en mijn volgende roman speelt zich af in de jaren ’30 en ’60 van de vorige eeuw.

Ik heb vriendelijk geweigerd.

Ik weiger voor mijn werk te gaan staan. Mijn plaats is, onzichtbaar, achter mijn werk.

“Geachte aanwezigen,” opent Thomése zijn essay, “De schrijver is in toenemende mate iemand geworden die de schrijver vertolkt, in interviews, in tv-programma’s, in theaters, op festivals, bij allerlei gelegenheden eigenlijk, en als hij tijd overhoudt zelfs thuis aan de schrijftafel. [..] De schrijver is een personage geworden. Een figurant in het doorlopende verhaal dat ‘actualiteit’ wordt genoemd en waar deze figurant zo graag zijn kleine bijdrage aan wil verlenen. [..] Ooit bleef de schrijver verborgen in zijn eigen verhalen, kon je zelfs niet vaststellen of hij dood was of dat hij leefde. Een onzichtbare was hij, spoorloos opgegaan in de woorden die hij schreef.” En dat hij daar heimwee naar heeft, schrijft Thomése.

Ik ook.

Er werd me gevraagd of ik een stuk wilde schrijven over een uitstervende soort. Ik schreef over de nachtzwaluw. Hoe zijn onzichtbaarheid altijd zijn bescherming was. En nu niet meer. Ik laat mijn stuk eindigen met het uitsterven van de mens. En met de hoop dat voor de nieuwe levensvorm die daarna zal ontstaan onzichtbaarheid andermaal een bescherming mag zijn. Een proeflezer merkte op dat ik het over mezelf had.

brave stille magiër

Marsmannetjes hebben vannacht mijn moeder van haar bed gelicht.

Dat was hoe mijn vader het vertelde.

Het moet beangstigend zijn geweest. Wakker gemaakt worden door van kop tot teen zwaar ingepakte onherkenbare figuren die je stante pede willen meenemen.

Mijn moeder is vijfenzeventig en zeer broos geworden. Ik heb haar al meer dan een halfjaar niet gezien.

Ruim twee weken geleden stond mijn vader in de douche toen hij een zware bons hoorde. Het was al niet meer de eerste keer dat mijn moeder zwaar ten val kwam. Ze heeft bloeddrukproblemen, een onbetrouwbaar hart, dun bloed en een door pijnstillers uiterst teer geworden huid – als ze valt zijn de gevolgen meestal groot en het genezingsproces traag.

Een eerste hersenscan toonde dat alles OK was, een tweede dat ze een hersenschudding had, een derde dat ze twee kleine bloedingen had, een die wellicht de oorzaak was van de val en een als gevolg. Intussen was ze al met spoed geopereerd aan de inwendige bloeding in haar onderbeen die haar huid op barsten zette. Een snede van enkel tot knie, vierendertig krammen, een zwart afstervende huid en veel pijn.

Mijn moeder is chronische pijnlijder. Mijn liefste kind had afschuwelijke pijnaanvallen tot op de laatste dag van haar leven. Als er iets is waar ik kapot van ga, is het anderen pijn zien of weten lijden. De gekmakende machteloosheid. Mijn liefste kind was al kapot geboren, mijn moeder is kapotgegaan aan het leven. Mijn liefste kind dat elke pijnaanval als een razende bevocht, was en is nog steeds mijn grootste voorbeeld, mijn moeder die zichzelf zoveel geweld heeft aangedaan dat haar lichaam zich tegen haar keerde, was altijd en is nog steeds mijn grootste schrikbeeld. En elke pijn die ze oploopt bovenop de pijn die ze al zolang moet lijden, is ondraaglijk voor me. En al mijn razernij is machteloos. Ik kan niets anders doen dan de razernij zo goed mogelijk verbergen als ik haar bel, kaarsjes voor haar branden omdat ze daarin gelooft, haar kaartjes van bloemen sturen, en bloemen uit de tuin, en gehaakte bloemen… het zijn machteloze pogingen haar lijden te verlichten.

Mijn volgende boek wil ik opdragen aan haar. Ze leest mijn boeken niet maar ze zal wel die opdracht lezen als ik de bladzijde voor haar opsla. Ik heb het haar nog niet verteld, ik heb het nog niemand verteld, ik wil haar ermee verrassen. Gisteren, aan de telefoon, kwam ik even in de verleiding. Ze hoopte zo hard dat ze vandaag naar huis zou mogen. Maar als ik het haar niet zou vertellen, als ik het niemand vertelde, dan zou ze zeker nog de jaren dat het duurt eer het boek af is, (relatief) gezond en wel blijven. Magisch denken. In tijden van machteloosheid val ik terug op mijn magische krachten: als ik zus doe, dan zal zo niet gebeuren. En een brave en stille magiër wezen, het noodlot niet tarten.

Ik werd gisteravond door een bibberige angst gegrepen. Het was al te lang dat ik mijn moeder niet meer gezien had… wat als ik haar nooit meer zou zien? Maar ik knipperde de tranen weg, ik moest een brave stille magiër blijven, het noodlot niet tarten.

Zo spartel ik ook al een jaar braaf en stil thuis rond. Niet alleen voorbeeldig in isolement en al mijn dierbaren op het hart drukkend geen risico’s te nemen, maar ook alle razende machteloosheid verbergend, niet publiekelijk te steigeren over de ontregelende maatregelen, er zelfs zo weinig mogelijk over te praten, schrijven, lezen, luisteren… als ik maar het hoofd gebogen houd, de wijsvingers in de oren geduwd, en stilletjes voor me uit zing, dan zal het onheil voorbijtrekken zonder mij en de mijnen te treffen. Ik ben het magische kind, de handjes voor het gezicht geslagen, mezelf overtuigend: niemand ziet me.

En nu is mijn moeder, mijn voorbeeldig geïsoleerde, broze moedertje, gezien. Wat kan ik doen om het onheil af te wenden? Als ik haar vertel dat ik mijn boek aan haar opdraag, blijft ze dan leven?

het vuur in andere mensen. over de coup de foudres van een boekenmeisje

Zelf een vurig mens word ik gesmoord onder het deksel van koele mensen en vlam ik op van het vuur in andere mensen.

Er is een cultuurprogramma, Denderland genaamd, op het tv-kanaal Eclips TV, en mijn favoriete rubriek is helemaal aan het eind van de vrijdagavond: CULT, een uniek kwartiertje literatuur is dat. Passioneel boekenmeisje Melissa Giardina zit thuis tussen haar boekenkasten en vertelt de kijker over haar meest recente coup de foudre. Melissa is een letterenveelvraat zoals ik er een ben. Net als ik kan ze kop over kont verliefd zijn op een boek, net als ik wil ze haar liefde dan met zoveel mogelijk andere lezers delen, de lezers aansteken, hen een fantastische leeservaring op een dienblaadje presenteren: toe, tast toe, je moet eens proeven, je hebt nog nooit zoiets heerlijks gelezen! En dan leest ze je een stukje voor, om je te laten proeven, ze laat het over haar tong rollen en je proeft het: ojà, ik wil dat hele boek verslinden!

Veel meer dan door lange analytische cerebrale stukken in ronkende termen, word ik aangestoken door lezers die vol zijn van een boek en je daarover willen, wat zeg ik, MOETEN!, vertellen. En Melissa ís aanstekelijk in haar coup de foudres. Zoals ik namasté terugfluister naar Adriene aan het eind van onze yoga sessies, zo glimlach ik terug naar Melissa als ze aan het slot van CULT knipoogt ‘tot volgende week’.

Komende vrijdag is CULT de 250ste Denderland-aflevering. Niet alleen feest voor Denderland maar ook voor mij want Melissa’s nieuwste coup de foudre is mijn roman ‘Lijn van wee en wens’! Toen Melissa me dat liet weten, was dat als een schietstoel naar een hogere verdieping van de hemel waar ik nu al een paar maanden spelevlieg door alle enthousiaste lezersreacties en recensies die ik al mocht ontvangen. Maar gisteren stuurde ze me het nog ongemonteerde filmpje door en dat was geen schietstoel, dat was… ach, laat maar, ik vind geen metafoor. Ik heb meer woorden nodig, laat het me even wat omstandiger beschrijven?

Melissa zit tussen haar dichtgestapelde boekenkasten, aan haar rechterkant een ware boekenwand, achter haar een halfhoge boekenkast die nog wat licht binnenlaat uit een trapgat daarachter. Het zijn levende boekenkasten, elke CULT-aflevering zijn er wel andere stapeltjes te zien. Ik probeer altijd ruggen te lezen, ik wed dat elke lezer dit doet. Deze keer zie ik veel Claus-ruggen, vorige week was hij 13 jaar dood en las Melissa een gedicht voor dat je deed blozen van opwinding.

Als Melissa mijn mooie Spilliaert-groene boek oppakt, zie ik het vergulde afgeplatte uiteinde met gummetje van een Palomino Blackwing van tussen de bladzijden uitsteken. Alles wat ik schrijf, ook alle versies van ‘Lijn van wee en wens’, ook dit blogstukje, schrijf ik met Blackwings.

Als Melissa benadrukt dat mijn boek over liefde gaat, vooral liefde, en mij daarmee zo blij maakt want ‘Lijn..’ is niet alleen een rouwboek maar ook een verhaal van de liefde die alles overleeft, duikt in het trapgat achter haar het kopje van haar geliefde zwarte kat op. Melissa legt haar hand op haar hart om in het kort de verhaallijn te vertellen en achter haar komt de geliefde kat de trap af.

Wat me wederom blij maakt is dat Melissa zegt dat het kauwtje Jakke een heel mooi personage is, want dat is hij, hij is geen attribuut, geen accessoire, hij is een volwaardig, belangrijk personage.

En dan leest ze voor, een van mijn favoriete passages: hoofdpersonage Mari en de gewonde Jakke zitten opgesloten voor de nacht in een kerk, Jakke valt uit een raampje van de klokkentoren en Mari is ervan overtuigd dat hij te pletter geslagen is en ze kan niet naar hem toe. Ze gaat zich bezatten aan miswijn en schrijft een vlammende preek tegen de geloofsgemeenschap. Melissa leest de passage vol vuur voor, je hoort Mari’s pijn en woede en verachting en verlangen in haar stem, ze slaakt Jakke’s alarmkreet, ze zingt voor een lege kerk… en ik word getuige in plaats van maker van dit verhaal, ik zie Mari, ik hoor Mari, ik voel Mari, Mari is sinds haar schepping nooit zo zichtbaar geweest, zo levend buiten mijn hoofd, het gevoel is onbeschrijfelijk! En ik ken de prachtige finale van deze scène, ik heb ze zelf geschreven, maar toch kruipt het kippenvel over mijn lijf als Jakke weer ten tonele verschijnt, TCHAK! doet Melissa Jakke na en heel haar gezicht gaat open van vreugde bij het zien van Jakke en de tranen springen me in de ogen, daar is hij! ‘daar ben je! je lééft nog!!’ Heel die slotscène blijft Melissa’s gezicht stralen van Mari’s blijdschap en ik kan me geen mooier bewijs voorstellen dat mijn verhaal echt lééft, dat Mari en Jakke echt leven. Die kleine onbewuste beweging die ze maakt – ze trekt haar linkerschouder even op als ze leest over Jakke’s herstelde linkervleugel – is de meest ontroerende beweging die ik sinds de geboorte van mijn boek zag: een lezer die zich even Jakke waant. Ik ben een gelukkige schrijver.

Lees. Dit. Boek. Zegt Melissa met vurig flitsende ogen.

Dan knipoogt ze naar me en ik kan haar wel kussen. Ik ben een dankbare schrijver.

Praktisch: CULT, komende vrijdag 26 maart om 23.35 op Eclips TV, en later ook op Youtube, over ‘Lijn van wee en wens’ van Caro Van Thuyne bij Uitgeverij Koppernik

groeten uit het bardo

1 maart is een perfecte dag om los te laten!

Met een simpel zinnetje als dit: “Ik wens je te bedanken voor de jaren van professionele inzet voor de kinderen en de werking en veel succes op je pad!” is er een streep getrokken onder een kleine dertig jaar als gedreven zorgende.

1 maart is een perfecte dag om bruggen boten en al die treurnis in de fik te zetten! Hoogtijd voor blijheid! Ik heb dertig jaar van mijn leven gegeven gegooid geofferd aan dat idealisme en de kinderen waren elke minuut waard maar het beleid heeft me uitgewrongen gedwongen opgebruikt en weggegooid dus hé, laat ik voorbij de laatste twijfels grinnikgiechelen barsten van het lachen huppelen springen zingen en brullen: hoogtijd voor blijheid! Het is nooit te laat om op te springen en te

GAAAAAAAAN!

Wel, ik hang nu nog tussen de twee…

… ik zal geen Disney-prinses meer spelen om die sloeber in zijn rolstoel aan het lachen te maken, ik zal geen zwaarlijvige rondborstige hevige treze meer op schoot nemen om keppe te doen en het te laten ontsporen in uitgelaten trekken en sleuren aan mekaar, ik zal niet meer de slappe lach krijgen als het een liever lui dan moe kind niet lukt uit bad te kruipen en gieren tot ze zelf ook stopt met zagen en klagen en begint mee te giechelen, ik zal niet meer in slow motion wegrennen voor het ventje dat zijn stappen moet oefenen, ik zal niet meer een hele wandeling lang hand in hand kinderliedjes zingen met een opgeschoten slungel, ik zal niet meer stoeien met een wild kind op een waterbed, ik zal geen kinderen meer met veel show aanmoedigen en al hun flauwe mopjes onvermoeibaar meespelen, ik zal geen kinderen meer animeren motiveren prijzen plezieren kietelen knuffelen dragen wassen verschonen voeden strelen instoppen aan het lachen maken bevestigen zichzelf laten zijn hun beste zelf laten zijn… ik zal ze zo missen…

… en mijn toekomst is nog zo onzeker…

… ik hang nu tussen die twee, dat afgesloten verleden en deze onzekere toekomst, dit is het bardo maar hé, dit is de plek om los te gooien wat vast zat dit is de tijd om te dansen zonder te denken aan ritme of voeten – hoogtijd voor blijheid! Het is nooit te laat om op te springen en te gààn – de mistroostigheid buiten te schoppen de zwaarmoedigheid buiten te schoppen slecht nieuws te verscheuren spiegels neer te halen muren neer te halen trappen af te breken vloeren uit te breken het hele huis af te branden straten plat te branden alles in de fik laaiend rood laaiend gaat mijn hele wereld op in vlammen en ik gooi mijn hoofd in mijn nek en kus het allemaal vaarwel!

Het is 1 maart en in het bardo komen de eerste nieuwe ideeën komen de eerste nieuwe voorstellen de eerste nieuwe projecten de eerste nieuwe vooruitzichten, het is 1 maart en het is een perfecte dag om los te gaan uit de bol te gaan al mijn zorgen te vergeten het leven en alles dat me doet huilen – hoogtijd voor blijheid! Het is 1 maart en het is een perfecte dag om dromen te doen uitkomen om groot te denken en alles te doen wat ik nog wil doen – hoogtijd voor blijheid!

(vrij naar ‘Doing the unstuck’ van The Cure)