sinterklootzak

Het gaat goed met je.
Is dat voor het eerst in acht jaar dat je dat kunt zeggen en menen?

Je geeft je nog steeds met veel te veel graagte over aan overmoed dus blijf toch maar een beetje voorzichtig.
“Een terugkerend iets, voorzichtig zijn, anders…” las je deze morgen in dat boekje ‘Melancholicaman’ (van Frits Marnix Woudstra, die z’n zoon verloor aan zelfmoord), “Blijkbaar ben ik iedere keer weer zo bang dat de ontmoeting als een kunstig geblazen zeepbel uit elkaar zal spatten als er een verkeerde manoeuvre plaatsvindt. Zelfs in mijn dromen. Rudolfje Steiner heeft geleerde boeken geschreven over droomduiding. Wat ik er met mijn boerenverstand van begrijp, is dat (in mijn geval) door over Lucas te dromen, hij ook daadwerkelijk bij me op bezoek komt. Zo voelt het ook. Je kunt hem echt aanraken, in zijn nabijheid zijn. Het voelt zo sensationeel echt, dat ik de uren daarna in een verdrietige verdoving aan de waterkant blijf mijmeren.”
Je voelt mee met de melancholicaman maar bent ook stinkend jaloers. Hij kan tenminste nog in zijn dromen bij zijn zoon komen. In jouw dromen gaat het altijd over niet bij elkaar kunnen of mogen komen, elkaar niet vinden. Vorige week nog herkende ze je niet. Je was de hele dag van slag.

Maar de ergste nacht is weer voorbij. De nacht van met haar lege pyjamatruitje op je blote vel de zwarte uren doorkomen.
De eerste jaren ging je zelfs niet naar bed voor 3u20, je wilde waken alsof ze anders alleen zou moeten sterven, alsof ze elk jaar weer moest sterven die nacht.

Je haat nog steeds kinderachtig onredelijk die sinterklootzak alsof hij het is die haar heeft meegenomen, in plaats van speelgoed te brengen.
Alsof je teruggekeerd bent naar het geloof uit je kindertijd om toch maar iemand te hebben waar je je razernij kunt op richten, iemand om te haten omdat hij je het dierbaarste ter wereld heeft afgenomen.
Niemand heeft last van je onnozele haat, je doet er niemand kwaad mee.

Maar de nacht is dus weer voorbij, ze is weer gestorven, je hebt haar weer in je kleurrijke lapjesdeken door de donkere gangen naar dat koude kamertje gebracht en gewassen en aangekleed en al die gruwelijk pijnlijke details weggeduwd naar je achterhoofd, en de ochtend was mooi, er was een blauwe lucht met wolkjes en er waren levendige kauwen… Dus ja, het gaat goed met je: je kon de kleuren en de vogels zien.

Want dat was ooit anders.
De vogels waren het eerst om terug te komen en ze zijn gebleven.
Op de kleuren heb je langer moeten wachten. Misschien zul je nu de rest van je leven wel geobsedeerd blijven door kleuren. Het terugkeren van de kleuren was het terugkeren naar het leven.
De lucht is intussen van het vuilste, meest bewegingsloze, doodse grijs, maar straks plant je felgekleurde viooltjes in haar tuintje.
Kleuren zijn het dichtst dat je kunt komen bij aanrakingen. Of zo: kleuren zijn voor het oog wat aanrakingen zijn voor het lichaam. De felste kleuren zijn haar sterke omhelzingen, hoe ze haar pezige armpjes rond je nek sloeg en haar handen op slot deed om nooit meer los te laten.

Daar zat je aan te denken toen je vanochtend die feloranje mandarijn zat te eten, starend naar een van haar laatste foto’s. En dat het zou moeten kunnen: elk jaar na die nacht één zo’n omhelzing krijgen, even maar. Het zou afschuwelijk zijn om weer te moeten loslaten, maar je zou weten: volgend jaar weer.

Maar je hebt andere dingen gevonden om voor verder te leven, wie had dat gedacht?
Kinderen zullen het nooit meer zijn, maar wel schoonheid, kleurrijke schoonheid. Zowel zien als zelf scheppen. En je hoopt dat mensen dat ook vinden in wat je schept: kleurrijke schoonheid. Pijn, ja natuurlijk, die zal er altijd blijven, maar kijk eens daar rond, mensen, zien jullie ook al die kleurrijke schoonheid?

Op deze eigenste ochtend zit in mijn blikveld een merelmannetje zich te wassen in een kommetje water. Het enige felle kleur is zijn snavel. Maar dat felle geel is dan ook goed voor een zalige herinnering: je wilde waterkind uit bad tillen en hoe ze haar hele natte lijfje daarbij tegen je aan klemde.
In het volgende kortverhaal dat je schrijft, zal een merelmannetje zich wassen in een kommetje water en je zult de lezer tonen hoe felgeel zijn snavel is.

Dus ja, het gaat goed met je. Je bent geen na-bestaande meer, je bent een over-lever geworden. Zoals zij haar hele, korte, hevige leventje geweest is. Het is je gelukt: je bent haar waardig aan ‘t worden.

 

Advertisements

open brief aan Alex Boogers: liever poortjes dan barricades op de bierkaai

DSCN9710[1]

Beste (fonds)broeder Alex Boogers.
Natuurlijk dat ik ‘Lang leve de lezer’ las, dat zie je van hier. Ik ben zelf een veeleisende lezer en wens mezelf inmiddels ook meerwaardezoekende lezers toe voor mijn eigen boek.
Persoonlijk voel ik me meer thuis bij het (proberende, zoekende, zich vragen stellende) essay dan in de polemiek maar jij bent een vechter, vanzelfsprekend ligt het strijdlustige pamflet jou beter. Ik ben een notoir mopperaar – wie boeken van mij leent, moet vaak lachen met mijn in de kantlijnen gekrabbelde commentaren, waarin ik al eens de schrijver rechtstreeks aanspreek met mijn kritiek (let wel, ook met lof, hoor, ik ben een gulle lezer – misschien herinner je je nog dat ik in mijn potlood kroop om met eenieder die het wilde lezen te delen hoe geweldig goed ik jouw ‘boek Estee’ wel vond: een hedendaags, Hollands, tragisch ‘Catcher in the Rye’ voor meisjes; en hoe onweerstaanbaar en onvergetelijk dwarsdenker, citatensloerie Estee) – en tijdens het lezen van je nieuwste manifest heb ik (naast het aanstrepen van heelder passages waarin ik me vierkant achter je schraag) hier en daar wel eens gemopperd, moet ik zeggen.
Meer bepaald zijn er twee bedenkingen die ik had die me opnieuw in mijn potlood doen kruipen. En omdat elkeen natuurlijk de dingen ziet vanuit zijn eigen ogen, misschien eerst nog een kleine toelichting over de kop waarin dit paar ogen zit; die kop werd namelijk gekneed door een volkomen andere achtergrond dan de jouwe:
Ik ben het tweede (levende) kind in een rijtje van vier. Mijn vader was alleenverdiener, een zich tot bediende opgewerkte arbeider. Hij las (maar weinig literatuur). Mijn moeder niet. Wij werden opgevoed door mijn moeder, dat was haar taak en roeping in het leven. Er werden ons geen verhaaltjes voor het slapengaan voorgelezen. Vlak naast ons lager schooltje was er wel een dorpsbibliotheekje. Ik was er verzot op, het is (al bestaat het allang niet meer) het enige gebouwtje uit mijn kindertijd waarin ik, na bijna vier decennia, nog steeds blindelings mijn weg zou vinden, ik zou het grondplan zo voor je kunnen uittekenen.
Voor mijn middelbare schooltijd moest ik naar de stad, ik ben er zes jaar ongelukkig geweest tussen de rijkeluisdochters. Ik herinner me niet een lerares Nederlands en niet een boek van de leeslijst, en niet een mede-leerlinge die ook graag las.
Thuis werd ik opgevoed met de volle overtuiging dat vrouwen ondergeschikt waren aan mannen, dat alle helden en goden mannen waren, dat je bij mannen moest zijn voor de intelligente gedachten en ideeën en meningen, vrouwen konden hoogstens de ontvangende partij zijn (zoals in dat andere – zo waren vrouwen nu eenmaal van nature geschapen, het had geen zin daartegen te vechten) en begrijpen (en daar hun voordeel mee doen) – als ze intelligent genoeg waren (zoals ik, en dat had ik van mijn vader, daar mocht ik dankbaar om zijn).
Ik weet niet of alle intelligente meisjes van mijn generatie opgroeiden met een minderwaardigheidscomplex, maar tegen de tijd dat ik eindelijk de vrouwenemancipatie omarmde (en dat heeft lang geduurd), had ik in de literatuur toch een aanzienlijk aantal lotgenoten gevonden. Maar ik heb dus – op een totaal andere manier dan jij weliswaar, Alex – ook veel moeten inhalen in mijn onwetende, zoekende eentje.

En dan nu mijn bedenkingen, beste Alex:

1. Net als jij vind ook ik het een verloren kans als het onderwijs er niet in slaagt de liefde voor de literatuur over te brengen bij jongeren. Maar daar slaagde ze dus in mijn tijd al niet in. Ik ben ronduit jaloers als ik lezers of schrijvers hoor vertellen over die ene leraar en dat ene boek… Net zoals ik ronduit jaloers ben als ik mijn man hoor vertellen over die ene leraar die hem de liefde voor de natuur bijbracht. Ik blijf mijn hele leven zoeken naar ‘meesters’ en zelf vind ik ze in boeken. (En ik heb inmiddels gelukkig minstens evenveel vrouwen als mannen gevonden als meesters/helden/goden.)
Maar laten we wel wezen: het onderwijs heeft een quasi onmogelijke taak, er is zóveel dat een jong mens zou moeten leren om goed te leven in deze wereld. Zelf heb ik geen kinderen en verder ook geen concreet beeld van het huidig onderwijs, maar als ik terugdenk aan waar het in mijn eigen jonge jaren aan ontbrak: actualiteit, wereld- en nationale politiek, koloniale verledens, bewustwording van wat we het milieu (en daarmee onszelf) aandoen en wat we eraan kunnen doen, opvoeding tot relaties, het belang van psychologie,… en ik zou nog wel even kunnen doorgaan.
Dus noodzakelijker dan het belang van / de liefde voor de literatuur proberen over te brengen, vind ik misschien wel het belang van / de liefde voor de TAAL over te brengen. Het lijkt misschien een kleine nuance. Maar behalve een minderheid van mensen met een ernstige beperking, is de mens talig. We hebben zelfs taal nodig om na te denken. Voor het grootste deel van onze communicatie (en de mens is nu eenmaal een sociaal dier) zijn we aangewezen op taal. Laat ons daarom onze jongeren zoveel mogelijk leren over taal, over de mogelijkheden van taal, over de schoonheid van taal, over de gevaren van taal… Vanzelfsprekend zal de literatuur daarin een grote plaats krijgen, maar leer de jonge mensen ook het manipulatieve van de taal van reclame, (social) media, politiek enz kritisch te bekijken… Laat ze zelf met stukken tekst afkomen en analyseer samen wat de taal daarin doet…
Voor de ontvankelijken van de schoonheid van de taal heb je op deze manier de poort naar literair proza en poëzie opengezet. En voor anderen heb je misschien de poort naar de non-fictie opengezet.

2. Mijn andere bedenking is ook een betoog voor poorten. Het betreft je sterke tekst ‘Los zand’.
Je bent een man, Alex, en bijgevolg kun je onmogelijk even fijn als wij vrouwen voelen hoezeer we nog steeds in een patriarchaat leven. (Net zomin als wij vrouwen even sterk als jullie kunnen aanvoelen hoe groot de druk/stress voor jullie moet zijn om te beantwoorden aan het klassieke mannelijke verwachtingspatroon. Wij vrouwen verzetten ons nu misschien meer of luider dan jullie?…)
Je doet een oproep naar ons, vrouwelijke schrijvers: “Ik proef toch vaak een vorm van afhankelijkheid, de wens om geaccepteerd te worden in een door mannen geregeerde organisatie of instelling. Jezelf er koste wat kost tussen willen dringen. Waarom zou je dat willen? Waarom zou je bij een wereld willen horen die je niet op waarde schat? Als gelijkwaardigheid binnen een systeem niet kan worden bereikt, dan deugt het systeem niet en is het voor de minderheidsgroep noodzakelijk om zich erbuiten te plaatsen. Wie zich gelijkwaardig acht zou niet moeten aanschurken tegen een organisatie of instelling die geen eerlijke kansen biedt. Je zou het initiatief moeten nemen om hetzelfde beter te doen. Richt een organisatie op. Zoek een weg die voor anderen onzichtbaar is. Kom met een concreet initiatief voor dat vrouwelijke Boekenweekgeschenk of Boekenweekessay. Zoek de sponsors. Zamel in. Mààk. Doe. Kom maar op met het vrouwenboekenbal. Ik zal er – als ik toegelaten word – gratis optreden, in mijn onderbroek, want vergeet de humor niet.”
Welnu, ik kaats de oproep terug, Alex, naar jou en je seksegenoten: maak een weg om de evenwaardigheid van vrouwelijke schrijfkwaliteiten zichtbaar te maken. Open een poort voor en naar ons! Je zegt het in je slotzin van ‘Los zand’ immers zelf, Alex: de lezer(es) is door de jaren heen geconditioneerd om vooral het werk van de mannelijke schrijver te omarmen. Het gaat natuurlijk verder: de lezer(es)/mens is geconditioneerd de (typisch) mannelijke waarden en normen en kwaliteiten hoger, belangrijker, intelligenter in te schatten dan de (typisch) vrouwelijke. (Herinner je wat ik hierboven schreef over mijn eigen opvoeding.)
Ik ken een lezer die zich voornam een jaar lang enkel vrouwelijke schrijvers te lezen. Na afloop van dat jaar kon hij er niet mee ophouden. Hij hield er een grote liefde voor door-vrouwen-geschreven-boeken aan over, en ik geloof dat hij in kleine kring misschien wel een poortje opengezet heeft voor mannen naar sterke boeken van vrouwen.
Ik ben van mening dat enkel deze poortjes ‘werken’. Ik ben van mening dat vrouwen voor eigen parochie laten preken (zoals ze noodgedwongen al generaties doen) geen zoden aan de dijk zet. Want vrouwen moeten nu eenmaal leven binnen dezelfde samen-leving als de mannen. Segregatie is niet de weg, evenwaardigheid afdwingen is de weg.
Ik ga niet akkoord met jouw “Als gelijkwaardigheid binnen een systeem niet kan worden bereikt, dan deugt het systeem niet en is het voor de minderheidsgroep noodzakelijk om zich erbuiten te plaatsen.” Ik vind: “Als gelijkwaardigheid binnen een systeem niet kan worden bereikt, dan deugt het systeem niet en is het voor de minderheidsgroep noodzakelijk om zijn gelijkwaardige plaats op te eisen.” In het beste geval ‘with a little help from my friends’ uit de meerderheidsgroep. Die simpelweg met het openzetten van poortjes hele werelden toegankelijk kunnen maken.
Zonder de poortjes die jij met je boeken opengezet hebt op de wereld waarin jij opgegroeid bent, zou dat bijvoorbeeld voor mij nog steeds een wereld zijn met zware sloten van angst en afschuw. Zonder de poortjes die alle rouwkost die ik al las opengezet heeft, zou ik nog steeds denken dat ik krankzinnig ben. Zonder de poortjes die Annie Dillard voor me opengezet heeft, zou ‘nature writing’ in mijn beleving nog steeds een mannenzaak zijn. Zonder de poortjes die Alan Lomax in heel ruraal Amerika heeft opengezet, zou er een massa wonderlijke muziek verloren gegaan zijn, en heelder populaire genres misschien zelfs nooit ontstaan zijn. Enzovoort.
Ongetwijfeld kun jij in je eigen leven ook wel een aantal van deze poortjes open zien staan, beste Alex?

Hartelijke groet van je fondszuster
Caro Van Thuyne

glazen dagen

DSCN9698[1]
In vier dagen sprak ik tweeëndertig mensen (de onderwerpen van getater waren talloos) en was daarbij op eenentwintig plaatsen. Zijn er nog mensen die dit tellen? HSP high five anyone out there?

In geen van die dagen was ik in mijn favoriete kamer. Waar ik stil kan zijn. Waar ik stil mag zijn. Waar het stil is. Waar ik in stilte kan schrijven.

Gisteravond kregen mijn wederhelft en ik een privé rondleiding door de tentoonstelling rond stilte waarvoor ik een fragment uit een verhaal over een zeer stille vrouw geschonken had. De kerk was kil en niet stil, er drong muziek door uit de klokkentoren. Van op die afstand kon die muziek wel doorgaan voor een verbeelding van stilte voor mensen die geen echte stilte verdragen.

Er was weinig stilte. Veel werken hadden uitleg nodig. Veel werken hadden een mening of standpunt nodig.
Zelf blijk ik meer aangetrokken tot de werken die of puur emotie zijn, of spel met natuur. En die stilte verdragen of vragen. Het zwevende witlinnen poppenkind tussen muren van zwijgende ruggen, in zijn dood geurend naar lavendel. De zeer vertraagde beelden van een oude vrouw in close-up. De witbeschreven laurierblaadjes uitgeblazen over de kerkvloer. De zoutrotsen in hun onderwaterkleuren, even broos als onaantastbaar. Het prachtige korset genaaid van esdoornzaadjes. De donkergroene waterfoto met het futiele, drijvende bleke mensje.
Waarom is stilte zo vaak kleurloosheid?…

We moesten nog naar de toren, we moesten nog naar de muziek.
Mijn glazen zelf schuifelt weeral weken onbeschermd rond.
Ik kom dan beter niet in harde ruimtes.
De klokkentoren was hard. Rudimentaire ruwhouten trap na trap na trap na trap, met tussen leuning en treden gespannen vogelnetten tegen het vallen, verdiepingen als ruwbouw met in het midden een kunstwerk. We klommen naar de muziek. Met mijn handen over mijn oren stond ik te kijken naar een scherm dat steeds inktzwarter werd. Letterlijk zeer dikke inkt, een klodder in een aquarium. Men diende blijkbaar de vormen te bewonderen die het zwart aannam en innam. Ik stond met mijn handen over mijn oren te kijken naar mijn gesticulerende vrienden. Ik hoorde hen niet, alleen die muziek drong door mijn handen. Ik zei niet dat dit werk een zeer accurate verbeelding van een depressie was – dat onontkoombare lawaai dat niet slechts je hoofd tot barstens toe vult zodat je niets anders meer hoort, maar je hele glazen lijf… en dat wolkend zwart, ondoordringbaar en groeiend, zich uitzettend, opdringend, tot er geen druppel klaar water meer overschiet… Ik zei het niet omdat ik wist dat zij het niet herkennen en eigenlijk ook liever niet horen.
We zijn nog hoger geklommen, onder geen-toegang-bordjes gedoken, wetende dat over vijf minuten de kerkklokken vlak boven ons hoofd zouden beieren, we liepen waar een mens nooit loopt, over de ribben en onder de pannen van een leegstaande kerk; mijn liefste raapte een donsveertje op en zag een kleurrijke kolonie overwinterende lieveheersbeestjes in de kier van een met fossiele spinnenwebben afgesloten deurtje – hem lukt het overal en altijd om klein te kijken, mij niet, ik voelde slechts belachelijk onredelijke dreiging.

Ik ben vergeten te vragen of bezoekers gereageerd hadden op mijn tekst over de vrouw die in een boom verandert.
Heb ik mezelf te grabbel gegooid? Weggegeven voor niets?

Ik ben het praten weer kwijt. Weet weer eens niet meer hoe te converseren. Met vriend noch vreemde.
Glazen dagen. Alles en iedereen voelt onveilig. Enkel als ik stil en alleen kan zijn, zal ik niet breken.

Mijn liefste en ik keerden in onze doordeweekse stilte huiswaarts. Op het eigenste moment dat we achter elkaar door onze donkere dreef naar ons donkere huis liepen, schoot, vlak voor onze neus en kleurrijk als vuurwerk, een vallende ster zo laag en groot door de hemel als we nog nooit gezien hadden. Lang nadat die brandende brok al ergens gevallen moest zijn, zagen we nog het spoor dat ze getrokken had. Dit was geen vallen – net zomin als een pijl valt.
Het was geluidloos en prachtig.

de kamerbrede bubbel van Duloxetine 60

Zestig, zestig, dertig, zestig, zestig, zestig, zestig. Houd dit twee weken aan.
Neen, maak er maar drie weken van, de nachtmerries zijn teruggekeerd.
Zestig, zestig, dertig, zestig zestig, zestig, dertig. Houd dit twee weken aan. En dan een maand vrijheid in het verschiet dus zakken naar zestig, zestig, dertig, zestig, dertig, zestig, dertig moet lukken.
Toch niet. De stevige huid van mijn kamerbrede bubbel wordt gevild – kaasschaaf over huid – er zijn weer tranen, alles dringt weer binnen, de pijn van andere mensen voegt zich weer bij de mijne. Keer terug naar zestig, zestig, dertig, zestig, zestig, zestig, dertig. Houd dit twee weken aan en probeer het afbouwen daarna opnieuw.
Maak er maar drie weken van, de zalige roes van het debuteren heeft de huid van de bubbel ook van binnenuit rauw geschuurd. Overal zijn weer vishaakjes in geslagen en aan alle lijntjes wordt hard gesnokt – maag, hoofd, sinus, traanklieren… dromen, gedachten, energie…
En intussen blijf ik daar maar aan die tafel vol zwijgende eters staan dralen, een bedelende hond, nee, een blinde kok. Ik hoor slechts messen en vorken, spits verwachtingsvol de oren als ik iemand hoor smakken, verheug me als iemand om meer vraagt, veracht mezelf dat ik sta te wachten op complimenten terwijl ik eigenlijk simpelweg terug wil naar mijn keuken.
De kamerbrede bubbel krimpt, verschrompelt tot vacuüm getrokken latex vel. Alles komt weer veel te vlakbij. Ik voel elke ruk en por, ik voel elke lelijkheid. De dingen die ik lees zijn zwart en vuil. Ik snak naar heldere kleuren op de muren. Ik snak naar schoonheid.
En hier is nu het jaargetijde van verlies. Licht wordt afgeroomd, deuren moeten terug dicht, voeten moeten weer opgesloten en het lichaam ingepakt om te beschermen tegen buiten. De laatste opflakkering van kleur in luchten en bomen en dahlia’s is de laatste omhelzing van de stervende.

Ga terug naar af. Zestig, zestig, zestig, zestig, zestig, zestig, zestig. Mislukking. Probeer in de lente opnieuw.
Zoek onderwijl verwoed de schoonheid. Schep schoonheid. Herhaal.

EndlessLove Male

im keller docu vrouw met babypopZe sluit de deur van haar appartement af, steekt de brede, koud verlichte overloop over. Met haar ene hand glijdend over de rode trapleuning, haar sleutelbos klikkend in haar andere hand, gaat ze de trap af. Bij elke trede die ze afdaalt komt een stevig bloot been met een sok en een slipper te voorschijn tussen de panden van de donkere badjas. Ze zal ergens begin de vijftig zijn, een lichaam in zijn blokjaren, kort, geverfd haar boven een gezet gezicht met misprijzende of ontgoochelde groeven aan weerszijden van de mond.
In de kelderverdieping gaat ze het verlichte gangetje tussen de twee rijen gestalde fietsen in, ontsluit de achterste rechter deur en gaat naar binnen; pink-pinkend gaat het tl-licht aan, ze trekt de sleutel uit het slot, doet de deur voor onze neus dicht, draait ze terug op slot.
Binnen zijn dubbele rijen metalen rekken vol dozen dozen dozen manden koffers kisten dozen kartonnen dozen. Ze haalt een materiaalkoffertje van een stapel dozen, verplaatst nog een bananendoos, komt dan aan een grote witte schoenendoos. Ze tilt er het deksel van en legt dat weg zonder kijken, vouwt zacht het zijdepapier open. ‘Goedemorgen, schatje. Goedemorgen, schatteboutje, lieverdje, wakker worden, mama is er.’ Ze reikt en aait in de doos, zachter kunnen die gelaatsuitdrukking en die stem niet, ‘Klein klein schatje, wat lig je nog diep te slapen.’ Koerend. ‘Kom je bij mama? Wil je bij mama komen?’
Mama tilt de baby hoog en uit de doos. ‘Schatje? Klein, klein schatje van me,’ mompelt ze en legt de baby in haar linkerarm, het rimpelige gezichtje tegen zich aan. ‘Wakker worden, mama is er.’ Mama wiegt en schommelt, streelt met de achterkant van haar wijsvinger langs de wangetjes, met gekuipte hand over de pluizige haartjes die dezelfde goudgele kleur hebben als de hare. Ze drukt de baby nu rechtop tegen zich aan, het gezichtje tegen haar sleutelbeen, ze helpt een vuistje op haar schouder. ‘Je bent al zo groot. Je kunt mama al omhelzen. Is dat even fijn.’ Innig drukt ze de baby nog steviger tegen zich aan, wiegt, streelt het ruggetje en armpje, tilt de baby wat hoger, wroet met haar neus in het halsje. ‘Dotje. Mijn kleine, kleine dotje.’ Haar gezicht staat intens gelukkig, ze doet neuze-neuze met de baby. De ogen van de baby gaan nog steeds niet open. Ze legt de baby in haar linker arm en vist een zacht wit dekentje uit de witte schoenendoos, ‘Je mag het niet koud krijgen’, en schikt het rond rug en hoofdje van de baby. ‘Je bent een mooi prinsesje in het wit.’ Ze vouwt het dekentje dichter rond de baby, ‘Mijn prinsesje, hé?’, de blik onafgebroken op het babygezichtje gericht. ‘Heb je honger, mijn prinsesje?’ Ze schuift de halsopening van de badjas losser en tilt er een lange maar weinig gevulde witte borst uit, legt die op de romp van de baby, trekt aan de tepel tot die  ineenkrimpt tot een speen. Ze duwt de speen tegen het gesloten mondje en hervat het wiegen, geeft zachte klapjes op de babybips. Met een verzaligde glimlach mompelt ze ‘Ik ben zo blij dat ik je heb.’ Met meer nadruk, dit is een plechtige belofte: ‘Mama is altijd bij je. Mama komt altijd. Heus.’ Als ze een tedere kus op het voorhoofdje drukt, valt de blote borst naast de baby. ‘Wat heb jij een rode wangetjes. Heb je het warm?’ Ze veegt het dekentje van het babyhoofdje, strijkt de dunne haartjes weer naar voor. Ze tilt de baby onder de oksels, laat het gezichtje met de gesloten ogen tegen haar wang leunen, begint tussen de rekken te drentelen. Achter haar zien we rollen verschillende diktes kabels op de schappen liggen. ‘Kijk eens, waar zijn we dan? Kijk maar. In papa’s kelder. Ja, kijk.’ De oogjes blijven gesloten. Mama streelt het gezichtje. ‘Wat ben je een mooi meisje. Een prinses op de erwt,’ zegt ze met een glimlach die haar acht jaar jonger maakt. Ze wiegt en danst, ‘Schatteboutje…’, legt de baby weer neer in de kromming van haar arm. ‘Maar je wil slapen. Ik zie het.’ Ze streelt het pluizige haar, trekt de baby tegen zich aan, zegt met getuite lippen tegen het babyhalsje: ‘Je bent heel moe. Ja, lieverdje.’ Wiegend en wendend begint ze met een veel hogere, iele stem te zingen: ‘Goedenavond, goedenacht. Met rozen toegedekt. Door kruidnagelen beschut. Kruip onder de deken.’ Ze strijkt de kleertjes telkens opnieuw glad. ‘Morgenochtend als God het wil, word je weer gewekt,’ zingt ze met licht trillende stem, de baby nog steviger tegen zich aan drukkend, ‘Morgenochtend, als God het wil, word je weer gewekt…’
Haar wiegeliedje heeft haar teruggebracht bij de witte doos, het laatste zinnetje zingt ze trager, tilt langzaam om haar niet te wekken haar prinsesje op, vleit het behoedzaam terug in de doos, vouwt het zijdepapier weer dicht, past het deksel er weer op, schuift voorzichtig de doos terug op de vrije plek op het rek.
Ze tilt de blote borst weer in de badjas, trekt de halsopening en het lint rond haar buik strakker, vist de sleutel uit haar zak, opent de deur, knipt het licht uit. Draait de deur achter zich op slot, schuift zijwaarts tussen de fietsen uit, komt terug in de gelijkvloers hall, hijst zich aan de rode leuning de drie trappen omhoog.

Emmerence had de documentaire niet uit haar hoofd kunnen zetten.
Was op haar vrije woensdagavond beginnen surfen op het net. Als zulke levensechte babypoppen bestonden voor hunkerende of rouwende moeders, maakte men misschien ook levensechte mannenpoppen? Donderdagnacht vond ze het eerste bedrijf in Japan dat niet alleen vrouwelijke poppen maakte maar ook mannelijke, en ze evenmin aanbood als sekspoppen. Ze mailde alle foto’s van Oko die ze had door naar de andere kant van de wereld, vijf werkdagen na ontvangst van de overschrijving zou de andere kant van de wereld dan een surrogaat-Oko, een troost-Oko, verzenden. Haar gepersonaliseerde EndlessLove Male zou haar, op zevenenzestig euro na, al haar spaargeld voor een koophuis kosten.

groen is de poort naar alle kleuren

Op hun behoedzame gemakje grazen twee konijnen van wat rozigrossig en dauwglinsterend uit het grint groeit ginder aan het uiteinde van perron twee. Het is nog te vroeg op de dag voor schichtigheid. Ik ben de enige tweevoeter op beide perrons en ik sta bewegingsloos – te genieten van de frisse ochtendlucht. Ik neem me voor vanavond eens van dichtbij te gaan kijken naar wat daar zo miniaturig groeit of bloeit.

“Ik wil kijken, opnieuw kijken, beter kijken, betasten met mijn ogen, ruiken en luisteren en proeven met mijn ogen”, vertelde schrijver Verhelst vrijdag in onze letterengazet. Het is een van de vele dingen die ik herken. Het is zelfs het ding dat mij gered heeft van de fataliteit van mijn rouw, meen ik: wanneer je je grote natuurlijke geluk kwijt bent en verder leven erzonder alleen maar ondraaglijk pijn doet, zoek het dan kleiner, nòg kleiner, kijk zo klein mogelijk en kijk zo goed mogelijk naar dat kleinst mogelijke, en mettertijd zie je daar het kleinste glimpje van schoonheid. Van daar ga je verder.

Een donsdeken van dichte mist ligt op de velden. Een tweede ligt over de toppen van de bomen gedrapeerd. Daarboven onhoudbaar energiek de klimmende zon. De trein rijdt de mist uit, de stad in. Tussen de linten huizen is geen plaats voor mist. Ik manoeuvreer me dwars door een colonne middelbare vrouwen met dezelfde gecoiffeerde hoofden en dezelfde isolerende jasjes waarvan enkel de bedaarde kleuren en de breedtes van de gewatteerde bandjes verschillen – gepensioneerde zusjes van het Michelin-mannetje – en langs een school freules met dezelfde lange steile haren en dezelfde blote enkels boven dezelfde lage sneakers, en laat de mensheid achter me. De zon zet een volgspot op de witte buiken van de overvliegende meeuwen. De meeuwen miauwen, duiven roeken, merels fluiten hun beste liedjes en een heldergroen jubelkoor heeft de poorten van de stad opengegooid voor alle tinten groen, heeft de poorten van de stad opengegooid en zingt van lente! eindelijk lente! Het zijn de esdoorns van de stad, die allemaal tegelijk beginnen bloeien zijn, een schuimend lichtgroen dat door de straten kabbelt, wolken van de bruisendste algen waaronder ik waad.

Er zijn rouwers die de lente niet verdragen. “De knoppen gesnoeid.” zijn de eerste woorden van mijn dierbaarste rouwboekje (Thoméses ‘Schaduwkind’), “In ieder geval heb ik in onze afgezonderde tuin hierboven de bloesem afgeknipt, de knoppen gesnoeid, ik moet toch iets, het kan toch niet gewoon doorgaan alsof er niks is veranderd? Alles barst van het blad, het is niet te stoppen.” Ik kan het wel begrijpen, al heb ik het zelf zo niet gevoeld. Ook voor mij viel alles stil, die nacht dat de sinten stapvoets over de daken reden, vanbinnen was ik zelf doodgegaan, enkel mijn omhulsel bleef bestaan, maar ik snapte: het was niet de wereld die stilstond, ík was het, en de wereld draaide door en liet me achter. Het heerlijkste kind en ik, we hadden ons eigen symbiotische wereldje gehad en dat was nu geïmplodeerd, maar dat zou de grote wereld geen nanoseconde vertragen. En wat zou dat me deren, ik wist toch hoe alleen ik was waar ik was. Dat was overigens een – desalniettemin gruwelijk eenzaam – gemak: de wereld had mij niet nodig, ik mocht gerust verdwijnen.
Wat me niet lukte. Alles rond mij verdween, ik bleef daar waar ik vastgepind was, in mijn juk rond die krijsende as van pijn draaiend, met langs alle kanten smerige kleurloosheid.
En toen kwam de eerste lente.
Niets kan de lente tegenhouden.
Niets kan al dat leven tegenhouden.
En dat was hoe de gevangen ‘ik’ eindelijk kon verdwijnen: ik kon een recipiënt worden met ogen als instroomgaten, ik kon ogen op mijn achterhoofd groeien, ogen langs mijn ruggengraat, ogen op mijn tenen, ogen op mijn oorlellen, ogen in mijn handpalmen, ogen op mijn vingertoppen, ogen op mijn heupen, een oog midden mijn voorhoofd, ogen op mijn ellebogen, ogen in mijn mondhoeken, ogen op het achterste van mijn tong…
De natuur wordt wreed of harteloos genoemd, in het beste geval onverschillig. En zelfs dat getuigt nog van een belachelijk arrogant antropocentrisme, vind ik. De natuur IS. En wij zijn stofdeeltjes. Er is geen verhouding tot stof.
Om dan vlokken met ogen te kunnen zijn. En al dat onderling afhankelijk leven te kunnen zien.
Het is hoe ik tot het leven teruggekeerd ben: eerst kijken, dan zien, vervolgens getuigen en ten langen leste zelf scheppen.
Mijns inziens het enige wat wij, sterrenstofdeeltjes, kunnen doen: het leven is er en de dood is er, het een is niet zonder het ander, en wij kunnen schoonheid en waarde scheppen in dit leven tot de dood ons komt halen.
“Vitalisme is onze hybris, onze middelvinger naar de onbestaande goden”, zegt Verhelst. “Het zal de natuur worst wezen of wij er zijn of niet. Het heelal is volstrekt onverschillig. Wij gaan dood. Onze geliefden gaan dood. En dat je zelf dood gaat, tot daaraan toe. [..] Soit, het enige dat wij kunnen doen is dat gat overschrijven met een nieuw verhaal. En nog een, en nog een. En nog.”

Ik heb het in die eerste opstandige jaren vaak gejammerd, woordelijk hetzelfde als wat een rouwer me vorige week schreef: ik was content met wie ik was, ik wìl helemaal niet veranderen!
Het heeft geen zin ertegen te vechten, Olijfje, het gebeurt toch. Een stukgevallen kom kan nooit meer terug naar de kom voor hij viel.
Ook Peter Verhelst heeft het Kintsugi ontdekt: “In Japan worden gebroken voorwerpen hersteld door de breuklijnen te bestrijken met natte laklijm, waarover goudpoeder wordt gestrooid. Kintsugi. In plaats van de barsten te verhullen worden ze benadrukt, verfraaide littekens als een ode aan het leven en de verstrijkende tijd.”
“Al wie heeft geleefd, weet dat de volheid van het leven niet alleen uit feest maar ook uit kwetsuren bestaat. Zelf ben ik intussen ook Kintsugi.” zegt hij. “Mij interesseert het niks om de oude werkelijkheid te herstellen. Ik wil leemten opvullen met taal, met beelden, met verlangens. Ik wil metamorfoses plegen!”
Ik wil leemten opvullen met taal, met beelden, met verlangens. Ik wil metamorfoses plegen – Verhelst haalde me de woorden uit de mond. In mijn kortverhalen doe ik niet anders dan metamorfoses plegen.

Maar aan verse rouwers zou ik willen zeggen: babystapjes, babystapjes… Processen laten zich niet dwingen, metamorfoses laten zich niet haasten, gebroken kommen laten zich niet terug tot geheel puzzelen en aaneen lijmen in een jaar en een dag. Mijn eigen Kintsugi is ook niet zo glamoureus, geen goudpoeder maakt mijn breuklijnen oogverblindend, de mijne hebben alle tinten groen. Het groen van onbezonnen lente, het groen van onstuitbaar leven na winterdood.
En groen is de poort naar alle kleuren.

Ja, ik verwacht veel gemeenzaams van dat nieuwe boek van Peter Verhelst. Over drie dagen begin ik te lezen. Vijf dagen later wordt het heerlijkste kind ter wereld geen twintig.

de god op de kleermakerstafel

Een kortverhaal kan alles zijn wat u maar wil of zoekt of op dat moment nodig heeft. Vlucht en vermaak of herkenning en troost. Adempauze of aansporing. Voorbeeld of schrikbeeld. Redding of revolutie. Pleister of woede. Heil of onrust. Glorie of vloek. Rozen of bloed. Thuiskomen na avontuur, remedie, droom, of doos van Pandora waarin slechts de hoop achterblijft. Voor de één een bol garen waar de kat mee speelt, voor de ander een lasso om een wild paard mee te vangen. Of gewoon twee warme armen als schuilplaats. Een verhaal kan alles zijn.
Voor de schrijver is het kortverhaal een bacchanaal van bandeloze vrijheid. In dit meest vrije van alle literaire disciplines kan ik me zo ongeveer alles permitteren: ik kan al uw geloof opschorten en u ten diepste laten meeleven met molletjes onder de grond of een eenarmige vrouw die kinderen vermoordt of een ventje dat superheldenkrachten vindt waar u die niet zou verwachten… ik kan de meest beroezende, rijkste beeldtaal gebruiken èn hoogst economische zinnen… ik kan experimenteren met vorm of verteller en van een zwemmer in gevecht met een zwaan een Griekse tragedie met een ziek koor maken of u de stem van het schuim op het water laten horen… ik kan laagjes metaforen en symboliek leggen, ik kan u dingen in het gezicht slingeren of u ernaar laten zoeken of raden… Kortom: in het kortverhaal kan ik een god zijn.
Waarom zou ik u dan het onooglijke mensje laten zien dat achter de schrijver schuilgaat? Laat mij maar de onzichtbare schepper blijven.
Thomése zei het al in zijn essay ‘Antischrijver’: ‘Schrijven is taal van het lichaam losmaken zodat de bevrijde woorden dat lichaam kunnen overleven. Literatuur is de taal die zich van het lichaam heeft losgemaakt.’ Zo heb ik bijvoorbeeld een lichaam met een massief achterwerk en grote voeten, en toch is mijn proza niet zwaarkonterig en banjer ik er niet met zevenmijlslaarzen doorheen – waarom zou ik u dan in verwarring brengen? Misschien zie ik er afschrikwekkend nors uit en voel ik toch die onmetelijke liefde jegens mijn personages en lezers, heb ik een spraakgebrek en wil ik toch de rijkdom van onze Nederlandse taal eren. Ik herhaal: waarom zou ik u dan in verwarring brengen?
Zoals Thomése het zegt: ‘Het gaat om de woorden. Die zijn ontkomen en wachten nu op iemand die ze vindt. De lezer. Die ene lezer. Lezen is: je woorden eigen maken. Je past het boek en kijkt of het je staat.’
Daarom, mijn beste Lezer: past u mijn boek, kijk of het u staat. De onzichtbare couturier, in kleermakerszit onder zijn lamp, bovenop zijn tafel, dankt u.
kleermaker op tafel 3