honderd kleuren en een man voor honderd en een wondjes

kiki smith rug met snedes (werk van Kiki Smith)

Het gaat niet goed met me. Maar dat is niet waarover ik hier wil berichten. Het is slechts het uitgangspunt.
Wat ik hier wil vastnemen en neerleggen om naar te kunnen kijken als de nood weer eens hoog is, is een beeld van een van mijn dierbaarste quarantainegenoten. Die andere dierbaarste zijn onze huisgodjes, onze blinkend zwarte aapjes met de parelmoeren kraaloogjes: onze kauwen.
Mijn man staat, ook helemaal in het zwart, met de Engelse gieter een van de vogelbadjes van vers water te voorzien. Gewoon dat beeld: mijn man in de ochtendzon, zijn voeten onzichtbaar tussen zwarte siergrasjes en uitbloeiende blauwe hyacinten, hij kipt het keramieken vogelbadje dat tussen de potten vol bosanemoontjes als dansende blauwe zonnetjes staat en vult het opnieuw met zonblikkerend, smetteloos water, kijkt eens omhoog, ongetwijfeld naar een overvliegende vogel.
Ik zit achter glas te worstelen met een roman die ik ondanks tenenkrullende ergernissen blijf lezen omdat ik de schrijver krediet wil geven, ik ben sedert enkele geblokkeerde weken opnieuw beginnen nagelbijten en dat is ronduit dom als je op je werk tientallen keren per dag je handen ten gronde moet ontsmetten.
Maar vandaag is rustdag – na alweer een uitputtend benauwd werkweekend – en ik kijk op en zie mijn man daar staan, zijn voeten tussen de planten, en hij vult die schotel tussen dansende bosanemoontjes met zonblikkerend, smetteloos water, en hij kijkt naar een overvliegende kauw en ik besef:
ik moet wel gelukkig zijn.
Ik voel het niet maar ik wéét het wel.
Ik moet wel gelukkig zijn, want ik heb deze vogelbadjesvullende en in de lucht kijkende man en samen hebben we deze lentetuin in honderd kleuren en vogels, we zijn beiden relatief gezond, we hebben een weerbestendig dak boven ons hoofd, we hebben relatie- noch financiële problemen, we hebben evenmin kinderen in huis die stilaan quarantainegek aan het worden zijn, onze families en dichtste vrienden zijn nog in leven,… wij horen bij de geprivilegieerden van deze besmette wereld.
Mijn hoofd dat dag in dag uit hoogsensitief brandt en zeurt wéét het: ik moet wel gelukkig zijn. Alleen kan mijn wezen het momenteel niet voelen, dat is alles.
Mijn wezen is als mijn handen: de dunne huid op knokkels en ruggen zo gedurig geschuurd door agressief wassen dat ze tot honderd microscopische sneetjes scheurt. En voor het wezen is er geen regeneratiecrème van granaatappels.

(Ik ben zo’n mens dat zich pas goed voelt in afzondering van de schreeuwlelijke wereld, zich slechts gelukkig kan voelen bij gratie van zelfgekozen quarantaine. Maar nu zit de quarantaine propvol en er is geen leeg en stil hoekje meer over voor mij. Het is één grote, gemeenschappelijke quarantaine, het is de hel. En het is mogelijk noch toegestaan je uit de hel terug te trekken, elke mens bij volle verstand is nu verplicht deskundige burger van Coronaland. De schreeuwlelijke, smetvrezige wereld schreeuwt mijn kot binnen en vanuit elk bang of verveeld of gefrustreerd kot wordt kijknaarmij! luisternaarmij! doemeemetmij! geschreeuwd. En tussen mijn quarantainedagen door is er nog het bange of verveelde of gefrustreerde geschreeuw van de kinderen en ouders en collega’s in het streng ontsmette, krimpende kot waar ik werk.
Mijn veel te dunne huid is gescheurd tot honderd en een wondjes.)

Maar dus: dàt beeld, mijn gezonde man in de ochtendzon, zijn voeten in de honderdkleurige lente, zijn hoofd in de wolkeloze lucht, en daartussen dat klaterzuiver water voor de vogels. Me vasthouden aan dàt beeld om door al het geschreeuw heen weer kleiner te kijken, dat ene beeld als houvast in kapotgeschuurde tijden.
Tot er weer ademruimte komt en ik terug mag naar de lege, kalme, ontsmettende zee, en ruimte naar alle kanten.

hebben mannen heldinnen?

Ik hou van mannen. Ik hou meer van mannen dan van vrouwen, ik kan er niets aan doen.
Bijgevolg hebben al meer mannen dan vrouwen me aan het huilen gebracht. Ik kan er niets aan doen: als een man me teleurstelt, dan huil ik. Mannen stellen zich dominant op en ik huil. Mannen debatteren me omver en ik huil. Mannen zeggen iets denigrerends over vrouwen en ik huil. Mannen zetten hun machtspositie in om mij dingen te verbieden of gebieden en ik huil. Mannen snoeren me de mond en ik huil. Mannen vinden hun rationele afstand vanzelfsprekend superieur aan de emotionele betrokkenheid van vrouwen en ik huil.
Ik heb het al zolang ik me kan herinneren en ik heb het nog steeds. Ik ben straks vijftig en ik huil nog steeds om mannen die me teleurstellen.
Zullen over dertig jaar mannen vrouwen nog steeds niet als hun gelijke beschouwen en zal ik daar dan nog altijd om huilen?

Huilen mannen eigenlijk, als vrouwen van wie ze houden zich stereotiep gedrag gedragen?

Hebben mannen eigenlijk heldinnen?

Het heeft me toch een jaar of dertig gekost om mijn eerste heldinnen te vinden, niet-stereotype vrouwen om te bewonderen, als voorbeeld te nemen. Zo opgehoopt lag mijn paplepel met mannelijke superioriteit. Mijn moeder was er evenzeer van overtuigd als mijn vader dat mannen de superieure sekse zijn. Een man wilde je zijn of dienen en bewonderen, dat waren de opties. Vrouwen waren op alle vlakken, behalve de zorgende, van ondergeschikt belang.
Ik werd een brave puber, idolaat van muzikanten, schilders, schrijvers, acteurs,… en de oudere kerels op wie ik passioneel verliefd werd.
Ik werd opvoedster en bleef ondanks al mijn woede zoeken naar de bewondering van mijn vader.
Ik heb een man gevonden die geen haantje is en hij heeft me zoveel ruimte gegeven dat ik niet langer moest staan schoppen tegen muren. Ik kon eindelijk mijn sekse bevrijden. Ik vond heldinnen om naast mijn helden te zetten.
We zijn nu negentien jaar verder en nog steeds raas ik en luistert hij, rustig en empathisch. Hij wordt niet woedend als ik het heb over white male privilege, hij legt me uit hoe haantjes denken en doen. Hij lacht of gnuift niet als ik de voor mannen onzichtbare nuances en subtiliteiten probeer uit te leggen van wat nog steeds fundamentele ongelijkwaardigheid is. Hij begrijpt mijn frustratie. Hij troost me als ik weer eens moet huilen om andere mannen.
Maar hij kan me natuurlijk niet beschermen tegen deze mannenwereld. Hij kan me alleen proberen te beschermen tegen mezelf. Opperen dat het misschien niet zo slecht is dat de oproep tot beroepsernst, het essay over culturele toe-eigening dat ik in twee koppijndagen schreef nadat ik weer eens aan het huilen was gebracht, niet gepubliceerd zal worden, omdat hij weet welk een bagger vrouwen die hun mond niet houden over zich heen krijgen. En dan zou het niet van teleurstelling of woede en onmacht zijn dat ik huil…
#weesluider riep Sihame El Kaouakibi onlangs op in een videoboodschap over de seksistische en racistische bagger die zij en andere (gekleurde) vrouwen die hun mond durven opendoen over zich heen krijgen. Zwijg niet uit angst zelf bagger over je heen te krijgen, wees luider in je aanklacht tegen seksisme en racisme! Zij zou alvast niet zwijgen, ‘what doesn’t kill you makes you stronger’ pepte ze zichzelf op met een dooddoener de grootte van een bulldozer.
Sommige dingen zijn trage killers en maken je helemaal niet sterker. Sommige dingen putten je uit. Maken je moedeloos en dieptriest. Want geen enkele witte geprivilegieerde man zal zich ‘bekeren’ omdat een (gekleurde) vrouw roept.
Vrouwen roepen in een woestijn vol woedend huilende vrouwen.
Het breekt mijn hart, al die schaterlachende emoticons onder Sihame El Kaouakibi’s video te zien staan; stuk voor stuk mannennamen die zich te pletter lachen. Die nooit een vrouw als individu ernstig genomen hebben en dat ook niet ooit van plan zijn.
Ik ben vijftig en kan daar nog steeds om huilen en razen.
Ik ben vijftig en ik vecht nog steeds om ernstig genomen te worden door mannen. Het is nog steeds mannelijke bewondering die ik het hoogste acht. Hoe triestig is dat niet!
Dat is hoe diepgeworteld het patriarchaat nog is in mijn generatie.
Ik supporter heel hard voor de volgende generatie. Niet alleen voor de vrouwen. Want de vrouwen kunnen het niet alleen veranderen. Er is niet enkel opstand nodig, niet alleen #weesluider, er is verlichting nodig – bij moeders én vaders, bij leerkrachten, bij politici, bij de media, bij schrijvers, filmmakers, popidolen enz etc.

Daarom deze warme oproep: #mannennoemenheldinnen. Mannen, noem ons eens jullie heldinnen. Niet de meisjes en vrouwen die jullie op een piëdestalletje zetten omwille van hun looks of omdat ze zo lief zijn, meneer, nee, de heldinnen die jullie bewonderen om wat ze doen of kunnen. #mannennoemenheldinnen.

 

aangeraakt door het vuur, de kauwen

De zelfverachting!
De zelfverachting als je niet kunt slikken dragen opnemen aanpakken wat iedereen rond je wel kan en doet.
Het moeten uitspreken: sorry maar… sorry maar ik ben psychisch en emotioneel niet stabiel genoeg – en zal het ook nooit meer worden – om…
Hun kalm aanvaarden en mijn totale zelfverachting, woedende, wanhopige zelfverachting: er kan op mij niet meer gerekend worden, er kan op mij niet meer geleund worden.
En terwijl er rustig verder gepraat wordt over Wat Als kijk ik naar de dunne huid op het marmeren voorhoofd van mijn moeder aan de andere kant van de tafel en ben terug bij het wassen gezichtje van mijn meiske.

Ik sta in het krappe hokje met de verhoogde wc-bril in het appartement van mijn ouders maar ik zit op mijn knieën in het vrieskoude kamertje naast mijn doodkoude meiske.
Ik krijg mijn huilen niet onder controle.
Mijn wijze grote broer komt me zoeken om me vast te houden.
Hij noemt het omzichtig mijn ‘gevoeligheid’ en ik denk: je weet niet half hoe ruïneus ik ben, broer. Vroeger, ja, vroeger was ik de ‘gevoelige’. Vroeger was ik gevoelig maar sterk genoeg. Intussen kruip ik al bijna tien jaar op mijn knieën rond, mijn verbrijzelde voeten achter me aan slepend.
(Ik ben een dochter van mijn moeder in een tijd waarin dat niet meer gedoogd wordt. Kapotte mensen worden niet meer gedragen. Hup, op je knieën, kruipend kun je ook nog een pakezel zijn.)
Ik zei het al: mijn broer is wijs – hij heeft het over gegeven verschillen, mensen verschillen en mensen vullen elkaar aan, elk heeft zijn eigen vermogens…
Als mensen me zeggen dat ik in mijn job nog steeds meerwaarde heb, zwijg ik ook. Ik betwijfel (nee, ik weet zeker) stilzwijgend want ik wil niet dat men zich verplicht voelt mij te complimenteren of bevestigen. Ook nu, bij mijn broer, zwijg ik en weet beter. Maar hij gaat door: dat hij, dat zij, nooit zullen kunnen schrijven als ik.
Wat heb je daaraan, schamper ik. Oh de zelfverloochening!
Dat die gevoeligheid (dat woord weer, ja) iets is dat je toch bij veel artiesten terugziet en kijk naar de Kunst die dat voortbrengt.
Wat heb je daaraan in dit leven, herhaal ik. Zelfverloochening… Ik zwijg snel voor de haan een derde maal kraait.

Met een hoofd van drie uur slaap, kan ik zelfs mijn ‘Kunst’ niet dragen.
Ik zoek mijn heil bij poëzie. Lees Mary Olivers Thousand Mornings in de hoop mijn gemoed te keren maar eindig ermee hààr nijdig te corrigeren.
DSC01495
De zelfverachting gooit nog eens haar lelijke kop in de lucht.
Ik zoek het dan maar bij wetenschappelijke studie, zoek bestaansrecht bij professor Kay Redfield Jamison.
DSC01494
“Cyclothymia – characterized by pronounced but not totally debilitating changes in mood, behavior, thinking, sleep and energy levels.”
Not totally debilitating. Dus wat lig je daar te janken, vrouwmens. Ben je een klein kind? Ben je niet beschaamd! Schaam je je niet een blog over klein kijken te misbruiken voor zo’n dik uitgesmeerd ach en wee. Stop met blèten, je navel staat al vol. Veràchtelijk.

Alles is grijs en het miezert koud. Ziejewel, denk ik.
Het volgende moment wrikt de zon het grijs open. Kijk naar de kauwen. Blijf kijken.
Kijk langer naar de bleke dwergirisjes op de terrastafel. Kijk beter. Kijk naar de druppeltjes op hun lange lippen. Hoe hun vlaggetjes wapperen.
Kijk in het oog van de kauw op de tuinmuur. Parelmoeren knoop.
Blijf in deze minuut. Kijk niet naar de donkergrijze kudde die komt aandraven uit het westen. Kijk naar hoe de amandelknoppen rozig oplichten tegen dat grijs.
Kijk naar de kauwen, hoe het git van hun veren aangeraakt is door de zon. Kijk naar de kauwen.
Kijk naar de kauwen.
Kijk naar de kauwen.
Kijk naar de kauwen.
Kijk naar de kauwen.
Kijk naar de kauwen.
Kijk.
DSC01370

laat me braak

Het is altijd een van onze vruchtbaarste percelen geweest. Je zaaide en kon er gerust in zijn: aan ‘t eind van ‘t seizoen stond daar topkwaliteit op dat land. Twintig jaar de rijkste oogsten, en amper omkijken naar. De laatste tien jaar echter… het is geen melk-en-honing-land meer. Akkoord, het moest herstellen van die grote overstroming van 2010 maar zó lang duurt dat toch niet? En het moet toch minstens nog 15-20 jaar opbrengen. Lastig land nu.

De messen zijn spekglad geslepen, geen braampje zal de ploeg vertragen.
De ploeg is geolied, de ploeg is onverstoorbaar, de ploeg dient niet het land, de ploeg dient de beurs van de boer.
Ik word in scherpe sneden opengereten, in dikke plakken omgelegd.
Ik ween elke dag.
Mijn wilde bloemen door hun wortels gesneden, mijn akkervogels gaan er al vandoor. Ik ween elke dag.
Braak brengt niet op. Onkruid en gevederde gauwdieven voeden geen mensen. Land dient niet om naar te kijken of versjes over te schrijven. Verspilling van middelen is dat. Productie moet er zijn. Poëzie is iets voor slechte boeren.
De diepe voren voeren alles wat me lief is af. Alles dat ik met veel geduld tussen de zingende woorden heb geprobeerd te leggen spoelt weg in één regenvlaag. Ik moet me nu overgeven aan Monsanto-monocultuur, mest, insecticide, fungicide, literaturicide. Ik moet blij zijn met de smalle akkerrandjes buiten het bereik van de blikkerende ploeg, blij met het beetje wilde bloei en gezang aan mijn verre vingertippen.
Maar ik ween elke dag.

ongemediceerde kerst, of: Frankensteins elf met gouden kop

als je in de ene familie van eelt en gelooide rimpels en ruwe ellebogen de schaafwonde bent en in de andere, van spieren en pezen en harde vingertoppen, de blootliggende zenuw

als je thuis een solide planeet bent maar elders slechts een te hard zijn best doende kruimel gruis

als je alle noden voelt die je niet kunt ledigen

als je de elf met de gouden kop en de lange tenen bent – doe nu eens gewoon en zet die bespottelijke muts af

als je je Grote Geluk samenvat in een minuutje want allemans leven loopt over van zorgen en pijn, daar is geluk niets tegen

als je je eigen vulkaanklep snoert om beleefdbraaf te luisteren naar de brommende generator voor sierhaardgesprekken – laat het ons gezellig houden, sluit je klep, conformeer je

als je in het lang en breed over de hond zijn scheten meepraat want dat is tenminste vaste grond voor ieders voeten

als je er zeker van bent dat zowat alle aanwezigen denken dat H-S P je denkbeeldige vriendje is want zij horen hem toch niet roepen ‘LUISTER HIER! KIJK GINDER! LOS DIT OP! HELP DAAR!’, zij zien hem niet zijn arm om je keel slaan en knellen, knellen, nog harder, je voeten onder je uit schoppen, boven op je springen, spríngen zeg ik ja, help, mijn maag, ik moet kotsen, hij zet zijn knieën op mijn bovenarmen, pakt mijn hoofd vast en bonkt het tegen de grond, en nóg eens, smakt het opnieuw en opnieuw en opnieuw tegen de stenen vloer tot het moes is, nee hij is niet mijn denkbeeldige vriendje

als je de hele terugweg bloedt, bloedt, bloedt, het bloed zwelt je keel dicht, het brandt je ogen door, het zeikt langs je gezicht en je bloedt niet leeg, je blijft maar bloeden, thuis ga je liggen om te ademen maar je blijft maar bloeden

als je denkt: moet ik dan de rest van mijn leven schoppen en stompen in de lege lucht, lievehemel laat het dan maar ophouden

als je denkt: mijn man is een berg

als je aan de luwe zijde van de berg je heil zoekt in een boek voor slaap en beelden vindt die je zelf al schreef: het liefste is een orgaan buiten je lichaam, het liefste is een ster die je in je armen draagt

als je je heil zoekt in een boek na slaap en slechts schuldgevoel vindt

als je denkt: ik ben de enige mens die een boek is, ik ben literatuurs frankensteinsmonster herejezusbewaarme

geroofde nacht (stameldicht van Mariposa Haltadans)

Veel
Door vele landen
Door vele landen en vele zeeën
Door vele landen en vele zeeën komen tot deze
komen op deze trieste
komen tot deze ellendige, mijn zusje
komen tot deze ellendige riten, zusje
en
mag je
je kunt tenslotte
de laatste gift
het laatste geschenk van de dood
en
en stom
en tevergeefs
en tevergeefs as.
aangezien
sinds het lot
sinds het lot jou heeft gedragen
sinds het lot jou zelf heeft gedragen weg van mij
oh
ongelukkig
ach mijn zusje
ach, arm zusje, griste oneerlijk weg
ach, arm zusje, griste oneerlijk weg van mij
nu
nu echter
maar nu
maar nu deze offers
maar nu deze oude manier
nu, echter, zoals de dingen zijn, en in de gewoonte van onze voorouders
ze worden geleverd
als een trieste gift
als een triest eerbetoon
nemen
zusje
huilend, vloeiende van vele zusterlijke tranen
in de eeuwigheid en met geween en met zusterlijke tranen
en voor altijd
en altijd, zusje,
en altijd, zusje, hagel
en altijd, zusje, hagel en afscheid
en voor altijd, zusje, hagel en afscheid.

arnold böcklin island of the dead(Arnold Böcklin, Island of the dead)

qui-vive vlinders

Schrijvers zijn ook maar gewoon mensen, ze zijn zelf de eersten om dat te beweren. Ze liegen. Als schrijvers al mensen zijn, dan zijn ze mensen publiekelijk in hun ondergoed. En de ene zullen wel hun degelijkste damart’kes aangetrokken hebben, de andere hun boxer met de grappigste of schunnigste opdruk en nog andere hun gedurfdste zijden op lederen lingerie (zelf lijk ik altijd te eindigen in mijn naadloze biokatoenen onderbroeken en de helft van de tijd zonder bh voor ‘t gemak), maar ze staan daar toch maar mooi in hun blootje natuurlijk. Kwetsbaar volkje, nietwaar? Daarom dat de meesten zich een paar vlindervleugels aanmeten, denk ik. De verbluffendste kleurencombinaties en patronen om mee te verleiden, of mimicry om onzichtbaar op te gaan in de achtergrond, of vervaarlijke nep-ogen op de vleugels om af te schrikken, of anderen, die handig giftig zijn, imiteren in de hoop vijanden op een dwaalspoor te brengen… ze schudden het allemaal geïnspireerd uit hun mouw, de bange naaktlopers. Nee, ik denk niet dat ik de enige ben die bang is voor lezers of levende collega’s. We zijn allemaal op onze hoede; qui-vive vlinders.
Yiannis-tsarouchis-two-men-with-butterfly-wings-black-shoes-1965
Om dus maar te zeggen: gedegen schrijvers zijn niet zo’n openhartige lotgenoten, in mijn ervaring. Zelfs in de gepubliceerde correspondenties tussen schrijvers die ik wel eens lees, kom ik niet zo vaak de diepste twijfels en lastigste vragen tegen, die toch ongetwijfeld elke schrijver ambeteren. Die zul je al gauwer lezen in schrijversdag- of -logboeken. Of in hun essays.
Dus al zou ik maar al te graag een waardige, openhartige correspondent vinden die er niets van maakt om in verwassen en versleten onderbroek aan de schrijftafel te zitten, in tussentijd breek ik mijn hoofd maar in mijn eentje, probeer ik maar wat luidop na te denken in blog of log, misschien komt er nog wel een essay van.

Dit is een oefening.
Of zelfs maar een poging tot een oefening.
Ik zou dit eigenlijk niet mogen doen. Ik moet aan mijn roman werken, drie maanden zijn in een zucht voorbij en dan moet ik achteraf niet komen klagen.
Maar ik was weer even van mijn schrijversmelk, deze morgen, en dan moet ik daar even over nadenken ( = -schrijven).

Het is een onderwerp dat begon met af en toe een druppel hier, een druppel daar, stilaan begon het te sijpelen, en intussen dreigt een overstroming.
Het gaat over de schrijver als dief en het begon in september 2018 met de schrijver die me na afloop van mijn boekvoorstelling zei: en waarom zou je niet stelen, schrijvers stelen, ik steel waar ik kan!
Ik was een debutantje en onthutst. Ik wilde nooit een dief worden, ik wilde blijven mijn helden op piëdestalletjes zetten in plaats van hun parels te roven, want wat voor een eerbetoon was dat nu als je wie je eerde niet bij naam noemde?
Ik blijf deze mening toegedaan maar ik begon ook te zien hoeveel complexer het is dan ik dacht. Ja, er is gauwdieverij, maar er is ook vinden, erven, recycleren, toepassen, verbouwen, ontginnen, collage,…
Het is vinden als ik de kauwen rond ons huis bespied om de kauw in mijn boek levensecht te maken. Het is erven als ik ooit misschien nog eens de brieven gebruik die mijn man naar zijn ouders schreef toen hij in legerdienst was, want hij gaf me toestemming daarvoor.
Onlangs wees mijn vader me terecht omdat ik ergens niet De Waarheid geschreven had. Ik voelde me slechts een tel schuldig – dat is wat schrijvers doen, pa: we recupereren wat we kunnen gebruiken en verbouwen het tot het in ons kraam past, we stelen en liegen een nieuwe waarheid bijeen.

Maar hoe noem je het als twee schrijvers onafhankelijk van elkaar hetzelfde bedenken? Een ongelooflijk (ongeloofwaardig?) toeval? Het is me al meermaals overkomen – ik zou die dingen in een notitieboekje moeten bijhouden want de concrete voorbeelden vergeet ik, enkel het perplexe gevoel blijft hangen – en elke keer sta ik paf: hoe is dit nu mogelijk?? ik bedacht precies hetzelfde! precies hetzelfde als wat deze mens jaren/decennia/eeuwen terug al schreef! hoe kan dat nu?!

Vele weken geleden (blz 112 van mijn potloodmanuscript, ik ben intussen al aan blz 195) schreef ik in een vreemde roes een gedachte uit die mijn hoofdpersonage naar aanleiding van een voorbij drijvend lam had, over de dood als een soort rivierwezen dat mensen versmoort en naar zee voert. Dit is een klein stukje eruit:
“Altijd weer de dood… de dood blijft maar komen, hij houdt nooit op, wordt nooit moe, elke dag stroomt hij langs en wie toevallig met voeten of poten in de rivier staat, trekt hij omver, zuigt hij onder, verzuipt hij, sleurt hij mee om verderop onverteerd weer uit te spugen, wij slikken en verdrinken en zinken, we weken en zwellen, we kolken en klotsen nog wat mee, ebben dan weg, stranden ergens waar we liggen te lekken en te stinken en ontbinden tot onze nabestaanden onze botten kunnen teruggeven aan de zee waar de dood ze zal breken en voeren aan het koraal, parels kweken in onze parelmoeren oogkassen…”
En deze morgen, deze morgen begon ik in een boek waar ik naar uitgekeken had: RISINGTIDEFALLINGSTAR van Philip Hoare, en op bladzijde 18 heeft hij het over Shakespeare’s toneelstuk The Tempest, dat ik nooit las, en hij citeert: “Of his bones are coral made;/ Those are pearls that were his eyes;/ Nothing of him that doth fade,/ But doth suffer a sea-change/ Into something rich and strange.”
De uitroeptekens vlogen uit mijn potlood.
Al neem ik het me al zolang voor – ik kocht er zelfs al de boeken voor – ik heb nog nooit iets van Shakespeare gelezen, shameonmeiknow. Ik lieg; in de Engelse les hebben we ooit een stukje Romeo & Juliet ontleed, ik herinner me vaag iets van een mooie vergelijking over een oorring en Romeo, o Romeo, why art thou Romeo. Maar The Tempest ken ik dus niet. Hoe komen die koralen beenderen en die parelogen dan in mijn stuk terecht?
Ik kan daar helemaal beduusd van zijn, van zoiets (ik zei het al: schrijvers zijn vlinders, en mij ontbreekt het aan qui-vive).
Het is omdat het als een soort geheimzinnige oerkracht aanvoelt voor mij. Ik verbeeld me dan dat er zoiets als een collectief onderbewustzijn bestaat, dat mensen (en misschien vooral de naaktlopers die kunstenaars zijn?) onder bepaalde omstandigheden tot dezelfde beelden kunnen komen omdat er een of andere diepe laag of onderstroom bestaat die ze op dat moment per ongeluk aanboren. Ik vind dit wonderbaarlijk maar ook vreselijk ongrijpbaar, ik kan er de vinger niet op leggen en ik wil het toch zo graag begrijpen.
Ik kan toch onmogelijk de enige zijn die deze dingen denkt? Misschien zijn hierover zelfs al boeken geschreven en ben ik slechtziende eenoog in het land der zienden? Zijn er schrijvers of andere naaktlopers die dit herkennen en even hun vleugels voor me willen afleggen, het vleugelpoeder van hun schouders willen vegen (ik sta hier ook maar in mijn C&A-onderbroek) om van gedachten te wisselen of me op een spoor willen zetten naar de juiste boeken of mensen die ik nodig heb om dit (ik weet er zelfs geen woord voor) te bestuderen?

In afwachting trek ik me nu maar weer flink terug in mijn roman.

 

(het schilderij is van Griekse schilder Yannis Tsarouchis, 1910-1989)