keihard spelen

Ik haat voetbal. Ik heb een godsgloeiende hekel aan alles wat met voetbal te maken heeft. De stadionherrie, de commentatoren, de slechte en blikkerige muziek, dat heen en weer stampen van die onnozele bal, de geniepige agressie, de degoutante bedragen die rondgaan en wat de voetballers ermee doen, de hooligans, de ellenlange analyses, echt àlles – gaat de radio of TV aan op een voetbalmatch dan ben ik op stel en sprong in de hoogste staat van ergernis.

Maar toen Maradona eind november stierf bleef ik in de zetel hangen bij elke documentaire over hem waar mijn man naar keek.

Afgelopen week verscheen mijn tweede boek, ‘Lijn van wee en wens’, mijn romandebuut. Deze keer geen feestelijke boekpresentatie in een van vrienden en andere lezers, lofredes, bier en adrenaline volgelopen boekhandel natuurlijk maar mijn uitgever had coronanegatief getest en mocht dus de grens over om in knuffelcontactenkring te vieren. Hij bracht mijn doos boeken (ze zijn zo mooi, mevrouw, ze ruiken zo heerlijk, meneer!), boeketten tulpen in mijn lievelingskleuren, blokken kaas en flessen bier… en woorden van lof. Mijn uitgever is ook mijn redacteur en ik noem hem mijn toptrainer, hij drijft me tot hoogtes die ik zonder hem niet zou springen maar ik ken hem niet als de man van expliciete bewierokingen. Voor deze gelegenheid nu – ons eerste boek samen – nam hij er uitgebreid de tijd voor en ik wist niet hoe te reageren. Misschien was dit nu wat mooie meisjes voelen als hun schoonheid bejubeld wordt? Schrijftalent is toch ook maar een gave die je zomaar meekrijgt net als schoonheid of een bijzondere stem of hoe lang of kort je bent?

En hier komt dat korte opdondertje met de hoge schouders me weer van pas.

Iedereen kent natuurlijk de beelden van Maradona die zich opwarmt op de muziek van die afgrijselijke oorwurm van dat belachelijke bandje Opus, maar voor mij was het de eerste keer dat ik ze zag, in die dagen na 25 november. Maradona in wit sportbroekje en te groot regenjack met een touw rond zijn middel geknoopt en de mouwen opgestroopt, met losse veters en in lange kousen tot aan de knieën en dat dik zwart nektapijt dat meewipt op de muziek. Dat stevige stiertje van een meter vijfenzestig hoog dat de bal balanceert bovenop zijn voet, bovenop zijn hoofd, dansend en huppelend op de muziek zonder dat die bal van zijn hoofd rolt. De bal botsend van knie naar knie, van schouder naar schouder, dansend met de bal botsend op zijn voorhoofd, ja, het is totale beheersing maar het is nog iets anders. Het is spelen. Je ziet de andere voetballers braaf hun vaste trainingsoefeningen doen en achter hen zie je Maradona dansend met de muziek zijn eigen variaties van de oefeningen doen. Ik zie het spelende jongetje. Ik zie het kind op een stoffig veldje in zijn sloppenwijk van Buenos Aires op precies dezelfde manier spelen met zijn bal, eindeloos oefenen in het beheerst schoppen en koppen en balanceren, diezelfde totaal ontspannen onzelfbewuste uitdrukking op het gezicht, zonder er ooit genoeg van te krijgen, omdat het nu eenmaal het fijnste is wat er is, spelen tot het donker is, en de volgende dag opnieuw. Het is in totale ernst keihard spelen, na dertig jaar met nog even volle overgave.

Afgelopen woensdag deelde illustrator Tom Schamp in de Standaard zijn 5 levenslessen met journaliste Ines Minten. De vijfde was: talent bestaat (of toch latent). Hij zei dat aanleg wel degelijk een rol speelt. “De baby die zelf naar een bal grijpt, zal later meer zin hebben om te voetballen. Als je balgevoel hebt, zal het leuker zijn en zal je het meer doen, waardoor je beter wordt. Talent heeft dus ook iets te maken met de weg van de minste weerstand. Ik geloof daarom ook minder in het motto van de selfmade man die beweert alles te bereiken door elke dag keihard te werken. Het lijkt me beter om iets te doen wat je niet het gevoel geeft dat je je er elke dag alleen maar voor moet uitsloven.”

Vandaar komt dus mijn gêne: schrijven is voor mij geen sloven maar spelen dus waar zou dan mijn verdienste moeten zitten? Het is mijn weg van de minste weerstand. Het is zonder er ooit genoeg van te krijgen, omdat het nu eenmaal het fijnste is wat er is, spelen tot het donker is, en de volgende dag opnieuw. Het is in totale ernst keihard spelen, na dertig jaar met nog even volle overgave.

En na keihard trainen is er nu deze eerste roman. En waar het me moeite kost om fier te zijn op iets als schrijftalent, ben ik moeiteloos trots op mijn boek. En dat geeft alle adrenaline die ik nu verlang.

de laatste dag, de laatste nacht, de eerste dag

Ik was alweer weken moeizaam aan het waden.

Tot ik.

Zoals elk jaar.

Uiteindelijk.

Stilstond.

Vlak voor de laatste dag, de laatste nacht, de eerste dag. Stilstaan, zelfs al is het omdat je niet verder kunt, is niet passief. Zelfs al ben je op, je moet nog de kracht zien te vinden om stand te houden te midden die stroom. Alles en iedereen rond je gutst en kolkt en springt en wervelt met een rotvaart vooruit en jij bent een hindernis daar midden in die stroom, alles en iedereen slaat langs alle kanten tegen je aan.

Tien jaar is veel te lang om zonder zon te leven.

En toch dobber ik hier nog altijd rond.

Zonder de zon van haar stralende ronde hoofdje en haar ronde buikje, zonder de zon van haar sterke armen en haar wilde fladderhandjes, zonder de zon van haar wijde lach, zonder de zon van haar wondermooie expressieve ogen. Zonder het gewicht van mijn zon die ik overal meedroeg.

Ik ben haar kwijt omdat ik haar niet meer kan dragen, haar niet meer kan voelen. In tien jaar tijd heb ik veel sluipwegen gevonden, barricades gebouwd rond de pijn, maar de pijn zelf is nog precies dezelfde. Het is een verlangen dat weigert zacht gemis te worden, ik blijf even heftig naar mijn zonnekind verlangen als op de dag dat ze haar in die veel te grote kist sloten, zelfs in mijn dromen kan ik nog steeds niet bij haar komen, haar niet in mijn armen nemen, na tien jaar nog steeds niet.

Er is een groot stuk van mezelf, het onbevangen gelukstuk, afgehakt en mee in die kist gegaan, mee verbrand met mijn zonnekind, voor altijd kwijt. Het is moeilijk om met het reststuk verder te leven, ook voor de mensen om me heen.

Rouw verandert je grondeloos.

Rouw is misschien wel het eenzaamste dat een mens kan overkomen.

En die pijn van de eenzaamheid bovenop de pijn van het verlies… ik dacht: ik wil geen mensen meer nodig hebben, alles is al zo ondraaglijk daar kan niets meer bij en mensen doen zoveel pijn, ik vind mijn troost wel in vogels en boeken, in zonlicht en muziek. Kleiner kijken.

Het mooiste dezer dagen is de kauw die kaasrandjes komt eten op de terrastafel, hier op nog geen twee meter van me af, enkel die plaat dubbelglas tussen ons. Zijn heldere pareloog dat me zijdelings in de gaten houdt, zijn perfecte zwarte lijfje. Zijn vleugels als hij ze spreidt en moeiteloos wegzeilt.

Het mooiste boek dezer dagen is ‘Grief is the thing with feathers’. “I plucked one jet feather from my hood and left it on his forehead, for, his, head. For a souvenir, for a warning, for a lick of night in the morning. For a little break in the mourning.”

Het mooiste dezer dagen is staande in een lege kamer luisteren naar Jóhan Jóhannssons Orphée terwijl de zon ginder ondergaat. Mijn geest gaat mee ondergronds, keert terug naar alle plekken van toen, zoekt tot ik haar gevonden heb, mijn Eurydice, neem haar in mijn hunkerende armen.

Weer bovenkomen en daar midden in die ijzige harde stroom staan, met lege armen, is ondraaglijk eenzaam.

En toen waren ze daar. Ze bleven even aan me hangen om me warm te omhelzen met meelevende of bemoedigende woorden of de ervaringen van hun eigen verlies om de eenzaamheid gedeeld te dragen, ze zongen zachte muziekjes in mijn oor, ze noemden de naam van mijn zonnekind, ze staken chocolade in mijn zakken, legden de mooiste kleurrijke deken om mijn schouders, brachten zachtgeurende roosjes voor mijn zonnekind. Ze deden wat ze konden om mijn eenzaamheid te delen. Samen creëerden ze een luwte in de genadeloze onverschillige stroom, gaven me zo de nodige kracht om staande te blijven die laatste dag, die laatste nacht, die eerste dag.

Zo’n dankbaarheid geeft zuurstof. Ik had mijn adem zo hard ingehouden dat het donker voor mijn ogen was geworden.

Kijk, daar is mijn kauw. En ik voel mijn mond glimlachen.

Nog even en ik ben weer sterk genoeg om voorover in het water te gaan liggen, mijn handpalmen tegeneen te drukken en de waters te splijten, weer dapper tegen de stroom in.

Sla je armpjes stevig rond mijn nek zoals je altijd deed, mijn zonnekind, handjes op slot, en ik haal je daar weg uit die donkere diepten, ik pak je terug van de dood, ik haal je daar weg en ik zwem vlieg dans zing schrijf ons naar die wereld die ik zelf geschapen heb en die zoveel mooier en onstuimiger en wilder winderig en vrolijker en zonniger is dan die waarnaar jij helemaal alleen moest gaan, en deze waar ik zonder jou achterbleef.

de strijd van de kanarie

“Opvoeden is een liefdevolle vorm van disciplinering, het is het kneden van kinderen en jongeren tot ze zich gedragen volgens de verwachte normen en de juiste idealen nastreven.” (Paul verhaeghe, ‘Over normaliteit en andere afwijkingen’)

De ‘juiste idealen’… Uit eigen levenservaring weten ouders dat ‘maatschappelijk slagen’ de meest lonende vorm van leven is, het rechte pad van verwachtingen en (sociale, morele) normen volgen de juiste weg daartoe. Het sturen van de ouders wordt versterkt door het sturen van het onderwijs, het sturen van de arbeidswereld, het sturen van de overheid… “Het succes ervan kunnen we onder andere afmeten aan de mate waarin het kind die normen en idealen overgenomen heeft. Eens ze verinnerlijkt zijn, naar binnen gebracht, hoeven de ouders” [, onderwijs, arbeidswereld, overheid,…] “ze niet langer op te leggen; het kind heeft ze op een dusdanige manier overgenomen dat ze deel uitmaken van wie het ‘is’. Freud beschreef dit als het ontstaan van het ‘Boven-Ik’, het deel van onze identiteit dat het andere deel observeert en nakijkt of het wel beantwoordt aan de geboden en verboden. Is dat niet het geval, dan ontwikkelt een normaal mens (letterlijk: ‘iemand die de normen wil volgen’) schuld- en schaamtegevoelens.”

Maar wat als het rechte pad steeds smaller, steiler, glibberiger, rotsachtiger wordt?

Paul Verhaeghe schreef een pamflet over de hedendaagse kijk op afwijkend gedrag en de huidige toestand van de psychiatrie en psychotherapie, en ik zou het boekje in de bus van mijn dokter willen gooien maar durf niet.

Verhaeghe doet een dringende oproep tot een sociale in plaats van individuele psychiatrie die aandringt op structurele veranderingen in de maatschappij. De aanpak van mensen die te ver afweken van de heersende sociale normen was altijd al disciplinerend en corrigerend. Maar sinds de Verlichting kwam de verantwoordelijkheid en schuldinductie bij het afwijkende individu te liggen: de mens is begiftigd met ratio, wie waarvan afwijkt is redeloos en moet opnieuw op het rechte, rationele pad gezet worden. Le traitement moral: de patiënt moest zijn redeloosheid beseffen en in redelijk debat met zichzelf, zichzelf ervan overtuigen dat hij moet veranderen. Dit onder begeleiding van de morele autoriteit, de arts.

Alle evoluties ten spijt (lees dat pamflet!) zitten we daar nog steeds: mensen die afwijken van de heersende sociale normen moeten (corrigerend, disciplinerend) terug op het ‘juiste’ pad gezet worden – sociale aanpassing! – door een morele autoriteit. Met dit verschil: de morele autoriteit ontkent zijn morele autoriteit. Beroept zich op een wetenschappelijke autoriteit, de DSM bijvoorbeeld. Maar de Diagnostic and Statistic Manual of Mental Disorders, de vijfde intussen al, is een pseudo-diagnostisch systeem, het is niets meer dan een beoordelende rubricering: puntsgewijs gegroepeerde beschrijvingen van gedragingen en emoties die als afwijkend worden beschouwd, voornamelijk omdat ze te veel of te weinig optreden. ‘Intens’, ‘duidelijk’, ‘frequent’, ‘recidiverend’, ‘duidelijk en aanhoudend’, ‘krampachtig’ enz etc, dat zijn geen objectieve maatstaven. De ‘diagnose’ hangt af van de diagnosticus zelf en zijn/haar inschatting of eigenschappen en emoties te veel of te weinig optreden, berust op sociale en morele criteria, criteria die de heersende normatieve maatschappelijke verwachtingen vertegenwoordigen. Normatief, dus moreel. De arts als morele autoriteit. Medicatie als correctie, psychotherapie als disciplinering. Mensen helpen? Mensen helpen zich aan te passen aan de heersende sociale normen.

Maar ik herhaal mijn vraag: wat als die heersende sociale normen een onmogelijk smal, steil, glibberig, rotsachtig pad geworden zijn?

Wie is er dan ziek? De afwijkende of de norm?

De kanaries vallen bij bosjes maar de koolmijn blijft open. Je hebt gewoon te diep geademd, zeggen de mijnbazen. Het is een verkoudheid, genees maar snelsnel en keer zo snel mogelijk terug, kanaries zijn gemaakt voor koolmijnen, het is hun levensdoel. Je moet niet zoveel zuurstof verwachten. Je moet je longen beter trainen. We zijn hier niet om voor kanaries te zorgen, de mijn moet godverdomme draaien, it’s the economy, stupid! En jij wilt toch niet verantwoordelijk zijn voor de koude waarin we de mensen gaan achterlaten als we niet genoeg kolen bovenhalen?

“Freud moest al vroeg ervaren dat het resultaat van zijn methode – bewustwording en vervolgens veroordeling van de irrationele gedachten – bij veel patiënten uitbleef. Hij schreef dit toe aan ‘weerstand’ bij de patiënt.”

Ik ga sinds 19 juli niet meer werken. Mijn tweede burn-out. Na 1 maand viel ik terug op ziekteverzekering en begonnen de mails en telefoontjes en in te vullen vragenlijsten van de mutualiteit binnen te stromen – om me te ‘helpen’ op mijn weg terug naar arbeid. Elke mail, telefoon, vragenlijst komt met een dreiging van sanctie (hun woord!) als ik niet doe wat ze verwachten. Elke mail, telefoon, vragenlijst is goed voor een huilbui. Elke consultatie bij mijn huisarts, ter verlenging van mijn ziekteverlof (het vereiste ‘ziektebriefje’) met nog eens twee weken, dan een maand, kost me 1à2 dagen om te verwerken, om terug op te krabbelen. Na 1 maand suggereerde ze psychologische hulp, na 2 maanden drong ze er ondanks mijn verzet – dat ik het moe was om te moeten horen hoe ik mezelf moest veranderen, dat ik mijn hele leven al niet anders gedaan had, dat ik mezelf niet kàn kneden naar de verwachtingen van de maatschappij, meer zelfs: dat ik de verwachtingen van de huidige maatschappij verfoei en verwerp – zo hard op aan dat ik me maar weer eens plooide naar de verwachtingen van de autoriteit. De therapeute die ze me aanraadde had geen tijd voor mij. Ik voelde me opgelucht, mijn dokter teleurgesteld. Elke consultatie probeerde ze me te leiden in de richting van herstel en toekomstgericht denken, elke consultatie verzette ik me in paniek tegen de druk – die zij expliciet bleef ontkennen. Elke consultatie raakte zij gefrustreerder over haar machteloosheid mij te ‘helpen’, elke consultatie werd ik wanhopiger en voelde me schuldiger. Tegenover de dokter, tegenover de hele maatschappij: ik ben een last voor iedereen.

“Op de achtergrond schemert het idee van maakbaarheid door, wat een stuk verder gaat dan disciplinering. [..] Excelleren is mogelijk, mits er voldoende inspanning wordt geleverd. [..] De verinnerlijking van dergelijke overtuigingen creëert een vruchtbare voedingsbodem voor controledwang,” [check] “perfectionisme,” [check] “faalangst,” [check] “burn-out,” [check] “en depressie.” [check] “Met maakbaar geluk wordt mislukking een persoonlijk falen.” [check] “In gedachten ervaar ik de wereld als een continue rechtszaak, met mezelf in een dubbelrol, beschuldigde én rechter – er is geen verdediging aanwezig.” [check]

Eergisteren kwam het tot een clash tussen mijn dokter en mij.

Ze had het over haar plicht tot herstel en reïntegratie. Mijn aanklacht van de dwingende maatschappij veegde ze zoals gewoonlijk stilzwijgend – want contraproductief – van tafel. Ze had het over de muur tussen ons – de weerstand van de patiënt! – en vroeg of ik misschien liever met een collega van haar wilde praten. Ik voelde me afgewezen, zij bedoelde het niet zo, ik had het weer over die druk uit de maatschappij waarvan elke dokter een spreekbuis is en dat ik niets tegen haar persoonlijk heb, zij had het over haar machteloosheid mij te helpen, ik zei voor de zoveelste keer dat ik zelf mijn weg wilde zoeken, niet onder druk gezet wilde worden, dat ik het niet meer aankon…

En ineens vielen haar de schellen van de ogen: ik verwachtte helemaal geen ‘hulp’ van haar. Ze had het over de paternalistische houding van artsen in het verleden en dat patiënten deden wat hun dokters zeiden (‘dokter weet best’ – ik heb het zelf een leven lang geloofd… tot ik het niet meer geloofde) maar dat die verhouding nu veranderd is.

Hallelujah!

Ze verlengde mijn ziektebriefje met twee maanden.

Ik weet dat mijn volgende wanhopige strijd die met de controleartsen van de mutualiteit wordt. En ik ben doodop.

de zee, dokter

Kalmeer, zei het kalm meer, en de zee barstte uit in springtij.

“Calm, calm. You are putting yourself into a state – into a rage against yourself, against life.”

En dàn?!

Neen, ik heb geen Hulp nodig, dokter, geen Therapie, geen Medicijn. Ik heb ruimte nodig, dokter, dat is alles, de ruimte om te mogen zijn wat ik ben, dokter. U bent een kalm meer, dokter, U heeft niet zoveel plaats nodig, maar ik ben de zee, dokter, ik ben altijd al de zee geweest en geen Therapie ter wereld kan van een zee een kalm meer maken. En waarom zou een zee een kalm meer moeten zijn? Waarom zou een zee een kalm meer willen zijn?

“When you are told that you are ill, that is something you internalize.”

Al mijn hele leven probeer ik een kalm meer te worden voor de kalme meren, dokter, maar het is genoeg nu, dokter, een halve eeuw is genoeg, dokter, laat me nu nog een halve eeuw zee zijn.

“(The police in different voices: mother, father, doctor, husband, one learns to swallow these voices, like knives.)”

Eb en vloed zijn geen afwijkingen, dokter, dat lijkt alleen maar zo voor een kalm meer, maar voor een zee, dokter, voor een zee is eb en vloed gewoon het ritme van het leven. En een zee moet dat mogen leren.

“Compose yourself. Compose yourself. They are supposed to hold it in. To not act out. Dear, one must not create a scene.”

Hoe, in een wereld van kalme meren, kan een zee nu leren leven met haar eb en vloed. Als elke eb een dreigende depressie is die gemonitord en, indien te lang durend, te lang beletsel voor functioneren in de wereld van de kalme meren, beteugeld, behandeld, gemediceerd moet worden, hoe kan een zee dan leren dat het haar natuurlijk ritme is, dokter? Als elke vloed een overstroming is in de wereld van de kalme meren, een gevaar, een exces, een manie…

“One must exercise self-control.”

… hoe kan ik me dan zonder angst leren uitleven in mijn vloed, dokter. UIT-leven!

“Where is it supposed to go? All of this fury? A woman’s anger: it must be contained, repressed, diffused.”

Kalme meren hebben geen benul hoe bruisend het leven bij vloed is, hoe extatisch de onbeteugelde wildheid van springtij. Hadden kalme meren enig benul, dan zouden ze niet zomaar aannemen dat zeeën hun vloed wel zouden willen opgeven om geen eb meer te hoeven doormaken.

“Compose yourself. Compose yourself. They are supposed to hold it in. To control themselves. [..] If one wasn’t so contained, one wouldn’t be so furious.”

Een heel leven in een wereld van kalme meren heeft me niet geleerd een kalm meer te worden, het enige dat het me heeft bijgebracht is een angst voor mijn eigen wezen.

Laat me nu dan, liefste kalme meren van deze wereld, een tweede leven om te leren zonder angst zee te zijn. Te leren dat hoe uitgestrekt leeg en doods de eb ook is, er altijd weer een vloed zal komen. Dat wantij geen zinloos gevecht is, dat doodtij niet het einde is. En laat me mijn hoogtij, mijn springtij, dijk me niet langer in.

“COMPOSE YOURSELF. What does this mean? You must COMPOSE YOURSELF. They were undisciplined women. That is the storyline.”

Gun me mijn eigen verhaal.

Gun me plaats buiten de maatschappij der kalme meren.

Ik zal betalen met eenzaamheid, dokter, maar laat me zee zijn.

(bron foto onbekend)

(citaten: Kate Zambreno, ‘Heroines’)

Wachter

7 september 2020

8:37 – IK kan dat niet (meer) (aan) IK kan dat niet (meer) (aan) IK kan dat niet (meer) (aan) ad nauseum kotsensbeu dat telkens opnieuw en opnieuw en opnieuw te moeten zeggen wanneer zullen mensen eens snappen en aanvaarden hoe zwak ik ben of moet ik godverdomme dag na dag na dag na dag met mijn neus in die stront geduwd

9:23 – zal er ooit een eind komen aan het mezelf altijd maar moeten uitleggen altijd maar moeten uitleggen dat ik niet kan ben wil wat zij wel kunnen zijn willen niemand begrijpt hoe confronterend ontmoedigend tot wanhoop brengend

9:26 – is dit voor de rest van mijn dagen

9:48 – en dan volgende week weer bij de dokter wéér mezelf uitleggen wéér op tafel leggen hoe zwak ik ben en wéér de druk in mijn slapen in mijn keel in mijn maag dat ik beter moet worden ik moet weer kunnen meedraaien ik moet gewoon anders leren omgaan met mijn frustraties onmacht woede wanhoop pijn ik moet gewoon mezelf veranderen want de samenleving zal niet veranderen waar zit dat knopje om de hoogsensitiviteit uit te zetten dokter dat zou de oplossing zijn en néén ik wil niet weer naar de therapeut uit ten treure mezelf gaan zitten uitleggen en op elk advies ik kan dat niet meer ik kan dat niet ik kan dat niet aan gaan zitten jammeren tot ik mezelf met heel mijn hart haat en neen dokter ik wil niet terug aan de antidepressiva het heeft me te veel moeite en last en bijwerkingsverschijnselen gekost om ervan af te geraken ik wil niet meer terug in dat straatje ik wil niet echt niet

10:14 – spanband rond mijn maag geen koffie meer vandaag

10:27 – de vaat met Daniel Johnston wat mis ik je mijn pure nonkeltje de wereld is zoveel armer sinds jij er niet meer bent feeling small very small all all the time going do-own going do-own going do-own again

10:58 – erover praten maakt me al overstuur vrienden weten ook niet meer wat gezegd vragen dan maar niets meer en wie wil helpen maakt het alleen maar erger want alle suggesties botsen op ik kan dat niet (meer) (aan) ik kan dat echt niet (meer) (aan) en de kloof wordt steeds dieper en scheurt ik sta alleen en drijf af moet ik leren leven zonder mensen zou zonder mensen de zelfverachting ook wegsmelten zou ik zonder mensen een eigen wereld kunnen creëren waarbinnen ik dingen wel kan in de plaats van die waarin ik niets of niet meer kan en een strenge wachter tussen beide werelden maar wat dan met de eenzaamheid

11:03 – het citaat van Walt Whitman van het bord wassen en dat van e.e. cummings met blauw krijt in de plaats: “To be nothing-but-yourself – in a world which is doing its best, night and day, to make you everybody else – means to fight the hardest battle which anybody can fight; and never stop fighting.”

11:19 – hoe een leven in te richten rond wat je kunt in plaats van de dagelijkse confrontatie met al je falen groot en klein

12:34 – “In het falen schuilt de menselijkheid,” zegt Peter Verhelst. “Het drukt uit dat we grijpen naar de sterren, maar ernaast grijpen. Maar we grijpen tenminste naar de sterren, opnieuw en weer ernaast, en opnieuw, trots, uit volle borst. Soms met de krop in de keel, of gebroken, maar we zullen dat blijven doen. Omdat verlangen nu eenmaal onze motor is, en onze brandstof. Omdat we ooit op een dag en elke dag een millimeter dichter staan.” ik weet niet van die millimeters maar ik kan niet anders dan blijven reiken naar de sterren naar andere sterren dan die van de wereld rondom naar mijn eigen sterren ik kan niet anders ik kan niet anders. Ever tried. Ever failed. No matter. Try again. Fail again. Fail better. als het me maar vaak genoeg gezegd wordt, leer ik me er misschien mee verzoenen

13:31 – en straks alleen naar de familie en haar mantel der liefde opgelatenheid onverschilligheid verveeldheid was het al maar avond mijn manneke mijn wachter mijn thuis mijn beschutting

14:29 – hallo? wat zeg je? een momentje ik moet de laptop nog opstarten. messenger? huh wat is dit dat is een grapje maar zeg is dit echt ik ik wat een verrassing ik had dat helemaal niet meer verwacht o my god ik ik ben er helemaal ik weet niet wat ik moet zeggen en wie die allemaal al gewonnen heeft Wessel ook en die vakjury Gerbrand Bakker Marja Pruis oh ja ja ja da-ag

14:39 – Bovenstaande nominaties dingen mee naar de tweejaarlijkse prijs die zaterdag 7 november wordt uitgereikt in de Grote Kerk van Harlingen. Begin oktober wordt de prijswinnaar bekendgemaakt. De Anton Wachterprijs is een tweejaarlijkse prijs voor het beste Nederlandstalige literaire romandebuut naar oordeel van een vakjury, en wordt toegekend aan een veelbelovend auteur waarvan in de afgelopen twee jaar een opmerkelijk Nederlandstalig prozadebuut is verschenen. In aanmerking komen de literaire prozadebuten uit Nederland en Vlaanderen die zijn gepubliceerd in de twee jaren voorafgaand aan de uitreiking. De prijs bestaat uit een bedrag van en een replica van het beeldje van Anton Wachter. De debuterende auteurs wier schrijftalenten door de vakjury zijn onderkend, hebben vrijwel allen naam gemaakt in het literaire veld.

1:39 –

17:24 – Notaris: Een van de vier kinderen heeft geen verantwoordelijkheden maar wilden we hier toch bij aanwezig. Vader: ze woont ver… – ik kan die dingen nog niet eens voor mezelf laat staan voor hen waarom ben ik zo hulpeloos en zwak waarom ben ik niet zo wereldwijs beheerst in control als mijn broers en zus waarom kan ik niets kan ik niets aan ben ik zo’n hulpeloos onwetend wereldvreemd bang afhankelijk klein kind waarom ben ik toch zo’n loser

20:53 – Kijk eens aan; een verhalenbundel op de kortlijst van beste Nederlandstalig prozadebuut… Ja! Thumbs up. Proficiat. GEWELDIG!! Gefeliciteerd. Nice! Volkomen en geheel terecht! Straffe dinges! Proficiat!! Fantastisch. Proficiat! Top e!!! Geweldig, Caro, heel erg verdiend! Wauw, proficiat, Caroline! Nog geen 5% van de inzendingen is genomineerd en daar ben jij bij! Fantastisch gewoon. Mooie erkenning. Proficiat Caro! Wauw! Proficiat. En terecht! HOEEERAAAA!!!! Ik heb ze allemaal gelezen. Maar helaas, ik mag niet kiezen… Super!!! Gefeliciteerd! Proficiat! Proficiat! Wauw! Dikke proficiat! Proficiat, zus. Wauw! Everything crossed!!!! Gefeliciteerd, liefste Caro! Waaaaw wat een verrassing goed zo Caro. Wauw! Waw!!!! Wat geweldig!!!! Proficiat!!!! Een dansje, Caroline. Ik ben zo trots op je! Wat een toplijst! Zo blij voor je. Caro dear! So happy to see your name here! Congrats! Helemaal verdiend! And best timing for your upcoming novel, so happy for you! Mag ik je feliciteren? Wat een geweldig nieuws. Mooi, alsnog die waardering voor je prachtige debuut! Proficiat. Bijzonder blij voor je. Ik duim.

8 september 2020

meezingen met Fiona Apple i grew up in the shoes they told me i could fill shoes that were not made for running up that hill and i need to run up that hill i need to run up that hill i will i will i will i will i will fetch the bolt cutters i’ve been in here too long fetch the bolt cutters whatever happens whatever happens i will whatever happens whatever happens

de drie vlindervleugels

Het lag er toen ik de kippenkak van de terrastafel ging spoelen.
En toen ik mijn ontbijt en Wyeth-boek meenam naar buiten.
Ik registreerde maar besteedde er verder geen aandacht aan. Mijn hoofd stond binnenwaarts afgesteld.

De schrijver kent vierentwintig soorten limbo. Een daarvan is de afwijzing. Een ander het gisten. Ik weet dat ik niet de enige ben die de occasionele euforie duur moet betalen. De een moet eerst weer wat gezinsgeld verdienen vooraleer zich opnieuw schrijftijd te kunnen permitteren, de ander wacht op het oordeel van nog maar eens een andere uitgever over het beste dat ze al schreef, of zoekt gezelschap online omdat de eenzaamheid van het schrijven te zwaar valt, of worstelt met een milde blokkage of raakt op drift in de pijn van het waarachtige schrijven, geen kust in zicht…

Ik gist. Ik lees en lees, ik zwel en zwel tot mijn hersens tegen mijn schedel duwen als dik deeg tegen een handdoek maar dan vangt mijn hoofd tocht en zakt de boel met een plofje en een zucht in, kleverige onhandelbare deegresten blijven achter op de binnenkant van de handdoek en nog steeds weet ik niet wat het is dat ik wil zeggen over de vensters van Wyeth en Kowch.
Als ik rond vieren mijn hersens ga luchten ligt het er nog steeds. Het is een gerafeld stukje vlindervleugel, een halve vingernagel groot, zilverwit met een brede boord in grijsbruin. Met deze afmetingen en in die kleuren moet het wel een nachtvlinder zijn. Waar is de rest van de vlinder?
Het fragment, een kleine pijlpunt van vliesdun rijstpapier, beweegt over tafel alsof er toch nog enig leven in huist, een restantje. Geen stuiptrekkingen, neen, daarvoor is het te elegant, te luchtig, te speels. Soms raakt een lichte bries me aan, mijn wang, mijn hals, mijn arm. Maar op tafel blijft het stukje vleugel onberoerd liggen. Hoe is het mogelijk. Op andere momenten wappert het opstaande randje in een windje dat ik niet voel. Plots tilt zo’n windje de ampere vleugel op, blaast hem over de rand van de tafel, ik hap naar adem, enkele snelle omwentelingen in de lucht en dan valt hij weer. Op tafel. Ik adem uit.
DSC03116
Dan springt zomaar van waar hij ongezien gelegen had een tweede vleugel over tafel naar me toe. Ongehavend, meer parelmoer dan zilver, met dezelfde donkere band. Het schijnt me even onmogelijk toe dat dit een vleugel van dezelfde nachtvlinder is als dat het vleugels van twee vlinders zijn.
Laag in de lucht hangen zware grijze wolken waar vooralsnog niets uit valt of schiet. De twee gewichtsloze vleugels dansen nog veilig over tafel, van elkaar weg, over elkaar heen, buitelen, flikflakken.
Mijn deeghoofd vormt nog eens een gedachte: dit is wat kunst is in de wereld en het leven der mensen, twee onbeduidende vleugeltjes die over tafel bewegen onder een dreigende lucht.
Dan begint het massieve druppels te regenen.
Ik neem de vleugels niet mee naar binnen, ze zouden verkruimelen tussen mijn vingers. En vlindervleugels willen niet op keukentafels liggen.

Ik draai de muziek wat stiller

(waar zou ik dezer dagen blijven zonder de stem van Will Toledo – i feel it in my heart this time it’s come to stay i feel fire at its root crushed by his thumbs vanished in his whorl the ropes i held onto turned to sand my life marooned on trivial pursuits if i give this up will i be saved? will my life be spared? what will take its place? what will take its place?), zet mijn kin op de derde stapel en til vier vijfden net hoog genoeg om met een vinger de zwarte pocket er van tussen te kunnen duwen. Het is te lang geleden dat ik het essay van Virginia Woolf las, ik herinner me alleen nog dat de mot doodging.

“Watching him, it seemed as if a fibre, very thin but pure, of the enormous energy of the world had been thrust into the frail and diminutive body. As often as he crossed the pane, I could fancy that a thread of vital light became visible. He was little or nothing but life.”
Als ik opkijk zie ik buiten de tweede vleugel opwaaien in de regen, een horizontaal cirkeltje maken en terug neerkomen op de tafel.
Als de mot op zijn rug op de vensterbank valt en met zijn pootjes ligt te spartelen, steekt Virginia haar potlood naar hem uit om hem te helpen, beseft dan dat het geen onhandigheid is die hem zo hulpeloos maakt maar het naderen van de dood. Ze legt haar potlood terug neer.

Als ik na de bui ga kijken, liggen de twee vleugels nog steeds op tafel.

Als ik na de bui ga kijken, zijn de vlindervleugels verdwenen. En zoiets onooglijks valt niet meer terug te vinden.

Als ik na de bui buiten kom, ligt voor mijn tenen op de kasseien de gave vleugel. Dat is de waarheid.

Als ik later terug naar binnen ga, zit op het keukenvenster, de gespreide vleugels plat tegen het glas gedrukt, de voelsprieten gekruld als de snor van Dalí, een luttel hapje uit de donkere band van de buitenste rechter vleugel, een kleine buxusmot. Nog later ligt ze op haar buik op de zwarte keukenvloer. Ik verzin dit niet.
“nothing, I knew had any chance against death” schrijft Virginia Woolf.
Kende zij de echo van de extatische pijn in muziek, in zingende stemmen, vraag ik me af.
“The moth having righted himself now lay most decently and uncomplainingly composed. O yes, he seemed to say, death is stronger than I am” eindigt ze ‘The Death of the Moth’.

De volgende ochtend liggen er drie nieuwe buxusmotvleugeltjes op de terrastafel. Ik zweer het.
DSC03126

ineengetrapte tent

Ik heb geslapen van rond middernacht tot kwart voor twee.
Ergens tussen kwart voor vier en tien voor zes moet ik even weggezakt zijn want ik werd met dravend hart wakker uit een nachtmerrie waarvan ik me alleen de paniek herinner: niets is nog onder controle, alles loopt uit de hand.
Ik heb met open ogen liggen wachten op de wekkerradio van twintig over zes.
Nu zit ik aan de keukentafel met papier en potlood in plaats van me klaar te maken voor de werkdag.
Misschien zal ik deze namiddag slapen als een steen en nog kapotter wakker worden.
Misschien was deze nacht nodig om me eindelijk te doen opgeven.
Misschien heb ik het weer te ver laten komen. Deze keer omdat ik wist wat me te wachten stond en tegen heug en meug nog hoopte eraan te ontsnappen?
Omdat ik weet dat het maanden duurt om los te komen van het schuldgevoel.
Omdat ik weet dat het maanden duurt om los te komen van de stress.
Omdat ik weet dat de doktersconsultaties me daar niet bij zullen helpen.
Omdat ik weet dat ik elke keer kapot zal gaan van vernedering en machteloze woede bij de controlearts (“Moet je niet meer bijslapen overdag? Wel, dan kun je terug aan het werk.”).
Omdat ik weet dat het eindeloos lang zal lijken alsof energie en geestkracht en plezier nooit meer terug zullen komen.
Omdat ik weet dat ik me al die tijd een dikke nul zal voelen.
Been there, done that.
Godverdomme.

Misschien ben ik gewoon uit gezorgd. Op gezorgd.
Negenentwintig jaar (dertig, als je mijn stages en vakantiejobs meetelt) heb ik mijn alles gegeven. En nooit was dat alles voldoende want de omstandigheden werden steeds moeilijker en slechter en schrijnender. Dan ga je maar verder en vaker, steeds verder en vaker over je grenzen want voor de gastjes: alles! Dan ga je maar beetje bij beetje kapot. Who cares.
En als overduidelijk gebleken is dat je het niet meer kunt, drukt iedereen je op het hart dat je voor jezelf moet zorgen. Maar hoe moet smurrie zorgen voor smurrie?

In ‘Pilgrim at Tinker Creek’ vertelt Annie Dillard over de reuzenwaterwants. Ze zag een kikker in het water. Het was een heel klein kikkertje met wijde, doffe ogen. En terwijl ze naar hem zat te kijken begon hij langzaam te verschrompelen en in te zakken. Als het snuiten van een kaars zo verdween het leven uit zijn ogen. Zijn vel liep leeg en hing slap; zelfs zijn schedeltje leek te bezwijken als een ineengetrapte tent. Hij kromp als een leeglopende voetbal. Ze zag hoe de strakke, glanzende huid op zijn schouders kreukelde, en rimpelde, en inviel. Al gauw lag zijn vel, vormeloos als een kapot geprikte ballon, in plooien drijvend op het water, als felgekleurd schuim. Een ovale schaduw hing onder de leeggezogen kikker in het water, gleed dan weg. Het zakje van kikkerhuid begon te zinken.
Die schaduw was de reuzenwaterwants, een enorm, log, bruin insect met voorpoten als haken om zijn prooi mee te grijpen en klemmen, en met een giftige beet om de prooi mee te verlammen en vervolgens tot brij te smelten: spieren, botten, organen, alles behalve de huid herleid tot smurrie. De reuzenwants heeft enkel nog zijn maaltje uit te zuigen.

Ik ben weer eens de kikker.

giant water bug & frog

lang leve de woede

In de Standaard der Letteren van dit weekend staat een verfrissende column over woede (Guinevere Claeys, DSL 11 juli 2020), woede bekeken door de bril van een niet-woedende mens.
“Ik heb een zwak voor woede of ik heb een zwak voor woedende mensen. Hoe ze genaakbaar zijn, en wakker. Hoe ze tegen de tijd leven, hoop koesteren, en daarin volharden.” Was de toon van de column smalend ironisch geweest, dan was ik woedend geworden. Want als er iets is dat een woedend mens nog laaiender maakt, dan is het wel de geringschattende ongenaakbaarheid van de ander: ben jíj dan geen levend, voelend mens godverdomme!?!
Ze zijn redelijk zeldzaam, mensen die oprecht een zwak hebben voor woede. Woede schrikt af en stoot af en wordt afgestraft. Dat leren we al van kleins af. Languit op de grond liggen trappelen en krijsen wordt onthaald op afwijzing, het uitoefenen van ouderlijke macht en kracht of het dreigen met geweld. Woede roept zelden begrip of troost of steun op. De les die je daar te leren krijgt is dat je beter je woede verbergt en verbijt, voor je eigen bestwil. Brave, zoete, grappige, lieflijke, slinkse kindjes gaat het beter af in het leven dan woeste, nurkse meisjes. Later zie je dat woede in meisjes nog afkeurenswaardiger is dan in jongens.
Mijn hele puberteit lang moeten terugkeren naar deuren die ik in machteloze woede te hard dichtgesmeten had om ze zachtjes opnieuw open en dicht te doen is een vernedering die in me gebrand staat. Maar het heeft er niet voor gezorgd dat ik een minder woedende vrouw geworden ben. Claeys noemt het ‘hoop koesteren, en daarin volharden’ omdat ze zelf geen woedend mens is. Het is geen kwestie van hoop koesteren, geen kwestie van volharden, het is de kwestie van je wezen dat zich tegen beter weten in niet kan neerleggen bij de onmacht.

Want neen, de macht is nooit aan de woedenden, woede is altijd een tegenmacht uit onmacht. Als woede macht zou krijgen, werd ze geblust als vuur door water. Een laatste rookpluimpje van opluchting, en uitgeputte natte assen. (En daarna? Corrumpeert macht altijd?)

De burn-out is de woede die niets in beweging krijgt, steeds laaiender wordt en zichzelf razend uitbrandt. Gevolg: een koude ruïne, dode assen, instorting, the end.
“Woede is pas zichzelf zolang zij in beweging is,” schrijft Claeys.
En: “Een bestaan zelf als daad van protest. Hoe meer in leven kan je zijn?” Zolang je woedend bent, leef je nog ten volle. Voorbij de woede heerst de moedeloosheid, de opgave, een dood leven.
Het was niet uit woede dat ik indertijd voor de zorg koos. Toen was het idealisme. Het is wel uit woede dat ik er na 28 jaar tegen beter weten in nog steeds voor kies.

“If anger is red then rage is purple,” schreef Derek Jarman in zijn ‘Chroma’.
Als er iets is dat je in het werken met meervoudig gehandicapte kinderen leert, is het wel ontzag te krijgen voor hun purperen razernij. Ik ken niemand die verder gaat in zijn woede dan deze kinderen. Ze gaan veel verder dan je slaan en schoppen en knijpen en krabben en bijten en boksen en kopstoten en aan je haar trekken of naar je gezicht uithalen met handen besmeurd met slijmen die ze diep in hun keel zijn gaan halen. Ze smijten hardplastieken speelgoed of bestek naar je kop, ze gooien zware houten banken en bedden omver, ze vernielen onverwoestbare speeltuigen en op (destructieve) maat gemaakt meubilair, ze scheuren kleren en lakens en donsdekens en gordijnen aan flarden, ze scheuren onscheurbare stof. Ze braken, ze houden hun adem in, pletsen zichzelf met vlakke hand en volle kracht in het gezicht, bonken met veel te harde vuistjes op hun eigen hoofd of met hun hoofd tot bloedens toe tegen muren, vloeren, wastafels, ze trekken hun eigen haren uit, knijpen en stampen zichzelf blauwe plekken, schuren zichzelf brandwonden, bijten zichzelf stukken vlees uit de armen.
Al deze onbeheerste en onbeheersbare agressie schrikt af en stoot af en roept afstraffing op. Het genereert zelden begrip of troost. Vooral nieuw personeel of personeel dat zelf de felle woede niet kent, kan er moeilijk mee om. (Of vergeet dat geen enkele woedende mens ooit kalmeerde door beroep te doen op zijn rede.)
Maar wat in feite het schrijnendst is, is de machteloze angst achter al dat geweld. In de beleving van deze kinderen is geen zelf toegebrachte pijn erger of groter dan de machteloze angsten die ze uitstaan. Hun razernij is een om zich heen slaand HELPMIJ!
Ik ben vaak bang en machteloos en ten einde raad geweest over probleemgedrag maar zolang er (razend) leven is is er tenminste hoop. Niets is hartbrekender dan een kind dat het heeft opgegeven.
Een opgebrand kind heeft ten lange uitzichtloze leste alle hoop op hulp laten varen. Dus ja, woede – zelfs razernij – is beter.

Guinevere Claeys heeft het in haar column over Olga Tokarczuks boek ‘Jaag je ploeg over de botten van de doden’ (hoelang popel ik nu al om in mijn exemplaar van die prachtige Fitzcarraldo Editions te beginnen – de verwachtingen zijn intussen torenhoog), noemt het een “heerlijke ode aan wat ze de helderste en dus de meester onder de emoties noemt. Het kan geen twijfel lijden, schrijft zij, dat alle wijsheid ontstaat uit woede. Omdat alleen woede in staat is om alle grenzen te overschrijden.” Zelf zou ik de woede nooit de meester onder de emoties noemen, daarvoor is ze zich te bewust van haar eigen machteloosheid. Dat ze de helderste zou zijn gaat wel in de juiste richting. Ze is helder als een laaiend vuur. Woede kent geen twijfel.
Dat alle wijsheid zou ontstaan uit woede omdat alleen woede in staat is om alle grenzen te overschrijden, kan pas waar zijn als woede bestaansrecht krijgt.
Als Woede een superheld is, dan is zijn aartsvijand baron Ongenaakbaarheid.
Al mijn hele leven lang ben ik een woedend mens. Al mijn hele leven lang wordt mijn woede gepareerd met oorverdovende onverschilligheid, de stilte van plaatsvervangende schaamte over zo’n bandeloos vertoon van machteloze emotie, de superieure, geen tegenspraak duldende stem van de rede, me de mond snoerende macht, honende gaslighting, laatdunkende meesmuilende ironie, schampere ongenaakbaarheid,…
En nog heb ik mijn lesje niet geleerd. Tegen beter weten in blijf ik woeden.
Zolang er woede is, is er hoop.

rage

geen kooien maar tuinen

De vroegste wensen zijn van mijn ouders, in mijn vaders handschrift. Van harte proficiat met je 50ste verjaardag. Je hebt nu nog 50 jaar om veel boeken te schrijven want je bent halverwege.
Ik ben de dochter van een boekhouder en ik heb een bloedhekel aan getallen. Voor mij zijn getallen kooien.
Mijn vader leest boeken over politiek en oorlog en de romans die ik hem geef. Hoeveel bladzijden zal het zijn? was zijn telkens terugkerende vraag aan mij tijdens het werken aan mijn eerste boek en nu opnieuw tijdens het afwerken van mijn tweede boek.
Mijn schoonzus leest Russische romans. Hoeveel zijn er al verkocht? was de enige vraag over mijn eerste boek die ze me keer op keer stelde.
Mensen willen de cijfers.
Hoeveel woorden schrijf je zo gemiddeld per dag?
In hoeveel uur schrijf je zo’n kortverhaal?
Hoeveel boeken heb jij? Hoeveel nog ongelezen?
Hoeveel geef jij wel niet uit aan boeken!
Hoeveel recensies kreeg je boek?
Hoeveel sterren?
Hoeveel verdien je nu aan zo’n boek?
Hoeveel subsidie heb je toen gekregen?
Hoeveel heeft jullie huis indertijd gekost?
Hoeveel heb je betaald voor die schoenen/dat kleed/dat schilderij/dat meubel/die tattoo/… ? Hoeveel tattoos heb jij eigenlijk? En hoeveel volgers? En hoeveel rozelaars in je tuin?
Voor mij zijn die vragen even onzinnig als:
Hoeveel liter, een slordige schatting is voldoende hoor, heb je dit jaar al geplast? Hoeveel keer godverdomme gezegd sinds je achttiende? Je man gekust vorige maand?
Hoeveel keer heb je al geluisterd naar Lonely Stretch?
Hoeveel aardbeien heb je dit seizoen al gegeten?
Hoeveel keer per dag denk je aan je meiske? En per nacht?
Hoeveel keer per maand huil je?
Hoeveel uur erkenning heb je per dag nodig? Hoeveel uur liefde?
Hoeveel plezier kun je hebben?

Of is het simpelweg omdat mijn hersens getallen niet schijnen te kunnen memoriseren dat ik er een hekel aan heb?
Nee. Ik zit hier al een dik kwartier vruchteloos te zoeken naar het juiste beeld om mijn ergernis over die menselijke nood aan kwantificeerbaarheid over te brengen (wie zei ook alweer dat een schrijver iemand is voor wie het schrijven moeilijker is?) maar heb ik een hekel aan woorden? Wel integendeel.

Al is de drang naar kwalificeerbaarheid natuurlijk evenzeer als die naar kwantificeerbaarheid een zucht naar controle. We zijn allemaal controlefreaks ondereen olé olé. Waarom wik en weeg ik anders elk woord van de catalogustekst over mijn boek tot mijn uitgever, de wanhoop nabij vermoed ik, uitroept: eenmaal, andermaal… Omdat ik wil controleren wat en hoe over mijn werk gedacht/verwacht zal worden. Alsof zoiets mogelijk zou zijn.

Maar in mijn beleving van de wereld zijn woorden rijker dan cijfers. Woorden zijn geen kooien maar tuinen. Woorden geven licht en schaduw, woorden geven klank en kleuren en meerdere tinten van die kleuren en schakeringen van die tinten van die kleuren, woorden geven textuur en structuur, woorden groeien en bloeien en geven vrucht, woorden kennen wildgroei of sterven staande… En elke tuinier streeft naar zijn volmaakte tuin maar weet diep vanbinnen wel dat hij die nooit zal bereiken. Er bestaan alleen volmaakte momenten.

Woorden zijn altijd wordende. Cijfers zijn.
Cijfers beweren. Woorden proberen.
Het is zoals Walt Whitman schreef: Do I contradict myself? Very well then I contradict myself. I am large, I contain multitudes!
Zoals in het liedje: mots pressés, mots sensés, mots qui disent la vérité, mots maudits, mots mentis, mots qui manquent le fruit d’esprit, aramsamsam aramsamsam goeliegoeliegoeliegoeliegoelie ramsamsam…

Toen ik dat ‘160 blz’ zag staan in het ontwerp voor de catalogus, zag ik ook meteen mijn vader met het boek in zijn handen, even wegend zoals hij cadeautjes altijd weegt, dan op de laatste bladzijde kijkend… ‘je vorige was toch dikker hé?’ zal hij zeggen en terwijl ik me tegen wil en dank zal verantwoorden ‘het was eerst dubbel zo dik hoor, maar dit is het concentraat…’ zal de ergernis als een onderaardse brand van mijn schouders naar mijn handen kruipen, de rook zal van mijn veraste vel slaan.

het verkeerde talent

Het is onmogelijk na te denken als het lente is.
Dit is geen statement. Het is de vierde poging om uit de stoet in mijn hoofd een inleiding te trekken waar ik tevreden mee kan zijn en deze op papier neer te leggen.
Ik zou het ook kunnen opgeven en de rest van de namiddag blijven zitten kijken naar het komen en gaan van onze kauwen.
Dat is het mooiste aan deze quarantaine gebleken: dat onze kauwen ons dichter in hun buurt dulden. Elke dag bewijzen wij hen dat we ongevaarlijk zijn én oorsprong van lekkers. Zij dwarrelen ontspannen vanuit de dakgoot boven ons hoofd naar de voederplek hier op een paar meter van waar ik zit, pikken wat ze kunnen uit de schotel van de dag, klokken op hun gemakje slokjes water uit het vogelbadje, kijken ons met één parelmoeren oog aan. Ik vind het nog elke dag een voorrecht zo dichtbij deze fantastische vogels te mogen leven. Zo vaak, steeds vaker, ontglipt me de gedachte dat ik mijn zogezegd superieure mensenhersens gerust zou willen ruilen voor het vliegen van de kauw. Dat vliegen gaat zo moeiteloos en is zo’n zuiver plezier. Dat is denkwerk nooit. Ik ben een stugge, stroeve denker.
Waar en wanneer ben ik ergens onderweg mijn absolute vertrouwen in de ratio van de mens verloren en meer in het bijzonder in het amechtige geploeter van mijn eigen povere hersentjes?
Toen ik doorkreeg dat ik in de wijdere wereld niet meer tot de slimsten van de klas behoorde?
Toen ik al te vaak voelde ‘deze theoretische/strategische/… redeneringen kunnen mijn hersens niet bevatten’?
Toen een bevriend kunstenaar me vroeg een inleiding te schrijven bij zijn tentoonstelling over de onttovering van de wereld tijdens de Verlichting en ik koppig schreef over magisch denken en oud volksgeloof?
Toen ik vaker dan me lief was omver gepraat werd door zelfverzekerde mannen met argumentaties waar mijn aarzelende gedachten geen speld tussen konden krijgen en ik woedend van frustratie achterbleef met het gevoel dat ik gevangen gezet was in andermans waarheid?
Toen het me begon te dagen dat iedereen maar wat aanmoddert in zijn leven, zelfs de knapste koppen?
Toen ik tijdens de lessen statistiek voor het eerst kraakhelder besefte: er bestaat niet EEN waarheid, elke interpretatie of analyse is slechts een naar eigen hand en goesting gezette waarheid – misschien wel dé grootste desillusie van mijn coming of age?
Toen ik inzag hoezeer de rede neerkijkt op andere vormen van intelligentie zoals emotie en intuïtie en talent, en hoe vaak ze aangewend wordt als almachtig wapen?
Toen datgene tien jaar geleden gebeurde waardoor mijn notoir slechte geheugen nog zwakker werd?
Toen me vier jaar geleden datgene overkwam wat mijn concentratievermogen nog verder aantastte?

Ik heb het verkeerde talent gekregen.
Ik had beeldend kunstenaar of muzikant moeten kunnen zijn.
Het woord is bij uitstek het medium van de rede.

Mijn roman-in-wording heeft een scène waar zowel ikzelf als mijn redacteur erg van houden: een dood gewaande kauw vliegt over het gangpad van een kerk recht naar mijn hoofdpersonage.
In 1994 of ’95 zag ik de film ‘The Crow’. Ik was er toen weg van. De kraai natuurlijk. En prachtig gefilmd. De choreografieën van het hoofdpersonage en zijn kraai. Steengoede muziek ook. Gisteren kreeg ik van mijn man een te vroeg verjaarcadeautje: de graphic novel van James O’Barr waarop de film gebaseerd is. “It’s not death if you refuse it… it is if you accept it.” Vandaag zocht ik op Youtube nog eens naar de filmmuziek. Nine Inch Nails hadden een zeer goede cover van ‘Dead souls’ van Joy Division gemaakt. Ik keek naar de videoclip, beelden uit de film die ik een kwarteeuw geleden gezien had en waarvan ik me (dat slechte geheugen, ja) nog weinig concreets herinnerde. En dan: dat beeld van de kraai die laag over het middenpad van een kerk vliegt!
Ik was verbluft. Ik was er zeker van dat ik mijn scène met de kauw in de kerk zelf verzonnen had.
Dat is dus hoe mijn hersens werken.
Ik ben een grote spons, niet meer of minder dan dat. Ik slorp alles op, vervolgens zakt het naar een dieper, onzichtbaar, onbereikbaar niveau van mijn geest, en soms, na decennia, lekt er al eens iets weg, en heel soms kan ik dat opvangen en er iets moois mee maken. Dat is magie.
Het heeft me jaren gekost om te leren vertrouwen op de spons.
Mijn confrontatie met het feit dat we als mens geen controle hebben is keihard geweest. Wat me gered heeft uit de verlamming van dat besef is die magie – het wonder van de menselijke geest die zoveel meer kan dan rationeel nadenken.
De intelligentie van de spons toont zich in een onbewuste vol geabsorbeerde observatie en ervaring, in intuïtie, in sprakeloze overtuiging, in verbeelding en schepping. In het geloof dat it’s not death if you refuse it… it is if you accept it.