dankwoordje

Beminde juryleden, dierbare lezers,

ik stond naast de pot achter de laatste afsluitbare deur voor de gang naar de slachtbank, mijn blik gesperd op de smetloos witte muurtegels, proberend mij te concentreren op mijn alternerende neusgatademhaling, diep uit, diep in, duim op rechter neusgat verwisselen voor pink op linker, diep uit, diep in, pink op linker verwisselen voor duim op rechter, diep uit, diep in, pink op linker… maar ik kon daar niet eeuwig blijven, terug naar het voorgeborchte, twee mannen, de een na de ander, kwamen me aanspreken, ik dank jullie, Jos en Vincent, jullie hebben me gered daar, vervolgens stonden we een gang dichter bij het slachtblok, duim op rechter, diep uit, diep in, pink op linker, diep uit, diep in, duim op rechter… en de vijf rond mij voelden zo vrolijk opgewonden, gespannen natuurlijk maar blij, popelend dat podium op te gaan, en ik, ik was een oud trekpaard, de slacht voorvoelend, mijn hoofd voelde als twee gigantische paniekogen met geen ruimte voor hersens meer daarachter, en waar was mijn redacteur, mijn redder met zijn handen en armen om de merrie te bedaren, ergens in dat donker gat ginder, dat donker gat waar ik niet in durfde kijken, dat donker gat waar ook jullie zaten, beminde juryleden, dierbare lezers, en mijn liefste wederhelft, half zo gestrest als ik, en daar gingen we al, vijf huppelende jonge mensen en een panisch boerenpaard, en waarom had ik nog mijn jas en mijn tas in mijn handen, mijn tas met boeken die mijn redacteur me toegestopt had als lolly’s, dankjewel, Chris, en dat ene rode boekje waar ik nu liever mee op een verlaten plekje gezeten had dan hier op dit slachtpodium, dat boekje waarin een warme collega net nog een opdracht in geschreven had waar ik stil van werd, dankjewel Paul, deze boekentas houvast, beminde juryleden, dierbare lezers, daar stampte dit schichtige paard al meteen een flesje water mee omver, dat hebben jullie gezien, wat een bespottelijk begin, maar voort ging het, er werd gepraat gepraat gepraat maar kijk daar, daar stond een doventolk te dansen met haar handen en ik kwam een beetje thuis, ik werd kleine beetjes blij van de gebaren die ik herkende en de paniek week een weinig, liefste doventolk, je weet niet hoe je me daar gered hebt, dankjewel, dankjewel, en ik durfde al weer eens kijken naar mijn jonge collega’s, en ze praatten zo gemakkelijk, alsof ze hele dagen niets anders deden dan dit, kijk die ontspannen houdingen in die stoelen, kijk die nonchalante handbewegingen, de gepaste schoenen en kousen, ach mijn kousen, waarom ben ik niet op mijn ondeugende kousen het podium op gegaan, ach welneen, ze zouden me niet vervuld hebben met stiekem stout plezier, ik zou me belachelijk onvolwassen gevoeld hebben, ik moet mezelf niets wijsmaken, ik ben niet wie ik zou willen zijn, ik ontbeer het lef, beminde juryleden, dierbare lezers, en luister toch eens naar die ongehaaste, zelfverzekerde zinnen, dat gemak, het voelde niet alsof ze hun zinnen moesten bevrijden, alles kabbelde rustig, ongehinderd, tot de interviewer mijn naam uitsprak, mijn gekozen naam, de laatste in de alfabetische rij, en me vroeg waarom ik mijn boek geschreven had en op slag was ik alleen nog maar die twee gigantische paniekogen zonder nog ruimte voor hersens erachter, beminde juryleden, dierbare lezers, en wat doen paarden in geval van paniek, flight or fight or freeze, beminde juryleden, dierbare lezers, ik deed alle drie, dat hebben jullie allemaal kunnen zien, ik bevroor, beminde juryleden, dierbare lezers, tientragetellenlang was ik bevroren, en toen kwam er misschien een slagpin tussen mijn ogen, ik weet het niet, maar schutterig en haperend begon ik een beetje te vechten, worstelend om zinnen over taal en onzichtbaarheid te bevrijden, en toen mocht ik gaan, dankjewel Marnix, toen mochten we gaan, en het volgende moment zat ik ontsnapt in een zeteltje in de donkere zaal, met mijn boekentas houvast en ginder op de eerste rij de achterhoofden van mijn redders, mijn man en mijn redacteur, en ik had geen idee of ze zich dood geneerden of trots waren, maar daar werd alweer gepraat en gepraat en gepraat, de een na de ander ging achter de microfoon staan maar ik zag alleen mijn liefste doventolk, klampte me vast aan haar dansende handen en gelaatsuitdrukkingen, dankjewel mijn liefste doventolk, maar wat nu, mijn hart begon te galopperen, toen te draven, wat gebeurde er, werd dit alsnog een regelrechte paniekaanval, wat werd er uitgesproken dat me zo deed opschrikken net toen ik dacht dat het ergste nu voorbij was, en toen hoorde ik plots mijn naam, mijn gekozen naam, dierbare juryleden, beminde lezers, het laatste wat ik zag was de C-hand van mijn liefste doventolk, en toen stegen naast mij als een Mexican wave mijn jonge collega’s op en moest ik die doorgang nemen, en ik weet niet meer hoe ik op dat podium terecht gekomen ben, ik voelde alleen nog maar, voelde de dravende daver van kop tot teen, de zwaarte van dat bronzen beeldje, laat dat nu als-tu-blieft-niet-val-len!, voelde de kramp in mijn gezicht, zo’n kuitkramp waar je je niet uit kunt kronkelen, ik wilde alleen nog maar vluchten, flight! flight! flight with all my might!, verontschuldig me, beminde juryleden, dierbare lezers, dat er geen fight meer over was, dat ik niet op de microfoon ben afgestapt om dwars door alle paniek heen dapper al mijn dank uit te spreken, het is niet alleen dat ik niets voorbereid had, beminde juryleden, dierbare lezers, omdat ik ervan overtuigd was dat een van mijn jonge collega’s dit zou winnen want zij hadden stuk voor stuk boeken geschreven over thema’s met grote maatschappelijke en actuele urgentie en relevantie, het was ook omdat het simpelweg nog te vroeg was, beminde juryleden, dierbare lezers, het duurde achtentwintig uren voor ik, de zelf in de badkamerspiegel aankijkend, turend in die vermoeide maar gelukkige ogen boven die tandenpoetsmond, toen pas een eerste moment van ècht besef had: mijn ‘Lijn van wee en wens’ heeft de Bronzen Uil gewonnen!, en het duurde nog tot dit moment, deze dinsdagnamiddag, nu en hier aan mijn schrijftafel, mijn plek op de wereld, voor de zinnen van dank zich een beetje begonnen te bevrijden.

Beminde juryleden, dierbare lezers, it takes a village to raise a writer en dit is mijn dankwoordje euh -zinnetje:

Ik dank jullie, beminde juryleden, voor jullie wijdopen leesgeest, voor jullie liefde voor de pure literatuur, voor jullie ontvankelijkheid voor experiment en het onttakelen van de taal, dat levenselement van de literatuur en instrument van de schrijver, en ik dank jullie, dierbare lezers, die me al negen maanden lang bestrooien met de mooiste reacties en berichten, het is een onschatbaar gevoel om als zelf door de literatuur aangeraakte, nu met mijn eigen boek ook andere mensen op gelijke wijze aan te raken, het is het dierbaarste van de schrijver die van achter haar schrijftafel gekomen is om haar boek op te gooien in de wijde lucht in bange hoop dat het zal vliegen, vliegen tot hoog boven de bomen, recht naar de zon, spelevliegen met de kauwen en de wind en de wolken… en ik dank ook jullie, dierbare lezers van zaterdagavond en daarna, lezers die me kwamen vertellen hoezeer mijn boek hen geraakt had, lezers die me vroegen hun naam en de mijne voorin ons boek te schrijven, lezers die me kwamen vertellen dat ze mijn boek nog niet gelezen hadden maar dat nu zeker wilden doen, lezers die mijn boek kochten of nog zullen kopen, en ik wil ook de jonge collega’s bedanken, die me zo gulhartig gelukwensten – ook zij die vooraf de gedoodverfde favoriet waren, het stemt me zo dankbaar, dankjewel Tobi – en de oudere collega’s die al zo welwillend en vriendelijk zijn sinds mijn eerste stap op dit pad, en alle anderen die me al die tijd al gesteund en gestimuleerd en kansen gegeven hebben, jullie weten allemaal dat ik jullie bedoel, dankjewel, dankjewel, dankjewel, en ik ben ook dankbaar voor de stroom van felicitaties uit alle hoeken die me overspoelde bij thuiskomst zondagavond, het is overweldigend, nog steeds.

En ik dank de liefste Kairi, mijn van verre stralende lees- en schrijfzusje weer eens dichtbij voor een weekend, en niet alleen voor het zinderende zondagse boeket, ook voor al het tastbaar maken van gevoel – sinds ik weg ben van de kinderen word ik niet meer op die andere manier vastgenomen. De aanrakingen van een hecht echtpaar thuis zijn zo vertrouwd en vergroeid dat ze je lievelingsdeken geworden zijn, je kwijnt weg zonder maar het omhult je als een lichte tweede huid, en toch heeft het vel blijkbaar ook nood aan handen en armen uit de buitenwereld, en we hebben danige schade in te halen nu we eindelijk niet meer sterven aan elkanders aanrakingen.

Ik dank natuurlijk mijn allerliefste wederhelft, misschien niet elke dag luidop, maar wel elke dag. De ruimte die hij de vechter in mij geeft is grenzeloos en mijn dankbaarheid daarvoor eindeloos. Zonder Barrie was er geen Caro Van Thuyne.

En als laatste maar bovenal dank ik mijn redacteur, maar hij wordt niet graag publiekelijk bedankt dus zwijg ik verder.

Beminde juryleden, dierbare lezers, dank voor uwaandacht.

One thought on “dankwoordje

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s