Maxie

Hij wringt zich door de opening die ontstaan is vanwege een verzakte plank in het gammel poortje, herstelt zich onmiddellijk van zijn struikeling en verkent zijn nieuwe omgeving. Hij is een ietwat plomp onvolgroeid lijfje op stevige hoge poten. Hij heeft een robuuste kop met donkere ogen. Hij springt op het lage muurtje en roept bot ‘Mà!’, en nog eens: ‘Mà!!’ Er lijkt wel zo’n fluitje uit een gummi piepbeest in zijn keel te zitten. Moeder antwoordt niet.

Hij heeft een ferme snavel die deels bevederd is. Hij is nog jong maar nu reeds is hij al zoveel impressionanter dan onze kauwtjes. Alles aan een kauw straalt fijngesneden elegantie en speelsheid en alerte intelligentie uit, deze jonge kraai lijkt nu al een bonkje wil. Maar wat is een kraai die niet kan vliegen? Hartzeer. Zijn staart is nog niet volgroeid, de veren van zijn vleugels ook niet, van de onderste veren kun je nog de witte aanzetten zien waar de bovenste veren er nog niet overheen gegroeid zijn. Het is een compleet raadsel hoe deze jonge rekel in onze ommuurde tuin terecht gekomen is. Kraaien zien we hier zelden, enkel als ze voorbijvliegen en bepaald niet verwelkomd worden door hun kleinere neefjes die de buurt regeren. Het zou me ook zeer verbazen mochten ze in deze dichtbebouwde omgeving broeden, ik heb de indruk dat kraaien op een veiliger afstand van mensen blijven. En toch is hij hier, deze bengel, zo aanwezig als een jong maar aanwezig kan zijn: voor mij een onmogelijk te negeren appèl me om hem te bekommeren.

Hij gaat op een open plekje staan en roept weer schor en dwingend om zijn moeder. Er komt geen antwoord. Alleen onze kleinste kip, die niet veel groter is dan het jong en schrikt van zijn roep, kakelt nerveus. Ik kan het niet helpen, ik roep terug, in mijn bespottelijkste imitatie-kraais, gewoon om hem te laten weten dat hij niet alleen is. Wat natuurlijk belachelijk is want hij heeft niemand anders nodig dan zijn moeder of vader. Mijn WRÀÀ verontrust hem niet maar mij, dat reusachtige verticale monster, zien wel, dus ik trek me terug.

Als ik chaotisch vleugelgeklets hoor denk ik dat onze haan hem aangevallen heeft maar als ik naar buiten storm staat het pluimvee me onschuldig aan te gapen, het jong is verdwenen – het moet dus, met hals-(of vleugel-)brekende toeren over de omheining zijn geraakt.

Dan hoor ik hem roepen van achter het huis, MRÀÀ! Daar is een smalle doorgang tussen de veranda en de betonplaten-afsluiting, die leidt naar een klein vuil koertje. Ik vond er vorige week het stijve kadaver van een kauw, het kopje al helemaal gepluimd en ontvleesd. Dat schedeltje ligt nu gemummificeerd op mijn schrijftafel.

Van in de veranda kan ik het koertje zien. Het kraaienjong gaat op wat gestapelde brokstukken staan en roept weer. Er komt geen antwoord uit de hemel. Ik antwoord vanuit de veranda. Hij blijft roepen, hij is snugger: hij is op een open plekje gaan staan dat goed zichtbaar is vanuit de lucht en hij roept luid om te laten horen waar hij is. Ik blijf antwoorden in mijn slecht imitatie-kraais opdat hij zou blijven roepen. Komaan moeder, waar ben je, je jong kan nog niet zonder je!

In ‘Lijn van wee en wens’ speelt een scène waarin hoofdpersonage Mari een gewonde kauw voor de voeten krijgt. Ze ziet het niet zitten om voor hem te zorgen maar kan hem ook niet aan zijn lot overlaten. Even overweegt ze om hem uit zijn lijden te verlossen, hem te grijpen, haar duimen boven op elkaar op zijn hoge borst te leggen en te drukken, letterlijk zijn snel kloppende hartje te breken. Dat te schrijven alleen al brak mijn hart. De kauw beet van zich af natuurlijk, en eiste op die manier dat Mari voor hem zou zorgen. Op dat moment hield ik veel meer van de kauw dan van Mari.

Ik loop rond het huis om van de andere kant een handje gedroogde meelwormen op het koertje te gaan strooien. Als hij me ziet trekt de kraai zich terug tussen het onkruid achter de veranda maar hij vlucht niet. Hij houdt me in het oog. Tegen dat ik het hele huis weer om gelopen ben en vanuit de veranda ga kijken, heeft hij de meelwormen al gevonden. Hij knipt ze met zijn snavel in stukjes en speelt ze met gemak binnen alsof hij nooit iets anders gegeten heeft.

Als de meelwormen op zijn krijgt hij de kleine vliegjes in het oog die krioelen over de ton die in een drassige plek staat. Hij stapt gewoon in de slappe modder en zakt er meteen tot aan zijn knieën in. Hij heeft moeite om zijn poten los te trekken, verliest af en toe haast zijn evenwicht maar het deert hem niet, hij pikt een vliegje, vindt nog iets in de vieze modder. “… splashing in blood and spinal gunk and shit and piss, unravelling innards, whipping ligaments and nerves about joyous spaghetti tangled wool hammering, clawing, ripping, slurping, burping…” – aaah, Max Porters kraai… “And Crow stands thrilled in a pool of filth, patiently sweeping and toeing remains of demon into a drain-hole.” Hé Max, hé Maxie, wil je niet liever nog wat meelwormen? Ik doe nog eens het ommetje rond het huis met een handvol meelwormen. Ik doe nog een keer of drie, vier het ommetje rond het huis met een handvol meelwormen, blijkbaar heeft Maxie een niet te stillen honger. De jammere consequentie is nu wel dat hij niet langer om zijn moeder roept. Ik doe het hem wel voor maar nu hij zo gul gevoederd wordt, voelt hij blijkbaar niet langer de aandrang. Ik wacht even af.

Hij is zo aandoenlijk nieuwsgierig, plukt aan dode plantenstengels, trekt aan de tuit van een plastic gietertje. Van op de betonnen boord reikt hij naar iets dat hij gezien heeft in de modder, wat leert hij toch snel. Hij gaat op wandel, richting rest van de tuin. Dan hoor ik hem roepen vanuit onze grootste bloemenborder. Ik blijf achter de hoek van het huis staan kijken. Hij is op een oude kruiwagen gesprongen en staat van daar te roepen. Probleem is alleen dat hij onder bomen staat, dus vanuit de lucht niet te zien is. MRÀÀ! MRÀÀ! Ja Maxie, MRÀÀ, jongen!

Dan roept een volwassen kraai terug! KRÀÀ! Jà! Eindelijk! Ze roepen wat over en weer, Maxie en zijn moeder. Af en toe vergeet hij te antwoorden, staat met zijn kopje gekanteld omhoog te kijken. Ik zie geen kraaien over de bomen komen. Waarom komen ze hem niet zoeken? Het blijft weer stil.

Als hij van de kruiwagen springt, spreidt hij wel mooi zijn vleugels en landt zonder ongelukken maar vliegen is het niet. Hij verdwijnt in de begroeiing.

Later zie ik hem terug op het vuil koertje. Veilig omsloten, dat wel, maar hier zullen kraaien nooit landen.

Ik ga nog een handje meelwormen gooien en schuif een schoteltje water op het koertje. Hij zit me van onder de varens aan te kijken, verschijnt pas weer als ik verdwijn. Slimme jongen.

Ook het water heeft hij meteen ontdekt. Zijn drinken is wel nog onhandig, hij probeert met open snavel stukken water te grijpen, vaak heeft hij de rand van de schotel beet, maar hij leert snel, hij hapt water, houdt zijn kop hoog en laat de slok door zijn keel klokken. Hij stapt op de rand van de schotel en drinkt vol overgave. Afstappen gaat nog iets stunteliger. Hij hurkt en laat een witte klets vallen. In zijn schone water natuurlijk.

Het begint te regenen. Dan te hagelen. Hij zoekt geen beschutting, blijft gewoon roerloos staan waar hij staat, de kop wat ingetrokken. Als de bui voorbij is, gaat hij aan de slag om zijn veren te poetsen. Blijkbaar weet hij al hoe dat moet. Af en toe verliest hij wel bijna zijn evenwicht. Alles is oefening.

Het baart me wel een beetje zorgen dat hij zijn moeder niet meer roept. Hij is nog te onvolgroeid om het alleen te redden.

Voor we vertrekken vul ik een schoteltje met meelwormen en schuif het naast zijn schotel water.

Zodra we ‘s anderendaags thuiskomen, ga ik kijken: alle meelwormen zijn op en van Maxie geen spoor. Ik ga het schoteltje aanvullen, zie hem nergens op een van zijn schuilplekjes zitten, zijn donkere oog op mij gericht. Wat is er van hem geworden? Mijn hart zinkt.

Dan hoor ik hem achter de betonplaten, hij moet op een of andere manier in de tuin van de achterburen gesukkeld zijn. Ik roep hem, we roepen wat over en weer naar elkaar. Ik zet een ladder en zie hem op een stapel klinkers staan. Ik roep hem en hij kijkt naar mij maar hij vertrouwt me niet. Hij scharrelt van de klinkers af en naar een hoek met veel onkruid. Ik gooi meelwormen maar er is teveel wind en de meelwormen zijn te licht, ze dwarrelen in het opgeschoten gras, hij heeft ze niet zien vallen.

Maar ik kan hem daar toch niet achterlaten?

Waarom niet? Het is de natuur.

Waarom moet ik toch altijd alles proberen te redden? Heb ik een soort God-complex? Maar dan toch wel dat van de ware god: hij die weet dat hij niet bestaat, dat hij slechts een verzinsel is en compleet machteloos.

God, wat haat ik de onmacht.

Dan hoor ik een volwassen kraai in de lucht! En nog een! KRÀÀÀ! Jàà! Twee kraaien cirkelen boven de bomen rond. Eindelijk hebben ze hun Maxie gevonden! Ik kom de ladder af en trek me terug, kijk en luister vanuit het deurgat. Ze roepen naar elkaar, mijn dappere, kwieke Maxie en zijn ouders! Nu komt alles goed.

Plots ontstaat er een immens kabaal van door elkaar roepende en rondvliegende kauwen en nu ook nog een half dozijn schetterende eksters. Algehele consternatie. Misschien denken de kauwen en eksters dat het kraaienpaar op jacht is naar een van hun malse jongen in plaats van dat ze hun eigen verdwaalde lam komen redden? Maxie is niet meer te horen in de kakofonie. Momenteel misschien maar beter ook, eksters in bende zijn ook geen lieverdjes, hij blijft beter even ondergedoken.

De ouders geven niet op. Ze blijven terugkeren, overvliegen, in toppen van bomen gaan zitten roepen. Dan roept hij terug, MRÀÀ!! – hij moet door een haag in een volgende tuin aanbeland zijn, hij klinkt verder weg dan daarnet – en zij antwoorden onmiddellijk, drie-vier-vijf-zes keer, ze cirkelen rond, ik zie ze naar beneden kijken, zoeken. Waarom komen ze toch niet naar beneden, vraag ik me af.

Het duurt de rest van de dag, het over en weer roepen, het zoeken. Waarom komen ze in hemelsnaam niet naar beneden, ze moeten nu toch wel doorhebben dat hij nog niet kan vliegen? De god die ik ben wil ze godverdomme uit de lucht vissen en in die tuin droppen waar ik Maxie hoor roepen. Heeft hij al iets te eten kunnen vinden of zit hij op zijn honger sinds de laatste van die meelwormen?

In de schemering wordt het stil. Hij is nog niet gered.

De volgende morgen ga ik meteen in het rond luisteren. De kraaien klinken veraf. Soms denk ik dat ik heel in de verte Maxie hoor antwoorden. Hij moet al ergens in de wijk hierachter verdwaald zijn. Hij is dus nog steeds uit de klauwen van katten en honden en roofvogels weten te blijven. Misschien lukt het hem ook wel om een kostje bijeen te scharrelen? En de ouders blijven in de buurt, ze roepen hem. Ik moet geloven dat het goed komt.

De volgende dag hoor ik de kraaien nog steeds. Ik zie ze ook even in de top van een hoge boom zitten, hier misschien een halve kilometer vandaan. Ik verbeeld me dat ik Maxie hoor antwoorden. Ik wil geloven dat het goed komt, dat hij binnenkort zal leren vliegen en dan veilig in de hoge bomen zal geraken, zijn familie vervoegen. En misschien binnen afzienbare tijd hier zal overvliegen. We zullen elkaar niet herkennen.

Mijn zorgend meiske toch, omhelst mijn man me als ik ‘s avonds een beetje moet wenen. Vorige week zag ik een bij sterven en ik herkende er zoveel in dat mijn hart er even van brak. Toen vond ik de dode kauw, die had ik ook niet kunnen redden. Elders pleegde iemand zelfmoord en liet een geliefde kapot achter na een relatie van veertig jaar, ginds werd een baby geboren met de navelstreng rond zijn nekje, werd gered maar kreeg toen nog andere complicaties, straks moeten twee baby’s geboren worden waarvan er eentje nu al niet goed mee kan, het gaat maar door, overal en onophoudelijk, en ik ben een god zonder macht. Dat is het leven, zegt men dan. Maar ik kan alleen maar denken: het leven, dat is de constante dreiging van lijden en sterven en er is geen redding, er is geen God.

Vannacht droomde ik dat Maxie en zijn moeder overvlogen, zij gracieus traag flappend met die brede vleugels, ernstig KRÀÀ roepend, en Maxie achter haar aan, sneller slaand met zijn nog onervaren vleugels, MRÀÀ!MRÀÀ! riep hij naar me en checkte even of ik er nog stond.

Slechts in mijn dromen en mijn schrijven ben ik een God.

One thought on “Maxie

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s